HOOFDSTUK XXII.

De rol, die de Zelfzucht speelt in dienst van haar zuster de Zotheid.

Eilieve, zal iemand, die zichzelf haat, ooit iemand kunnen

liefhebben? Zal hij met een ander eendrachtig samenleven, die met

zichzelf in tweedracht verkeert? Zal hij ooit iemand genoegen doen,

die voor zichzelf lastig en onaangenaam is? Dit zal, meen ik, wel

niemand beweren, of hij moet nog zotter zijn dan de Zotheid zelf. Als

gij mij evenwel buitensluit, zal ieder, om nu niet te spreken van

het verdragen van zijn medemensch, van zichzelf walgen, al het zijne

vuil vinden, ieder zichzelf haten. Dit kwaad heeft immers de natuur,

die zich in niet weinig gevallen meer een stiefmoeder dan een moeder

toont, in den menschenborst geplant, bovenal van de verstandigsten,

dat ieder ontevreden is met zichzelf en bewondert wat een ander

toebehoort. Hierdoor worden alle gaven, alle bekoorlijkheid en

schoonheid des levens bedorven en vernietigd.

Want wat baat de schoonheid, die uitstekende gave der onsterfelijke

Goden, indien de smet der preutschheid daarop kleeft? Wat de

jeugd, als men haar door den zuurdeesem van paaienbrommigheid laat

bederven? Kortom, hoe zult gij het in iedere omstandigheid des levens

of bij u zelf of in uw betrekking tot anderen met de welvoegelijkheid

stellen--want het is niet alleen de hoofdzaak in elke kunst, maar

ook in elke handeling, dat hetgeen gij doet, welvoegelijk is,--als u

deze Philautia (Zelfzucht) niet ter zij staat, die met volle recht

voor mijn zuster kan doorgaan; met zooveel ijver maakt zij overal

mijn zaak tot de hare. Wat is toch zoo zot als zichzelf te behagen

en zichzelf te bewonderen?

Maar aan den anderen kant, zult ge wel iets bekoorlijks, iets

bevalligs, iets welvoegelijks kunnen verrichten, als ge u zelf

mishaagt? Neem deze kruiderij uit het leven weg, en dadelijk zal

de redenaar met zijn voordracht zijn hoorders koud laten, zal

niemand vermaak scheppen in den toonkunstenaar met zijn melodieën,

den tooneelspeler met zijn gebarenspel zal men uitjouwen, men zal

lachen om den dichter met zijn Muzen, in minachting zal de schilder

zijn met zijn kunst en de arts met zijn geneesmiddelen zal honger

lijden. Eindelijk zal men U in plaats van een Nireus voor een

Thersites [90], in plaats van een Phaon [91] voor een Nestor, in

plaats van een Minerva voor een zwijn [92], in plaats van een goed

spreker voor iemand, die geen woord kan uitbrengen, in plaats van

een beschaafd man voor een boerenkinkel houden. Zoo noodig is het,

dat ieder ook zichzelf vleie en door een soort van pluimstrijkerij

zijn eigen gunst verwerve, alvorens hem dit bij anderen mogelijk

is. Tenslotte, terwijl toch het hoogste geluk hierin bestaat, dat

men wil zijn wat men is, danken wij dit alles zeker kort en goed aan

mijn Philautia, dat niemand ontevreden is met zijn voorkomen, niemand

met zijn karakter, niemand met zijn afkomst, niemand met zijn stand,

niemand met zijn leefwijze, niemand met zijn vaderland, zoodat geen

Ier met een Italiaan, geen Thraciër met een Athener, geen Scyth [93]

met een bewoner der gelukzalige eilanden wil ruilen. Hoe eenig is niet

de zorg der natuur, dat zij bij een zoo groote verscheidenheid alles

zoo volkomen gelijk heeft gemaakt! Waar zij een weinig te karig is

geweest met haar gaven, daar pleegt zij een weinigje Philautia bij te

voegen; doch mijn beweren zelf mag ongetwijfeld een zotheid heeten,

omdat juist deze gave de allergrootste is, om er nu maar niet van te

spreken, dat geen voortreffelijke daad ondernomen wordt dan op mijn

aansporing en dat alle groote uitvindingen haar ontstaan aan mij te

danken hebben.

De Lof der Zotheid · 第 29 / 79 题