De Zotheid is de oorzaak van hetgeen in den oorlog gebeurt.
Is niet de oorlog het zaad en de bron van alle hooggeprezen daden? Maar
is er nu wel iets zotters te bedenken dan om de een of andere oorzaak
zulk een strijd te ondernemen, waarbij elk van beide partijen altijd
meer schade dan voordeel heeft? Want met hen, die vallen, houdt men
evenmin rekening als met de Megarensers [94]. En als dan de in het
ijzer gepantserde legers zich eenmaal van weerskanten in slagorde
geschaard hebben en de horens hun schrille klanken doen hooren, wat
kan men dan, bid ik U, met de wijzen aanvangen, die door lange studie
uitgeput, door de dunheid en kou van hun bloed ternauwernood het leven
houden? Men heeft dikke en vette kerels noodig, die zooveel mogelijk
stoutmoedigheid doch zoo weinig mogelijk verstand bezitten. Niemand
zal toch liever een soldaat als Demosthenes [95] willen, die op
Archilochus' [96] voetspoor den vijand nauwelijks in 't oog kreeg, of
hij wierp zijn schild weg en vluchtte, waardoor hij bewees, dat hij een
even laf soldaat als een knap redenaar was. Maar, werpt men mij tegen,
beleid in de oorlogen legt het grootste gewicht in de schaal. Dit
erken ik--bij den veldheer; maar het is een krijgswetenschap, die
met de wijsbegeerte niets te maken heeft; overigens wordt dit zoo
voortreffelijke beroep door tafelschuimers, koppelaars, roovers,
sluipmoordenaars, boeren, stommeriken, bankroetiers en dergelijk
schuim van 't menschdom uitgeoefend, niet door de naar hun studeerlamp
riekende wijsgeeren.