HOOFDSTUK VI.

Navolging der redekunstenaars.

Want ik heb besloten ook in dit opzicht de redekunstenaars van onze

dagen na te volgen, die zich voor volslagen Goden houden, wanneer

zij, als de bloedzuigers, blijken tweetongig te zijn, en het als een

meesterstuk beschouwen in Latijnsche redevoeringen hier en daar eenige

Grieksche woordjes [32] als een soort van mozaiek in te voegen, ook

al zijn deze daar zeer slecht op hun plaats. Ontbreekt het hun verder

aan zulke uitheemsche uitdrukkingen, dan halen zij uit beschimmelde

papieren vier of vijf oude woorden voor den dag om zoo hun lezers het

hoofd te doen draaien, opdat namelijk zij, die ze begrijpen zichzelf

al meer en meer behagen, doch zij, die ze niet verstaan, zich daarover

te meer verbazen, naarmate zij er minder begrip van hebben.

Immers ook dit behoort zeker tot de niet onaardige genietingen van

onze volgelingen, voor het meest uitheemsche den meesten eerbied te

koesteren. Mogen al eenigen een weinig eerzuchtiger zijn, zij moeten

toch maar door lachen en handgeklap hun goedkeuring te kennen geven en

op 't voorbeeld der ezels de ooren bewegen, om anderen in de meening

te brengen, dat zij alles goed verstaan.

Maar genoeg hiervan. Ik haast mij nu tot mijn onderwerp terug te

keeren.

De Lof der Zotheid · 第 14 / 79 题