Wat nietigheden op het volk vermogen.
Maar om tot mijn onderwerp terug te keeren, welke kracht heeft wel
die uit steen en hard hout geboren [114] en ruwe menschen tot een
samenleven als burgers bijeengebracht behalve de vleierij? Niets anders
heeft men immers te verstaan onder de cither van Amphion en Orpheus
[115]. Wat heeft de Romeinsche Plebejers, die reeds de vijandigste
plannen koesterden, bewogen, om weer met hun medeburgers in vrede te
gaan leven? Was het een wijsgeerige reden? Volstrekt niet. Veeleer
een belachelijk en kinderachtig verzinsel over de maag en de overige
lichaamsdeelen [116]. Van hetzelfde gehalte was een gelijksoortige
fabel van Themistocles over den vos en den egel [117]. Welke rede,
door een wijze gehouden, zou denzelfden invloed hebben gehad als het
verdichtsel van Sertorius omtrent zijn hinde [118], als het belachelijk
verzinsel van den bekenden Lacedaemoniër over twee honden [119]
en dat omtrent het uitrukken van haren uit een paardestaart [120].
Laat ik maar niets zeggen van Minos [121] en over Numa [122],
die beiden door hun fabelachtige uitvindsels de dwaze menigte
regeerden. Door dergelijke beuzelarijen laat zich het volk, dat
reusachtige en machtige monster, leiden [123].