Navolging der redekunstenaars.
Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze
dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer
zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een
meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige
Grieksche woordjes [32] als een soort van mozaiek in te voegen, ook
al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder
aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde
papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het
hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf
al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover
te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.
Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van
onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te
koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten
toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en
op 't voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening
te brengen, dat zij alles goed verstaan.
Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te
keeren.