Onderwerp der voordracht.
Waarom ik nu in dezen ongewonen opschik heden voor u opgetreden ben,
zult ge spoedig hooren, als gij slechts geen bezwaar maakt ooren te
hebben voor mijn spreken, niet, zooals gij die gewoonlijk hebt voor
den prediker in de kerk, maar zoo als gij die pleegt op te steken voor
marktschreeuwers, paljassen en hansworsten, ooren, zooals onze bekende
Midas [26] ze indertijd voor Pan opzette. Want ik heb lust gekregen
voor een poosje bij u den sophist [27] te spelen, wel niet als een
van dat slag, dat heden ten dage der jeugd eenige hoofdbrekende
beuzelingen instampt en een meer dan vrouwelijke stijfkoppigheid
in het twisten leeraart, maar ik zal die ouden navolgen, die om den
kwalijk klinkenden [28] naam van Sophen (wijzen) te vermijden, liever
Sophisten (wijsmakers) wilden genoemd worden. Hun lust was het den
naam van Goden en helden door lofredenen te verheerlijken. Daarom
zult ge dan ook een lofrede hooren niet op Hercules, noch op Solon
[29], maar op mij zelf, de Zotheid.