HOOFDSTUK XXIV.

Nadeelen der wijsheid.

Hoe volslagen onbruikbaar dezen in het dagelijksch leven zijn, daarvan

kan Socrates [97] zeker ten bewijze strekken. Hem alleen verklaarde

het orakel van Apollo voor wijs, dat in dezen echter volstrekt geen

bewijs van wijsheid gaf, want toen hij in een zekere staatszaak wilde

optreden, moest hij onder een algemeen hoongelach weer aftrekken. In

dit ééne opzicht, ik moet het erkennen, is hij niet volslagen onwijs,

dat hij den bijnaam van wijze niet wil aannemen en aan den God zelf

overlaat en dat hij van oordeel is, dat een wijze zich buiten het

staatsbestuur dient te houden, al had hij beter gedaan daarbij de

waarschuwing te voegen, dat ieder, die tot de menschen wil gerekend

worden, zich van de wijsheid dient te onthouden.

Wat heeft hem voorts, toen hij aangeklaagd was, tot het drinken van

den giftbeker gebracht dan die wijsheid? Want terwijl hij over wolken

en ideeën philosopheerde, de pooten van een vloo mat, de stem van

bromvliegen onderzocht, bleef hij onbekend met de eischen van het

dagelijksch leven. [98] Maar tot verdediging van den leermeester,

wiens leven gevaar loopt, verschijnt zijn leerling Plato, zeker een

uitstekend pleitbezorger, die door het geraas van den volkshoop zoo van

zijn stuk geraakte, dat hij ternauwernood de helft van zijn volzin kon

uitspreken. [99] Omtrent Theophrastus [100] behoef ik hierbij zeker

niets te voegen, die voor het volk opgetreden eensklaps geen geluid

meer kon geven, alsof hij een wolf gezien had. [101] Hoe zou hij de

soldaten in den oorlog aangemoedigd hebben! Isocrates [102] heeft

om zijn angstigen aard zelfs nooit een mond durven opendoen. Marcus

Tullius [103], de vader der Romeinsche welsprekendheid, placht

altijd met een ongegronde vreesachtigheid als een hakkelende

jongen te beginnen en dit verklaart Fabius [104] voor een bewijs,

dat hij een verstandig pleiter was, die zijn verantwoordelijkheid

begreep. Erkent hij echter door dit beweren niet openlijk, dat de

wijsheid een hinderpaal is voor de goede behandeling eener zaak? Wat

zullen zulke luidjes aanvangen, als de beslissing aan het zwaard is,

zij, die nu reeds van vrees buiten zichzelf geraken, als er enkel met

woorden te strijden valt? En na dit alles heeft men, God betere 't, nog

den mond vol van Plato's beroemd gezegde, dat de staten gelukkig zullen

zijn, als óf de philosophen heerschers óf de heerschers philosophen

zijn. Integendeel, wanneer gij de geschiedenis raadpleegt, komt

ge zeker tot het besluit, dat geen vorsten verderfelijker voor den

staat geweest zijn dan de een of ander philosophaster (onbeduidend

wijsgeertje) of letterminnaar, zoo in hun handen soms de hoogste

macht geraakt is. Een voldoende bewijs hiervoor leveren, naar ik

meen, de twee Cato's [105], van wie de een door zijn dolzinnige

aanbrengerijen de rust in den staat verstoorde en de ander de vrijheid

van het Romeinsche volk, die hij in zijn al te groote wijsheid trachtte

staande te houden, geheel omverwierp. Voeg hierbij mannen als Brutus,

Cassius [106], de Gracchen [107] en vergeet Cicero zelf niet, die niet

minder verderfelijk voor den Romeinschen staat was dan Demosthenes

[108] voor dien der Atheners. Verder Marcus Antoninus, ook al geven

wij toe, dat hij een goed keizer geweest is,--déze erkentenis zou ik

u kunnen afdwingen--was toch juist daarom onverdragelijk en gehaat

bij zijn medeburgers, omdat hij zulk een wijsgeer was. Maar ook al

geven wij toe, dat hij goed geweest is, dan was hij toch in allen

gevalle meer verderfelijk voor den staat door het nalaten van een

zoon als Commodus, dan hij hem door zijn bestuur van nut was geweest

[109]. Immers dit soort van menschen, die zich aan de wijsbegeerte

wijden, pleegt, behalve in alle andere opzichten, bovenal in het

voortplanten van hun geslacht hoogst ongelukkig te zijn, omdat de

natuur, naar 't mij voorkomt, zorgt, dat die wijsheidskwaal zich

niet te ver bij de menschen verbreide. Zoo weet men, dat Cicero een

ontaarden zoon had, en de kinderen van den wijzen Socrates geleken

meer op hun moeder [110] dan op hun vader d.i. zij waren, volgens de

lang niet verkeerde opmerking van zekeren schrijver, dwaas.

De Lof der Zotheid · 第 31 / 79 题