Door haar toedoen behagen de vrouwen aan de mannen.
Maar omdat den man, van nature bestemd om de zaken te besturen,
een weinigje meer van dat onsje rede moest toegedeeld worden, ging
Jupiter, om ook zoo goed mogelijk voor zijn belangen te zorgen,
in dezen, evenals in al het overige, met mij te rade en ik deed
hem spoedig een mijner waardig plan aan de hand, nl. om naast hem
de vrouw te plaatsen, wel een dwaas en onredelijk wezen, maar toch
koddig en prettig: bij het huiselijk samenleven zou zij door haar
dwaasheid het onaangename in den inborst van den man genietbaar maken
en verzachten. Want als Plato schijnt te twijfelen, tot welk van
beide soorten hij de vrouw zal brengen, tot de redelijke of redelooze
wezens, dan is zijn bedoeling zeker geen andere dan te wijzen op de
in het oog springende dwaasheid van die sekse. Wanneer soms de een
of andere vrouw voor wijs mocht willen doorgaan, dan wordt zij ten
slotte slechts een dubbele zottin, evenals of iemand een os in het
worstelperk wilde brengen, [81] in strijd met zijn geheelen bouw
en aanleg. Want ieder, die tegen zijn aard in den schijn aanneemt
van deugd en zijn gaven aan iets anders wijdt, begaat een dubbele
fout. Evenals, volgens het Grieksche spreekwoord, een aap altijd
een aap blijft, ook al draagt hij een purperen kleed, zoo ook is
een vrouw altijd een vrouw, d. i. een zottin, welk masker zij ook
voordoe. Toch acht ik het geslacht der vrouwen niet in die mate zot,
dat zij mij het kwalijk zullen nemen, dat ik haar, ofschoon zelf een
vrouw en nog wel de Zotheid, de eigenschap van zotheid toeken. Immers,
wanneer zij de zaak naar behooren overwegen, dan moeten zij juist
hiervoor der Zotheid dank weten, dat men haar vrij eenstemmig voor
gelukkiger houdt dan de mannen.
In de eerste plaats is daarvan de reden haar bevallig uiterlijk,
dat zij terecht boven alles ter wereld stellen en dat haar helpt om
tyrannen zelfs te tyranniseeren. Waaraan heeft anders die houterige
gestalte, die behaarde huid en die stoppelige baard, waardoor de man
tamelijk veel op een ouden paai gelijkt, zijn oorsprong te danken,
dan aan die rampzalige wijsheid, terwijl de altijd gladde wangen
der vrouwen haar altijd zwakke stem, haar zacht velletje als 't ware
het beeld eener eeuwige jeugd zijn. Wat wenschen zij verder anders
in dit leven, dan den mannen zooveel mogelijk te behagen? Bedoelen
zij dit niet met al dat opsmukken, al dat blanketten, al dat baden,
al dat opmaken van het haar, al die zalfjes, al die odeurs, al die
kunstgrepen om haar aangezicht te plooien, haar oogen te verven en haar
lijf een schoonen vorm te geven? Hebben zij dan inderdaad iets anders,
dat haar meer de harten der mannen wint, dan haar dwaasheid? Geven
zij den vrouwen niet in alles haar zin? En dat zonder eenige andere
vergoeding dan zingenot, terwijl het eenige aantrekkelijke in haar
de zotheid is. Dat zal wel niemand ontkennen, die bedenkt, welke
dwaasheden een man bij een vrouw uitkraamt en welke malligheden hij
doet, zoo vaak hij de genoegens der liefde wil smaken. Zoo weet gij
dan nu, uit welke bron het eerste en voornaamste levensgenot voortkomt.