HOOFDSTUK II.

Onderwerp der voordracht.

Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben,

zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te

hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor

den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor

marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende

Midas [26] ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen

voor een poosje bij u den sophist [27] te spelen, wel niet als een

van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekende

beuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid

in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den

kwalijk klinkenden [28] naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever

Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den

naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom

zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon

[29], maar op mij zelf, de Zotheid.

De Lof der Zotheid · 第 10 / 79 题