HOOFDSTUK XII.

Vervolg.

Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en

de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens

aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van

mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen

heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?

Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo

wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs [53] was, dat

hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen

het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en

bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met

het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere

mate te kunnen smaken.

Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des

levens is toch wel niet somber, niet geesteloos, niet onbehagelijk,

niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij

der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met

hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles [54] aan te

voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:

"In 't onverstand alleen ligt 's levens hoogst genot,"

maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden

beschouwen.

De Lof der Zotheid · 第 19 / 79 题