HOOFDSTUK XV.

De Zotheid vooral maakt de Goden aantrekkelijk.

Maar wat spreek ik tot nog toe over de stervelingen? Neemt den geheelen

hemel in oogenschouw en de eerste de beste mag mij van mijn naam een

verwijt maken, als hij onder alle goden er één vindt, die de gunst

en de achting, waarin hij staat, niet aan mijn goddelijke macht te

danken heeft. Waarom toch is Bacchus altijd een jong man met dik

haar? Wel, omdat hij dronken en dol met gastmalen, danspartijen,

reidansen en pretmaken zijn geheele leven doorbrengt en zich zelfs

in de verte niet met Pallas inlaat. Kortom, hij is er zoo ver af, dat

hij voor wijs wil doorgaan, dat hij het liefst boertend en schertsend

wil gediend worden. Hij voelt zich dan ook volstrekt niet gekwetst

door het spreekwoord, dat hem den bijnaam "dwaas" geeft: het luidt

zoo ongeveer: Nog doller dan Morychus [64]. Den naam Morychus leidt

men verder daarvan af, dat de landlieden in hun brooddronkenheid

hem, als hij voor de deur van zijn tempel zit, met most en versche

vijgen plegen te besmeren [65]. Wat werpt verder het oude blijspel

[66] hem niet voor hatelijkheden naar het hoofd! Wat een flauwe God,

zeggen zij; hij verdient uit een dij [67] geboren te worden. Maar

wie zou niet liever zoo'n flauwe en zoutelooze God zijn, altijd

vroolijk, altijd weer jong, altijd voor allen vol pret en plezier,

dan zelfs die arglistige, bij allen gevreesde Jupiter of Pan, die,

de geheele wereld door allerlei angsten in rep en roer brengend, [68]

haar een bron van ergernis is en verdriet, of de vol asch zittende

Vulcanus [69], die er altijd even vuil uitziet van 't arbeiden in zijn

werkplaats, of ook Pallas zelf zoo vreeslijk door haar Gorgo [70]

en speer, die altijd even zuur kijkt. Waarom blijft Cupido altijd

een knaap? Waarom anders dan omdat hij altijd een beuzelaar is en

nooit iets verstandigs doet noch denkt? Waarom bloeit de gulden Venus

altijd weer in jeugdige schoonheid? Wel, omdat zij met mij verwant

is en om deze reden draagt haar gelaat ook de kleur mijns vaders en

heet zij bij Homerus de gulden Aphrodite. Voorts lacht zij eeuwig,

wanneer wij tenminste de dichters of hun mededingers, de beeldhouwers,

mogen gelooven. Welke godheid hebben de Romeinen meer eerbied bewezen

dan Flora [71], de moeder van alle zingenot?

Maar ook wat betreft die goden met hun streng uiterlijk, als men van

hen bij Homerus en de overige dichters het leven wat nauwkeuriger

nagaat, dan zal men ook bij hen alles vol dwaasheid vinden. Het

zal wel overbodig zijn de daden der overigen te vermelden, daar gij

minnekozerijen van Jupiter, den bliksemslingeraar, zelf maar al te

goed kent en even goed weet, hoe die ongenaakbare Diana zonder om haar

sekse te denken, zich enkel bezig houdt met de jacht en intusschen

smoorlijk verliefd is op Endymion [72]. Maar ik zou liever willen,

dat zij hun daden van Momus [73] hoorden, van wien zij die indertijd

meermalen plachten te vernemen. Nu hebben zij echter in toorn hem

tegelijk met Ate [74] hals over kop uit den hemel op aarde geworpen,

omdat hij het door zijn wijsheidskramerij der goden geluk wat lastig

maakte. Geen mensch ter wereld wil den armen balling gastvrij opnemen

en veel minder vindt hij aan de hoven der vorsten een thuis, alhoewel

mijn Kolakia [75] daar een eerste rol speelt, zij, die evenmin bij

Momus past als wolven bij een lam.

Zoo hebben de Goden, nu hij weg is, het veel vrijer en prettiger bij

hun dwaasheden: zij leiden nu inderdaad, om met Homerus te spreken,

een veel gemakkelijker leventje, daar niemand toch den zedenmeester

over hen speelt. Wat haalt die vijgenhouten Priapus [76] al niet

voor snakerijen uit! Wat veroorzaakt Mercurius niet een pret door

zijne dieverijen en slinksche streken! Ja, Vulcanus zelf speelt

gewoonlijk op der Goden gastmalen voor hansworst en vervroolijkt

nu eens door zijn hinken, dan weer door zijn plagerijen of ook door

zijn aardigheden hun drinkgelagen. [77] Dan pleegt ook Silenus [78],

die oude liefhebber, den cancan te dansen, waarbij zich Polyphemus

[79] en de Nymphen voegen, wier onder schetterende muziek uitgevoerde

dansen niet veel welvoegelijker zijn.

De Satyrs met hun halve bokkengestalte geven kluchtspelen ten beste,

Pan weet door een laf liedje allen te doen lachen en hem willen zij

liever hooren dan de Muzen zelf, vooral wanneer de nektar hun reeds

naar het hoofd begint te stijgen. Ik zal u verder wel niet behoeven

mede te deelen wat de goden, na duchtig gedronken te hebben, na

den maaltijd zooal uitrichten, want het is waarachtig zoo dwaas,

dat ik mij zelf van lachen niet kan onthouden. Maar het is beter,

hierbij aan Harpocrates [80] te denken: anders mocht soms de een of

ander ons beluisteren bij het verhaal van dingen, die Momus zelfs

niet straffeloos wereldkundig heeft gemaakt.

De Lof der Zotheid · 第 22 / 79 题