HOOFDSTUK XI.

Vervolg.

Vooreerst, wat kan er zoeter of kostbaarder zijn dan het leven

zelf? Maar wien heeft men toch, alles welbeschouwd, den oorsprong

hiervan te danken, behalve aan mij? Want evenmin de speer van de uit

een geweldigen vader gesproten Pallas [48], als de Aegis [49] van den

wolkendrijvenden Jupiter brengt of plant het menschelijk geslacht

voort, maar de vader der Goden en de koning der menschen zelf,

die door den wenk zijner oogen den geheelen Olympus doet sidderen,

moet dien drieflitsigen bliksem uit de hand leggen en dat barsche

gezicht, waarmede hij, als 't hem lust, alle goden verschrikt in een

andere plooi zetten, ja, de armzalige moet als een tooneelspeler

zich geheel anders voordoen, wanneer hij soms dat wil verrichten,

wat hij eeuwig doet, namelijk kinderen verwekken. Daar hebt ge de

Stoïcijnen [50], die zich zelf het dichtst bij de Goden achten. Maar

wijst mij nu eens een van hen, die drie- of viermaal of, zoo ge

wilt, duizendmaal Stoïcijn is: hij moet toch ook, zooal niet zijn

baard, het teeken zijner wijsheid, ofschoon hij dien met de bokken

gemeen heeft, in allen gevalle zijn laatdunkendheid afleggen, zijn

voorhoofd ontrimpelen en zijn bekende onwrikbare stellingen eenigen

tijd plaats doen maken voor allerlei zotternijen en dolheden. Kortom,

mij, mij, zeg ik, moet die wijze ontbieden, als hij tenminste vader

wil worden. En waarom zou ik niet op mijn gewonen trant rondborstiger

voor u spreken? Eilieve, brengen het hoofd, het gezicht, de borst,

de hand, het oor, de zoogenaamde fatsoenlijke lichaamsdeelen, Goden

of menschen voort? Neen, zou ik meenen: veeleer plant het deel, dat

zoo dwaas en zoo belachelijk is, dat men het zelfs niet zonder lachen

kan noemen, het menschelijk geslacht voort. Dat is die gewijde bron,

waaruit al het bestaande zijn oorsprong ontleent, veeleer dan aan het

bekende heilige viertal van Pythagoras [51]. Welke man ter wereld,

vraag ik U verder bij al wat U heilig is, zou gewillig het huwelijksjuk

op zich nemen, indien hij, zooals de wijzen onder U plegen te doen,

eerst de ongemakken van dat leven bij zich zelf had overwogen, of welke

vrouw zou zich toch wel met een man inlaten, indien zij de gevaren

en bezwaren der bevalling, indien zij den last der opvoeding of kende

of bedacht? Voorts ziet gij nu wel in, dat, als gij het leven aan de

huwelijken en het huwelijk aan Onverstand, mijn gezellin, schuldig

zijt, welke verplichtingen gij ongetwijfeld aan mij hebt. Welke vrouw,

die dit eenmaal ondervonden had, zou zich opnieuw hieraan willen wagen,

als haar de Vergetelheid niet met haar macht ter zijde stond? Immers

Venus zelf, zou, trots de luide verzekering van Lucretius [52],

het nooit kunnen loochenen, dat zonder de hulp van onze goddelijke

macht haar invloed ontoereikend en ijdel is. Zoo ontstaan uit dit

mijn kluchtig dronkenmansspel zoowel de laatdunkende wijsgeeren,

wier plaats nu de door den grooten hoop zoo genoemde monniken hebben

ingenomen, als de in het purper gedoste koningen en de vrome priesters

en de driewerf heilige pausen. Ten slotte ook die geheele schaar van

dichterlijke goden, zoo talrijk, dat de Olympus zelf, hoe ruim ook,

allen ter nauwernood meer kan bevatten.

De Lof der Zotheid · 第 18 / 79 题