Nadeelen der wijsheid.
Hoe volslagen onbruikbaar dezen in het dagelijksch leven zijn, daarvan
kan Socrates [97] zeker ten bewijze strekken. Hem alleen verklaarde
het orakel van Apollo voor wijs, dat in dezen echter volstrekt geen
bewijs van wijsheid gaf, want toen hij in een zekere staatszaak wilde
optreden, moest hij onder een algemeen hoongelach weer aftrekken. In
dit ééne opzicht, ik moet het erkennen, is hij niet volslagen onwijs,
dat hij den bijnaam van wijze niet wil aannemen en aan den God zelf
overlaat en dat hij van oordeel is, dat een wijze zich buiten het
staatsbestuur dient te houden, al had hij beter gedaan daarbij de
waarschuwing te voegen, dat ieder, die tot de menschen wil gerekend
worden, zich van de wijsheid dient te onthouden.
Wat heeft hem voorts, toen hij aangeklaagd was, tot het drinken van
den giftbeker gebracht dan die wijsheid? Want terwijl hij over wolken
en ideeën philosopheerde, de pooten van een vloo mat, de stem van
bromvliegen onderzocht, bleef hij onbekend met de eischen van het
dagelijksch leven. [98] Maar tot verdediging van den leermeester,
wiens leven gevaar loopt, verschijnt zijn leerling Plato, zeker een
uitstekend pleitbezorger, die door het geraas van den volkshoop zoo van
zijn stuk geraakte, dat hij ternauwernood de helft van zijn volzin kon
uitspreken. [99] Omtrent Theophrastus [100] behoef ik hierbij zeker
niets te voegen, die voor het volk opgetreden eensklaps geen geluid
meer kon geven, alsof hij een wolf gezien had. [101] Hoe zou hij de
soldaten in den oorlog aangemoedigd hebben! Isocrates [102] heeft
om zijn angstigen aard zelfs nooit een mond durven opendoen. Marcus
Tullius [103], de vader der Romeinsche welsprekendheid, placht
altijd met een ongegronde vreesachtigheid als een hakkelende
jongen te beginnen en dit verklaart Fabius [104] voor een bewijs,
dat hij een verstandig pleiter was, die zijn verantwoordelijkheid
begreep. Erkent hij echter door dit beweren niet openlijk, dat de
wijsheid een hinderpaal is voor de goede behandeling eener zaak? Wat
zullen zulke luidjes aanvangen, als de beslissing aan het zwaard is,
zij, die nu reeds van vrees buiten zichzelf geraken, als er enkel met
woorden te strijden valt? En na dit alles heeft men, God betere 't, nog
den mond vol van Plato's beroemd gezegde, dat de staten gelukkig zullen
zijn, als óf de philosophen heerschers óf de heerschers philosophen
zijn. Integendeel, wanneer gij de geschiedenis raadpleegt, komt
ge zeker tot het besluit, dat geen vorsten verderfelijker voor den
staat geweest zijn dan de een of ander philosophaster (onbeduidend
wijsgeertje) of letterminnaar, zoo in hun handen soms de hoogste
macht geraakt is. Een voldoende bewijs hiervoor leveren, naar ik
meen, de twee Cato's [105], van wie de een door zijn dolzinnige
aanbrengerijen de rust in den staat verstoorde en de ander de vrijheid
van het Romeinsche volk, die hij in zijn al te groote wijsheid trachtte
staande te houden, geheel omverwierp. Voeg hierbij mannen als Brutus,
Cassius [106], de Gracchen [107] en vergeet Cicero zelf niet, die niet
minder verderfelijk voor den Romeinschen staat was dan Demosthenes
[108] voor dien der Atheners. Verder Marcus Antoninus, ook al geven
wij toe, dat hij een goed keizer geweest is,--déze erkentenis zou ik
u kunnen afdwingen--was toch juist daarom onverdragelijk en gehaat
bij zijn medeburgers, omdat hij zulk een wijsgeer was. Maar ook al
geven wij toe, dat hij goed geweest is, dan was hij toch in allen
gevalle meer verderfelijk voor den staat door het nalaten van een
zoon als Commodus, dan hij hem door zijn bestuur van nut was geweest
[109]. Immers dit soort van menschen, die zich aan de wijsbegeerte
wijden, pleegt, behalve in alle andere opzichten, bovenal in het
voortplanten van hun geslacht hoogst ongelukkig te zijn, omdat de
natuur, naar 't mij voorkomt, zorgt, dat die wijsheidskwaal zich
niet te ver bij de menschen verbreide. Zoo weet men, dat Cicero een
ontaarden zoon had, en de kinderen van den wijzen Socrates geleken
meer op hun moeder [110] dan op hun vader d.i. zij waren, volgens de
lang niet verkeerde opmerking van zekeren schrijver, dwaas.