De rol, die de Zelfzucht speelt in dienst van haar zuster de Zotheid.
Eilieve, zal iemand, die zichzelf haat, ooit iemand kunnen
liefhebben? Zal hij met een ander eendrachtig samenleven, die met
zichzelf in tweedracht verkeert? Zal hij ooit iemand genoegen doen,
die voor zichzelf lastig en onaangenaam is? Dit zal, meen ik, wel
niemand beweren, of hij moet nog zotter zijn dan de Zotheid zelf. Als
gij mij evenwel buitensluit, zal ieder, om nu niet te spreken van
het verdragen van zijn medemensch, van zichzelf walgen, al het zijne
vuil vinden, ieder zichzelf haten. Dit kwaad heeft immers de natuur,
die zich in niet weinig gevallen meer een stiefmoeder dan een moeder
toont, in den menschenborst geplant, bovenal van de verstandigsten,
dat ieder ontevreden is met zichzelf en bewondert wat een ander
toebehoort. Hierdoor worden alle gaven, alle bekoorlijkheid en
schoonheid des levens bedorven en vernietigd.
Want wat baat de schoonheid, die uitstekende gave der onsterfelijke
Goden, indien de smet der preutschheid daarop kleeft? Wat de
jeugd, als men haar door den zuurdeesem van paaienbrommigheid laat
bederven? Kortom, hoe zult gij het in iedere omstandigheid des levens
of bij u zelf of in uw betrekking tot anderen met de welvoegelijkheid
stellen--want het is niet alleen de hoofdzaak in elke kunst, maar
ook in elke handeling, dat hetgeen gij doet, welvoegelijk is,--als u
deze Philautia (Zelfzucht) niet ter zij staat, die met volle recht
voor mijn zuster kan doorgaan; met zooveel ijver maakt zij overal
mijn zaak tot de hare. Wat is toch zoo zot als zichzelf te behagen
en zichzelf te bewonderen?
Maar aan den anderen kant, zult ge wel iets bekoorlijks, iets
bevalligs, iets welvoegelijks kunnen verrichten, als ge u zelf
mishaagt? Neem deze kruiderij uit het leven weg, en dadelijk zal
de redenaar met zijn voordracht zijn hoorders koud laten, zal
niemand vermaak scheppen in den toonkunstenaar met zijn melodieën,
den tooneelspeler met zijn gebarenspel zal men uitjouwen, men zal
lachen om den dichter met zijn Muzen, in minachting zal de schilder
zijn met zijn kunst en de arts met zijn geneesmiddelen zal honger
lijden. Eindelijk zal men U in plaats van een Nireus voor een
Thersites [90], in plaats van een Phaon [91] voor een Nestor, in
plaats van een Minerva voor een zwijn [92], in plaats van een goed
spreker voor iemand, die geen woord kan uitbrengen, in plaats van
een beschaafd man voor een boerenkinkel houden. Zoo noodig is het,
dat ieder ook zichzelf vleie en door een soort van pluimstrijkerij
zijn eigen gunst verwerve, alvorens hem dit bij anderen mogelijk
is. Tenslotte, terwijl toch het hoogste geluk hierin bestaat, dat
men wil zijn wat men is, danken wij dit alles zeker kort en goed aan
mijn Philautia, dat niemand ontevreden is met zijn voorkomen, niemand
met zijn karakter, niemand met zijn afkomst, niemand met zijn stand,
niemand met zijn leefwijze, niemand met zijn vaderland, zoodat geen
Ier met een Italiaan, geen Thraciër met een Athener, geen Scyth [93]
met een bewoner der gelukzalige eilanden wil ruilen. Hoe eenig is niet
de zorg der natuur, dat zij bij een zoo groote verscheidenheid alles
zoo volkomen gelijk heeft gemaakt! Waar zij een weinig te karig is
geweest met haar gaven, daar pleegt zij een weinigje Philautia bij te
voegen; doch mijn beweren zelf mag ongetwijfeld een zotheid heeten,
omdat juist deze gave de allergrootste is, om er nu maar niet van te
spreken, dat geen voortreffelijke daad ondernomen wordt dan op mijn
aansporing en dat alle groote uitvindingen haar ontstaan aan mij te
danken hebben.