HOOFDSTUK XIV.

De Zotheid verlengt de jeugd en weert den ouderdom.

Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn

weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn

te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet

spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een

boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof

niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar

ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel

zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel

vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten,

dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden

het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die

sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën,

deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat

zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen,

blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam

maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?

Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit: [58]

zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit

Acarnanië [59] noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den

ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden

aangestoken. Zoo waar is het, dat in 't menschelijk leven niets in

alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke

getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is

zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd

te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te

houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in

de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de

jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen,

des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den

dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom

minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij

hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen

niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij

daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig

schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan? [60]

Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen,

Auroras [61] en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de

jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook

gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoor Memnons

dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus [62] verlengd heeft. Ik

ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat

Sappho [63] smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden

toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die

niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker

is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij 't allen met mij

eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en

niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie,

ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat

ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.

De Lof der Zotheid · 第 21 / 79 题