Het menschelijk leven een speling der Zotheid.
Daarentegen, welke staat heeft ooit de wetten van Plato of Aristoteles
[124] of de leerstellingen van Socrates tot de zijne gemaakt? Wat
heeft verder de Deciussen [125] doen besluiten om zich vrijwillig
aan de Goden der onderwereld te wijden? Wat heeft Quintus Curtius
[126] bewogen zich in dien gapenden poel te werpen, behalve ijdele
eerzucht, een zoetzingende Sirene [127], maar ten zeerste door de
wijzen veroordeeld? Want wat is zotter, zeggen zij, dan als candidaat
het volk om een ambt te smeeken door vleierijen, door geschenken zijn
gunst te koopen, de toejuichingen van zooveel zotten na te jagen, zich
te verkneukelen bij hun bijvalskreten, in zegepraal als een beeld voor
aller oogen te worden rondgedragen, als een bronzen figuur op de markt
te staan? Voeg hierbij het aannemen van namen en bijnamen, hierbij de
goddelijke eerbewijzen aan een menschenkind toegekend en daarenboven
de plechtige handelingen, waarbij van staatswege ook den misdadigsten
vorsten een plaats onder de goden wordt aangewezen [128]. Dit alles
is zoo uiterst dwaas, dat men aan één Democritus [129] niet genoeg
heeft om het uit te lachen. Dit ontkent zeker niemand. En toch is dit
de bron der daden dier dappere helden, die door de geschriften van
zooveel uitstekende mannen hemelhoog verheven worden. Deze zotheid is
de moeder der staten, door haar bestaan heerschappijen, magistraten,
godsdienst, raadsvergaderingen, rechtbanken en het geheele menschelijke
leven is volstrekt niets anders dan een speling der Zotheid.