Alleen door haar aanblik heeft de Zotheid de zorgen van haar
toehoorders verjaagd.
Hoe de menschen ook gewoonlijk over mij spreken,--en ik weet maar
al te goed, in welk een kwaden naam de Zotheid zelfs bij de zotsten
staat--beweer ik toch, dat ik en ik alleen door mijn goddelijke macht
Goden en menschen vervroolijk. Hiervan is dit zeker een meer dan
voldoend bewijs, dat, zoodra ik voor deze zoo talrijke vergadering was
opgetreden om het woord te voeren, eensklaps uw aller aangezichten
zoo blonken van een ongekende en ongewone vreugde, dat gij zoo
plotseling het voorhoofd ontrimpeldet en mij met zulk een blijden
en beminnelijken lach toejuichtet, dat gij allen, die ik hier uit
alle hoeken der wereld voor mij zie, waarlijk niemand uitgezonderd,
gelijk de Goden bij Homerus, te veel nectar met nepenthes [24]
schijnt gebruikt te hebben, terwijl ge vroeger zoo bedroefd en
bekommerd waart neergezeten, alsof ge nog pas uit Trophonius' hol
[25] waart teruggekomen. Maar 't gaat hiermede als wanneer de zon
het eerst haar schoon en gulden gelaat aan 't aardrijk vertoont of na
een strengen winter de lente opnieuw den zoelen adem der westenwinden
brengt: dan verandert aanstonds het voorkomen van alles, dan krijgt
alles een nieuwe kleur en een geheel nieuwe jeugd en zoo veranderde
ook dadelijk op mijn aanblik uw voorkomen.
Daarom heb ik dan ook, hetgeen andere groote redekunstenaars
ternauwernood door een lange en langen tijd overpeinsde rede kunnen te
weeg brengen, het verdrijven nl. van lastige muizenissen, al aanstonds
enkel door mijn gezicht weten te bewerken.