Vervolg.
Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven
zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong
hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit
een geweldigen vader gesproten Pallas [48], als de Aegis [49] van den
wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht
voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf,
die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen,
moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche
gezicht, waarmede hij, als 't hem lust, alle goden verschrikt in een
andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspeler
zich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten,
wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de
Stoïcijnen [50], die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar
wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge
wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn
baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken
gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn
voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen
tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom,
mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader
wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger
voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst,
de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden
of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat
zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen
kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron,
waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het
bekende heilige viertal van Pythagoras [51]. Welke man ter wereld,
vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk
op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen,
eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke
vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren
en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende
of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de
huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig
zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw,
die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen,
als haar de Vergetelheid niet met haar macht ter zijde stond? Immers
Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius [52],
het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke
macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit
mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren,
wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben
ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters
en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van
dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook,
allen ter nauwernood meer kan bevatten.