HOOFDSTUK XIII.

Kindsheid en ouderdom zijn met de Zotheid ten nauwste verwant.

Vooreerst dan, wie weet niet, dat de eerste levensjaren van den

mensch verreweg het vroolijkst zijn en verreweg bij allen het meest

in de gunst staan? Want hetgeen wij in de kleine kinderen zoo kussen,

zoo omhelzen en zoo troetelen, dat zelfs een vijand dezen leeftijd te

hulp komt, is zeker niets anders dan het bekoorlijke der zotheid, dat

de verstandige natuur met opzet aan de pas geborenen geschonken heeft

om hen in staat te stellen door een soort van vergoeding, bestaande

in genot, zoowel al het lastige hunner opvoeding te verzachten,

als gunsten van hun beschermers af te vleien.

Hoe geniet verder de jongelingsleeftijd, die hierop volgt, alle gunst,

hoe zijn allen dezen van harte genegen, met welk een ijver helpen zij

hem vooruit, hoe vriendelijk reiken zij hem de behulpzame hand! Maar

waaraan, bid ik u, heeft de jeugd dit hulpbetoon te danken? Waaraan

behalve aan mij? Door mijn goedertierenheid is zij zoo weinig

mogelijk wijs en ergert zij zich daarom aan niets ter wereld. Het

is toch maar al te waar, dat weldra, als zij op volwassen leeftijd

door ondervinding en wetenschappelijk onderwijs eenigszins mannen

in het verstand beginnen te zijn, de glans der schoonheid verdooft,

de vlugheid vertraagt, het vuur der geestigheid verkoelt, de frissche

kracht verslapt. Hoe verder de jeugd zich van mij verwijdert, in die

mate leeft zij al minder en minder, totdat de lastige grijsheid komt,

die al niet meer alleen bij anderen, maar ook bij zichzelf gehaat is.

Zij zou gewis voor geen mensch ter wereld uit te staan zijn, als ik

niet weer, uit medelijden met zooveel ellende, bijstand verleende

en, evenals de goden bij de dichters aan in stervensnood verkeerende

menschen gewoonlijk door de een of andere gedaanteverwisseling te hulp

komen, zoo ook ik niet hen, die reeds met het ééne been in het graf

staan, weer zooveel mogelijk tot den kinderleeftijd terugbracht. Het

volk slaat daarom den spijker op den kop, als het grijsaards "op

nieuw kinderen" pleegt te noemen. Vraagt iemand mij voorts, hoe ik

deze verandering teweeg breng, dan wil ik zelfs dit niet voor hem

verborgen houden. Ik voer hen naar de bron van onze Lethe [55], die op

de eilanden der gelukzaligen ontspringt--want in de onderwereld stroomt

slechts een smal beekje--om daar, na de vergetelheid in lange teugen

te hebben ingeslorpt, van alle beslommeringen allengskens verlost,

weer jong te worden. "Maar zij zijn de kluts kwijt, zij zijn onwijs,"

voert men daartegen aan. Zeker, maar juist hierin bestaat het weer

kind worden. Is wel een kind zijn iets anders dan de kluts kwijt,

dan onwijs zijn? Trekt dit ons niet het allermeest in dien leeftijd

aan, dat hij volstrekt geen wijsheid bezit? Wie zou toch een knaap

met de wijsheid van een man niet als een wangedrocht verfoeien en

vervloeken? Hiermee rijmt ook het algemeen bekende volksgezegde:

"Ik hou van 't jongsken niet, dat wijs is vóór zijn tijd."

Wie zou gemeenschap of omgang willen hebben met een grijsaard, die aan

zijn groote ondervinding een even groote geestkracht en scherpheid

van oordeel paarde? Dus--dat de grijsaard gek is, heeft hij aan mij

te danken, maar mijn gek is althans vrij van die rampzalige zorgen,

waardoor de wijze zoo gefolterd wordt. Intusschen is hij geen

onaardige drinkebroer. Hij voelt niet die levenszatheid, waartegen

een krachtiger leeftijd ternauwernood bestand is. Zoo nu en dan keert

hij met den grijsaard van Plautus [56] tot die drie letters (m-i-n)

terug, diep rampzalig, als hij wijs was. Maar intusschen is hij door

mijn toedoen gelukkig, intusschen is hij gezien bij zijn vrienden en

zelfs een prettige dischgenoot. Immers ook bij Homerus vloeit van

Nestors lippen een taal zoeter dan honig, terwijl die van Achilles

[57] bitter is, en bij denzelfden dichter klinken de woorden der op

den muur zittende grijsaards zacht en teeder.

In dit opzicht winnen zij het zelfs van de kindsheid, die wel aanvallig

is, maar de geschiktheid om te spreken mist en hierdoor van het hoogste

levensgenot, dat bestaat in het babbelen, verstoken is. Vergeet niet

hierbij op te merken, dat de grijsaards meer den omgang met knapen

zoeken en de knapen wederkeerig genot vinden in het gezelschap van

grijsaards.

"Want altijd brengt de God gelijken tot elkaar."

Er bestaat immers tusschen hen geen verschil dan dat de grijsaard

wat rimpeliger is en wat meer verjaardagen telt. Overigens--wit haar,

een mond zonder tanden, een kleine gestalte, trek in melk, hakkelend

spreken, babbelzucht, malligheid, vergeetachtigheid, onbedachtzaamheid,

kortom al het overige komt overeen. Hoe dichter zij tot de grijsheid

naderen, des te meer beginnen zij ook weer op kinderen te gelijken,

totdat zij op de wijze van kinderen, zonder het leven zat te zijn en

zonder de nadering des doods te bemerken, het leven verlaten.

De Lof der Zotheid · 第 20 / 79 题