De Zotheid verlengt de jeugd en weert den ouderdom.
Is er nu wel iemand ter wereld, die den moed heeft om deze mijn
weldaad met de gedaanteverwisseling der overige goden op één lijn
te stellen? Over hetgeen dezen in hun toorn doen, wil ik liever niet
spreken, maar wien zij het meest genadig zijn, die plegen zij in een
boom, een vogel, een krekel of zelfs in een slang te veranderen: alsof
niet juist het sterven hierin bestaat, dat men iets anders wordt. Maar
ik verplaats denzelfden mensch weer in het beste en gelukkigste deel
zijns levens. Als de stervelingen allen omgang met de wijsheid geheel
vermeden en hun leven in onafgebroken verkeer met mij doorbrachten,
dan zou er zelfs geen ziekte als de ouderdom bestaan, maar zij zouden
het geluk smaken van een eeuwige jeugd. Ziet gij dan niet, dat die
sombere zwaarhoofden, die hun leven deels aan wijsgeerige studiën,
deels aan ernstige en moeilijke zaken gewijd hebben, meestal, voordat
zij geheel volwassen zijn, reeds den last des ouderdoms gevoelen,
blijkbaar, omdat zorgen en onafgebroken ernstig nadenken langzaam
maar zeker hun geest en hun edelste levenssappen uitputten?
Mijn zotten daarentegen zien er vrij vetjes en glimmend uit: [58]
zij zorgen zoo goed voor hun velletje, dat men hen echte varkens uit
Acarnanië [59] noemt, en zij zouden zeker nooit eenig ongemak van den
ouden dag bemerken, als zij niet zoo nu en dan door de wijzen werden
aangestoken. Zoo waar is het, dat in 't menschelijk leven niets in
alle opzichten gelukkig is. Hierbij komt nog de niet onbelangrijke
getuigenis van het volksgezegde, dat de zotheid het eenige middel is
zoowel om de vaart van de overigens ijlings voorbij snellende jeugd
te vertragen als de vervloekte grijsheid op een verren afstand te
houden. Daarom heet het niet zonder goede gronden van de Brabanders in
de volkstaal, dat, hoewel bij de andere menschen het verstand met de
jaren pleegt te komen, zij, naarmate zij meer den ouderdom naderen,
des te zotter worden. En toch is er geen ander volk, dat in den
dagelijkschen omgang aardiger is of het onaangename van den ouderdom
minder bemerkt. Het naast aan dezen komen, evenals zij het naast bij
hen wonen, ook in leefwijze mijn Hollanders; want waarom zou ik hen
niet de mijne noemen, wier vereering van mij zoo ver gaat, dat zij
daaraan hun gewonen bijnaam te danken hebben en hierover zoo weinig
schaamte gevoelen, dat zij zich op niets meer laten voorstaan? [60]
Daar gaan mij nu die gekke menschen bij Medéas, Circés, Venussen,
Auroras [61] en bij de een of andere bron het middel zoeken, dat hun de
jeugd zal teruggeven, iets, waartoe ik alleen in staat ben en mij ook
gaarne leen. Bij mij is die wonderbalsem te vinden, waardoor Memnons
dochter de jeugd van haar grootvader Tithonus [62] verlengd heeft. Ik
ben die Venus, door wier gunst de bekende Phaon weer zoo jong werd, dat
Sappho [63] smoorlijk op hem verliefd werd. Mij behooren die kruiden
toe, zoo zij al bestaan, mij de tooverformulieren, mij de bron, die
niet alleen de vervlogen jeugd terugroept, maar wat verkieselijker
is, haar voor altijd weet te doen blijven. Als gij 't allen met mij
eens zijt, dat er niets beters bestaat dan de bloeitijd des levens en
niets verfoeilijkers dan de ouderdom, dan zijt gij, zoo ik goed zie,
ook overtuigd van de groote verplichting, die gij aan mij hebt, omdat
ik zulk een groot kwaad wist te weren en zulk een goed te behouden.