Vervolg.
Maar het zou waarlijk weinig beteekenen, dat men den oorsprong en
de bron van het leven aan mij te danken heeft, als ik niet tevens
aantoon, dat alle levensgenot zonder eenige uitzondering een gave van
mij is. Wat dunkt U, zou dit leven wel in eenig opzicht leven mogen
heeten, zoo men het genot er uit wegneemt?
Ik hoorde uw toejuichingen en ik wist dan ook wel, dat niemand uwer zoo
wijs, of veeleer zoo onwijs, neen toch liever zoo wijs [53] was, dat
hij dit gevoelen was toegedaan. En toch versmaden zelfs de Stoïcijnen
het genot niet, alhoewel zij met alle macht het tegendeel beweren en
bij den grooten hoop daartegen uitvaren en tieren, natuurlijk met
het doel om anderen daarvan af te schrikken en het zelf in ruimere
mate te kunnen smaken.
Maar bij den hemel, laten zij mij dan eens zeggen, welk tijdperk des
levens is toch wel niet somber, niet geesteloos, niet onbehagelijk,
niet smakeloos, niet verdrietig, als men het genot, d.i. de kruiderij
der zotheid, er niet bijvoegt? Zeker, ik zou kunnen volstaan met
hiervoor de getuigenis van den nooit volprezen Sophocles [54] aan te
voeren, van wien deze schoone lofspraak op ons bestaat:
"In 't onverstand alleen ligt 's levens hoogst genot,"
maar ik wil toch liever met U het geheel in al zijn bijzonderheden
beschouwen.