Kindsheid en ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant.
Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den
mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest
in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen,
zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te
hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat
de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft
om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande
in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten,
als gunsten van hun beschermers af te vleien.
Hoe geniet verder de jongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst,
hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij
hem vooruit, hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar
waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan
behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig
mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het
is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd
door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen
in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft,
de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche
kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die
mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt,
die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.
Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik
niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende
en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende
menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp
komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf
staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het
volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards "op
nieuw kinderen" pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik
deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem
verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe [55], die op
de eilanden der gelukzaligen ontspringt--want in de onderwereld stroomt
slechts een smal beekje--om daar, na de vergetelheid in lange teugen
te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost,
weer jong te worden. "Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs,"
voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer
kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt,
dan onwijs zijn? Trekt dit ons niet het allermeest in dien leeftijd
aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap
met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en
vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:
"Ik hou van 't jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd."
Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan
zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid
van oordeel paarde? Dus--dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij
te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen,
waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen
onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen
een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert
hij met den grijsaard van Plautus [56] tot die drie letters (m-i-n)
terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door
mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en
zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van
Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles
[57] bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op
den muur zittende grijsaards zacht en teeder.
In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig
is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste
levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet
hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen
zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van
grijsaards.
"Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar."
Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard
wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens--wit haar,
een mond zonder tanden, een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend
spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid,
kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid
naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken,
totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en
zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.