HOOFDSTUK V.

De Zotheid verraadt zichzelf terstond.

Waarom behoefde ik dit zelfs nog te vermelden? Alsof 't niet,

zooals men pleegt te zeggen, met zooveel letters op mijn voorhoofd

geschreven staat, wie ik ben en alsof, zoo iemand mocht beweren, dat

ik een Minerva of een Sophia (wijsheid) ben, hij niet al aanstonds

enkel door mij aan te zien van het tegendeel zou overtuigd worden,

ook al kwam hem daarbij mijn taal, waarin zich een zuiver beeld

van mijn geest weerspiegelt, niet te hulp. Ik blanket mij nooit en

mijn voorhoofd vertoont niets anders dan hetgeen in 't diepste van

mijn hart woont: aan alle kanten gelijk ik volkomen op mij zelf,

zoodat zelfs zij mijn aanwezigheid niet kunnen ontveinzen, die voor

zich bovenal aanspraak maken op den titel van wijzen en als apen het

purper en als ezels in de leeuwenhuid rondwandelen. [31]

Hoe zorgvuldig zij zich ook vermommen, komen toch ergens de ooren voor

den dag en verraden den Midas. Waarachtig, ook dit slag van menschen

is ondankbaar, want, hoezeer zij in de eerste plaats tot ons volkje

behooren, schamen zij zich toch bij den grooten hoop zoozeer over

onzen naam, dat zij dien niet zelden anderen als een erg scheldwoord

naar 't hoofd werpen. Zijn wij daarom niet volkomen in ons recht,

als wij die luidjes, die, ofschoon zij de grootste zotten (Moren)

zijn, voor de grootste wijzen (Sophen) willen doorgaan, Morosophen

(zotwijzen) noemen?

De Lof der Zotheid · 第 13 / 79 题