HOOFDSTUK VII.

Afkomst der Zotheid.

Gij kent dus mijn naam, gij--hoe zal ik U anders betitelen dan,

gij groote zotten? De Godin Zotheid kan haar ingewijden immers geen

vereerender naam geven dan dezen? Maar omdat allen niet evenzeer met

mijn afkomst bekend zijn, wil ik U al aanstonds met behulp der Muzen

op de hoogte daarvan brengen. Mijn vader was evenmin Chaos als Orcus

[33] of Saturnus [34] of Japetus [35] of eenig ander van dat slag van

versleten en versmeten Goden, maar Plutus [36], hij alleen, de vader

van menschen zoowel als van Goden [37], ook al mogen Hesiodus [38] en

Homerus en zelfs Jupiter dit ontkennen. Door zijn wenk alleen wordt,

evenals vroeger, zoo ook nu nog al het heilige en onheilige, hemel en

aarde dooreengemengd. Zijn willekeur bestiert alles, oorlog en vrede,

bevelhebberschappen en raadszittingen, rechtspraak en volksvergadering,

huwelijken, verdragen, verbonden, wetten, kunsten en wetenschappen,

ernst en scherts, kortom--de adem begeeft mij reeds--alle openbare en

bijzondere zaken der menschen. Zonder zijn hulp zou die geheele bent

van dichterlijke Godheden, of laat ik het stouter uitdrukken, zou ook

die uitverkorenen kring van Goden òf in 't geheel niet bestaan, òf in

allen gevalle altijd thuis een eenvoudig maaltje hebben en zoo een

hoogst armzalig leventje leiden. [39] Al wie hem tegen zich heeft,

zal bij Pallas zelfs geen voldoenden steun vinden, maar wien hij

genadig is, die kan zelfs den hoogsten Jupiter met zijn bliksem naar

den duivel wenschen. Op het bezit van zulk een vader beroem ik mij! En

hij heeft mij niet uit zijn hersenpan doen voortkomen, zooals Jupiter

die norsche en kribbebijtrige Pallas, maar hij verwekte mij bij een

alleraardigste en allergeestigste Nymf, Jonkheid genaamd, en hij had

zich aan haar niet verbonden door een vervelenden huwelijksband--ge

weet, dat zoo die manke smid (Vulcanus) geboren werd--maar, wat wel

zoo aangenaam is, hij was met haar in liefde vereenigd, zooals onze

Homerus zegt. Maar gij moet niet denken, dat ik het leven te danken

heb aan dien afgeleefden en blinden Plutus van Aristophanes, neen, hij

werd mijn vader, toen hij nog in de kracht van 't leven was en gloeide

niet alleen van het vuur der jeugd, maar nog veel meer van den nectar,

dien hij op een godenmaal wat al te ruim en al te sterk gedronken had.

Hoofdstuk VIII.

Haar geboorteplaats en voedsters.

Vraagt gij soms ook naar mijn geboorteplaats--men meent immers

heden ten dage, dat het voor iemands aanzien een hoogst belangrijk

verschil maakt, op welke plaats hij het eerst zijn gekrijt heeft laten

hooren--ik zag noch op het ronddrijvende eiland Delos [40], noch in

de golvende zee [41], noch in een holle grot het eerste levenslicht,

maar op de eilanden der gelukzaligen, waar zonder zaaien noch ploegen

alles wast, waar men geen moeite noch ouderdom, noch ziekte kent,

noch ergens op het veld asfodil, malve, ajuin, lupinen of boonen of

ander dergelijk gemeen gewas wordt aangetroffen, maar overal oog en

neus gestreeld worden door moly, panacee, nepenthe [42], magolijn,

ambrozijn [43], lotus, rozen, violen, hyacinthen en andere planten

van sieraad en genot.

Te midden van al deze heerlijkheden geboren, begon ik mijn leven

geenszins met gekrijt, maar had ik voor mijn moeder dadelijk een

lachje ten beste. Er bestaat ook voor mij volstrekt geen reden den

hoogen zoon van Kronos [44] zijn voedster, de geit, te benijden,

omdat mij twee alleraardigste nymfen gezoogd hebben, Methe [45], een

dochter van Bacchus, en Apaedia [46], een dochter van Pan [47], die

gij hier ook als gezellin in het gevolg mijner overige dienaressen

ziet. Haar namen zult gij, als het uw verlangen is die te leeren

kennen, van mij alleen in het Grieksch hooren.

De Lof der Zotheid · 第 15 / 79 题