Waarom de Zotheid zichzelf prijst.
Al aanstonds dit: ik stoor mij volstrekt niet aan die wijzen, die, zoo
iemand zichzelf ophemelt, hem een grooten zotskap en een onbeschaamden
rekel noemen. Het moge, volgens hen, zoo zot mogelijk zijn--zij moeten
toegeven, dat het betamelijk is. Want wat is gepaster dan dat de
Zotheid zelf de loftrompet over zichzelf steekt? Niemand kan immers een
sprekender beeld van mij geven dan ik zelf--of ik moest soms aan een
ander beter bekend zijn dan aan mij zelf. Toch acht ik dit overigens
zelfs niet weinig zediger dan hetgeen het gros der aanzienlijken en
wijzen pleegt te doen, die uit een soort van valsche schaamte of een
vleienden redekunstenaar of een zot klappenden dichter in 't geheim
daartoe plegen aan te sporen en hem voor een zeker loon huren om uit
zijn mond hun lof of, wat op hetzelfde neerkomt, klinkklare leugens te
hooren. Die beschroomde man zet evenwel als een pauw zijn staart op en
draagt den kam hoog, wanneer die onbeschaamde vleier een nieteling, als
hij is, aan de Goden gelijk stelt; wanneer hij hem voor een volmaakt
toonbeeld van alle deugden doet doorgaan, alhoewel de geprezene weet,
dat hij er hemelsbreed van verschilt; wanneer hij een kraai bekleedt
met vreemde veeren; wanneer hij den moriaan schoon wascht, kortom
als hij van een mug een olifant maakt. Ten slotte houd ik mij aan
het oude volksgezegde, dat hij, die door geen ander geprezen wordt,
gelijk heeft, als hij zich zelf prijst. Intusschen kan ik in dezen
niet nalaten mij te verwonderen--moet ik het aan de ondankbaarheid
of aan de traagheid der menschen toeschrijven?--dat, alhoewel allen
zonder onderscheid veel werk van mij maken en gaarne mijn gaven
genieten, er in den loop van zooveel eeuwen niemand is opgestaan,
die in woorden vol dankbaarheid den lof der Zotheid verkondigde,
ofschoon het niet ontbroken heeft aan hen, die in zorgvuldig, met
opoffering van veel olie en slaap bewerkte verhandelingen mannen
als Busiris en Phalaris [30], of de derdendaagsche koorts, vliegen,
kaalhoofdigheid en zulke ellendige dingen meer verheerlijkten. Van
mij zult gij een rede hooren, die wel voor de vuist gehouden wordt en
waaraan hierom niet veel tijd is besteed, maar die in des te grooter
mate de deugd der waarheid bezit.