De Indianen hadden sinds onheugelijke tijden de gewoonte, om

houtsnijwerk te maken, niet enkel op hun huisraad, maar ook op hun

pagaaien, hunne wapens, en zelfs op de groote vischangels, waarvan

ze zich bedienen. Sinds de toevloed van toeristen zoo groot is,

leggen ze zich toe op de fabricatie van veel voorwerpen, die enkel

voor den verkoop bestemd zijn: bijv. van groote hoornen lepels,

vischhoeken, kleine reproducties van _totems_ en ook van korven en

kunstig gevlochten mandwerk. Enkelen onder hen zijn handig in het

bewerken van zilver en vervaardigen ringen en armbanden, die ze tegen

hoogen prijs aan de vreemdelingen verkoopen; ongelukkig bestaat er

eene neiging, om de oorspronkelijke teekeningen te laten varen en

naar amerikaansche modellen te werken. Op den dag van de aankomst

der stoomboot, wordt bijna elk huis in een bazaar herschapen.

We kunnen niet van Wrangell scheiden, zonder de vreemde gewoonte te

vermelden, die onder de jonge vrouwen bestaat, om zich namelijk het

gezicht zwart te verven, of dwars door de onderlip zich een houten,

beenen of metalen versiersel te steken. Quaestie van mode zal men

zeggen, maar die zeker niet dient, om de schoonheid te verhoogen.

Daar de commandant onzer boot van den vloed wenschte gebruik te maken,

om enkele moeilijke punten te passeeren, vertrokken we precies om

twee uur. Eerst gingen we westwaarts, toen plotseling noordwaarts,

om de Wrangellstraat te bereiken, een langen doorgang, nauwelijks

eenige honderden meters breed, tusschen twee evenwijdig loopende

bergketenen. De vloed is hoog; het water bespoelt de struiken aan

den oever, en weer kunnen we de illusie hebben van een rivier met

snellen stroom tusschen begroeide oevers. We hooren walvisschen

snuiven, en vluchten watervogels zweven in de lucht. _The Queen_

vertraagt hare snelheid, die gewoonlijk 26 kilometer per uur bedraagt,

en de nauwe doorgang wordt voorzichtig gepeild, zoodat we er zonder

beletsel doorgaan.

Verderop schijnt de weg afgesloten door een keten van steile

bergen, waarlangs groote gletschers afdalen tot in de donkere

wouden. Terzelfder tijd zien we in zee drijvende ijsvelden, glad

als een spiegel. Het panorama, met schitterend licht overgoten,

waardoor de verscheidenheid der tinten uitkomt, wisselend van het

zachtste blauw tot het donkerste groen, al naar afstand en ligging,

is onvergetelijk schoon.

Tegen zonsondergang wordt het schouwspel nog treffender. In 't oosten

donkere wolken, die storm schijnen te voorspellen, terwijl in 't westen

de lucht volkomen helder is, en zich daar als 't ware, een paradijs

van goud en zilver voor ons opent. Iedereen is vol bewondering; wat

mij aangaat, nooit heb ik zoo iets schoons gezien. Het is doodstil,

om half tien is het nog licht en noode verlaat ik mijn observatiepost,

om de noodzakelijke rust te nemen.

Den volgenden morgen vroeg kom ik op dek waar mij opnieuw een

wonderschoon schouwspel wacht. Tot zoo ver het oog reikt, is de zee

met drijfijs bedekt; vóór ons daalt de Takoe-gletscher, 800 meter

breed, recht in zee neer en vertoont ons zijnen 80 à 100 meter hoogen

loodrechten wand. _The Queen_ neemt hare lading ijs in; vijf mannen

in een boot stuwen de blokken voort, die op het dek worden geheschen

en dan in het ruim worden neergelaten.

Wij zijn daar twee uur lang gebleven. Drie malen maakten zich enorme

sneeuwvallen, geheele bergtoppen, van den gletscher los en storten

in zee met een vreeselijk geraas, als van een kanonschot, door een

aanhoudend geweervuur gevolgd. Ik heb stukken ijs zien vallen, die

een volume moeten hebben gehad als dat onzer stoomboot. Ik heb ze zien

neerstorten, geheel verdwijnen, dan weer opspringen, om hunne scherpe

punten te vertoonen, en terwijl ze ter hoogte van 20 of 30 meter

bruisende watermassa's opwierpen, zag ik ze splijten en wankelen,

om hun evenwicht te vinden. Een dier ijsbergen ging ons rakelings

voorbij; hij stak wel een tiental meters boven het water uit, wat een

totale hoogte van 70 of 80 meter deed veronderstellen. Maar wie zal

ooit de ongeloofelijke verscheidenheid der kleuren van het ijs kunnen

beschrijven van lichtgroen tot diepblauw, van azuur tot doorschijnend

kristal! De meest in 't oog vallende kleur is hemelsblauw, wonderbaar

teer van tint.

We verlaten de Takoe-fjord. _The Queen_ baant zich, langzaam

manoeuvreerend, een weg tusschen het drijfijs door, en gaat om de

grootste ijsbergen heen, waarvan sommige zeer vreemde vormen hebben. In

de verte gelijken ze nu eens op reusachtige paddestoelen, dan weer

op een beer, een vogel of op een stierenkop met horens. Er zijn er,

die schijnbaar zonder aanleiding plotseling in stukken splijten, en

waarvan de blokken, groot als huizen, allerlei onderdompelingen maken.

Na dien fjord volgt straat Gastineaux, een nauwe doorgang tusschen

woudrijke oevers, en drie uren nadat we den gletscher achter ons

hebben gelaten, volgt het Douglaseiland vóór de goudmijn Treadwell. We

brachten er een bezoek aan van twee uren. Het erts wordt opgehaald

door een breede opening op de helling van een heuvel, 15 minuten van

het strand verwijderd. We hadden de bestijging reeds ondernomen, toen

plotseling eene ontploffing, gevolgd door een "goudregen", ons van den

weg bracht. De smelterij, waar we eene schuilplaats zoeken is dichtbij;

het is een groot gebouw, de belangrijkste smelterij der wereld zegt

men, en uitstekend ingericht. Nacht en dag maken twee-honderd-veertig

stampers er een helsch rumoer en malen het gouderts, dat, als het

gestampt is, gewasschen wordt door een zwaren stroom, dan gezeefd

wordt en verder met zuren behandeld.

Het erts is niet bijzonder rijk, want het brengt slechts van vier

tot negen dollars per ton op, maar er is eene bijna onuitputtelijke

hoeveelheid en het wordt zoo zuinig bewerkt, dat de winst nog

aanzienlijk is. Men beweert, dat alleen op het Douglaseiland de reeds

bekende lagen vijfmaal meer goud bevatten, dan betaald is voor den

geheelen aankoop van Aljaska.

Een vaart van tien minuten brengt ons te Juneau, tegenover het

Douglaseiland op het vasteland.

Juneau dagteekent nog slechts van 1880, het tijdstip, toen Juneau

en Harrisburg, beiden goudzoekers, de rijke lagen in den buurt

ontdekten, en hun kamp op het naastbijzijnde strand vestigden. Nu is

het een gewichtig middelpunt in Aljaska. De vaste bevolking bestaat

intusschen slechts uit 2000 inwoners, maar een zeker aantal winkels,

rijk voorzien van koopwaar en curiositeiten, eenige _bars_, en twee

of drie hôtels geven aan Juneau het voorkomen van een stad.

Het is nog maar twaalf uur; en we zullen de rest van den dag en een

gedeelte van den volgenden te Juneau blijven. Ik weet, dat de omgeving

zeer schilderachtig is, en dat een weg naar de goudlagen voert, een

tiental kilometers in het binnenland; natuurlijk had ik grooten lust

dat uitstapje te maken.

Zoo gauw ik aan land was, ging ik den heer Althoff bezoeken, een

katholiek zendeling van hollandsche afkomst, die op de helling der

kust op een pas ontgonnen terrein zich een aardig huisje heeft laten

bouwen bij zijn kerkje en bij de school, die bestuurd wordt door drie

nonnen van de orde der Heilige Anna van Canada. Tot mijn genoegen

wilde de brave man, die zeer zuiver onze taal spreekt, mij wel het

overige van zijnen dag gunnen.

Daar het eenige rijtuig van de plaats door den kapitein in beslag was

genomen, moesten wij den weg te voet afleggen. Eerst is de helling

steil en de zon scheen helder, maar nauwelijks waren wij tusschen de

bergen gekomen, of we vonden koelte in de weldadige schaduw van het

woud. Zeker was het pad, dat zich tegen den berg opslingerde boven

eenen stroom, zeer geschikt voor een voetganger, maar de geringe

breedte en de afwezigheid van al, wat naar een leuning geleek, zou mij

ongerust hebben gemaakt als we per rijtuig waren gegaan. Hoe verder we

komen, des te meer afgronden zien wij. Het landschap wordt grootsch,

de plantengroei weelderig. Boven ondoordringbaar kreupelhout, meest

gevormd door struiken met allerlei bessen, verrijzen reuzenboomen,

waarvan de takken, zoowel als de stammen omkleed zijn met mos- en

varensoorten. Onder die, welke men heeft moeten kappen, om den weg te

banen, zijn er, die, nog ondersteund door de naastbij zijnde boomen,

niet op den grond hebben kunnen vallen, andere half omgehakt, hangen

boven afgronden. Het geheele land is één onmetelijk woud, grootendeels

bestaande uit coniferen; de grootste boomen staan er hier en daar

te verrotten en hebben geene andere waarde dan die welke hun de hand

des menschen geeft.

Na een uur te hebben geloopen, verlaten wij den weg op eene plaats,

waar men met groote werken is begonnen, om door middel van een

onderaardsch kanaal beneden in het dal het noodige water te krijgen

voor het wasschen van het goudzand. We stijgen nog steeds en, nu

eens langs door geiten gemaakte paden, dan weer door het steenachtig

bed van een stroompje, bereiken we een der voornaamste goudvelden

van de streek. Mijnwerkers richten op de wanden van een diep bekken

waterstralen van ongekende kracht, afkomstig van de naburige hoogten

en maken aanhoudend groote hoeveelheden zand en aarde los. Het zand

loopt over daarvoor vervaardigd vlechtwerk, en de aarde gaat, met

water vermengd, door houten goten, waarin men op kleine afstanden met

kwik gevulde holten heeft gemaakt, opdat ten gevolge van hun eigen

gewicht de gouddeeltjes zich er mee zouden vermengen.

Pater Althoff is de eenige katholieke priester, die op Aljaska woont,

waar hij sedert twaalf jaren gevestigd is, zonder Europa te hebben

weergezien. Men kan met genoegen naar hem luisteren. Hij vertelt

mij eene amusante en bepaald kenschetsende geschiedenis over eenige

Chineezen.

Er waren toen in de mijnen van Treadwell blanke arbeiders aan het

werk, maar tevens een vijftigtal Chineezen en eenige Indianen; die

laatsten werden door de blanken geduld, maar de bewoners van het

Hemelsche Rijk vonden geen genade.

De directeur van het werk daarentegen, die door de Chineezen goed

en goedkoop gediend werd, weigerde hen te ontslaan. Op een goeden

dag scheepten de blanken, die besloten hadden zich, hoe dan ook,

van hen te ontdoen, ze met geweld op een boot in. Naar Wrangell

vervoerd, werden ze echter door den kapitein van _The Queen_ naar

Juneau teruggebracht, waar de vereenigde werklieden zich tegen hunne

ontscheping verzetten. Men besloot toen, ze naar Victoria terug te

zenden, van waar ze eenige maanden te voren waren vertrokken, maar daar

ze van een grondgebied kwamen, dat deel uitmaakte van de amerikaansche

republiek, werden weer 50 dollars per hoofd van hen geëischt. In

den naburigen staat Washington werden ze ook als nieuw-aangekomenen

beschouwd. Niemand wilde hen ontvangen. Zoo heen en weer gestuurd

tusschen de Vereenigde Staten en Columbia, bedreigd met terugzending

naar China, moesten de arme kerels, die hun laatste spaarduitjes hadden

verteerd, wachten tot de som, noodig om ten tweedenmale hun den toegang

te openen, bijeengebracht was door hunne landgenooten uit Victoria.

Op den terugweg bezoeken we andere goudlagen en meer of minder

belangrijke graafwerken. Overal wordt ijverig gewerkt; men is

overtuigd, dat in de naaste toekomst de goudvelden van Juneau en 't

eiland Douglas tot de productiefste der wereld zullen behooren. Al

is Aljaska nog niet aan het amerikaansche telegraafnet verbonden,

toch werkt de telefoon reeds tusschen de stad en de mijnwerken in de

bergen, ja tot in de tijdelijke hut van den goudzoeker.

Een impressario uit Juneau heeft des avonds onder een groote tent een

soort van tooneelvoorstelling georganiseerd, en tegen een dollar de

persoon hebben de passagiers van _The Queen_ een troep Indianen van

beiderlei sekse kunnen toejuichen, gekleed in het oude nationale

kostuum van hunnen stam, die, zingende, zich met hunne primitieve

instrumenten accompagneerend, woeste, vreemde dansen voor ons

uitvoerden.

Den volgenden dag, den vijfden der reis, verlieten we Juneau om tien

uur des morgens. Daar het kanaal Gastineaux verder onbevaarbaar bleek,

moesten wij terugkeeren en om de zuidpunt van Douglaseiland heen

gaan. Tegen twaalf uur kwamen we in het Lynnkanaal, dat wel honderd

kilometer lang is, en zich dan in twee takken splitst, de fjorden

Chilkat en Chilkoot.

Het landschap overtreft in grootschheid al, wat we tot nu toe hebben

gezien. De bergen zijn hooger en steiler. Overal stort het water in

vallen neer, stuift in de kloven en verspreidt zich in duizend zilveren

stralen over de rotsen; overal schitteren heerlijke gletschers in de

zon en dalen af tot in de bosschen, bijna tot het niveau der zee. Ik

wil slechts een enkelen noemen, den Davidson-gletscher, die, na eerst

tusschen twee hooge rotswanden te zijn ingesloten, zich als een waaier

uitspreidt tot op het strand ter breedte van 6 kilometer. Zonderlinge

tegenstelling! Een dichte plantengroei heeft zijne eindmoraine bereikt

als de groene zoom aan een hermelijnen mantel.

Bij Pyramide-haven, het uiterste punt, dat we, noordwaarts gaande,

zullen bereiken even beneden 59° N B, zijn indiaansche dorpen, waar

men gidsen kan huren, om het dal van den bovenloop der Yukon te gaan

zien. De betrekkelijk gemakkelijke weg wordt door de meeste goudzoekers

gevolgd, als ze zich naar het binnenland willen begeven. Drie dagen

zijn voldoende, om den bergpas ter hoogte van 1250 meter over te

trekken, en na tien dagen roeiens over de meren en rivieren kan men

de grootste rivier van Aljaska bereiken.

Nu zet _The Queen_ weer zuidwaarts koers. We gaan het Lynnkanaal weer

binnen en bewonderen weer de negentien groote gletschers, die er in

neerdalen. Ieder vouwt je in het terrein is hier in de maand Augustus

nog met sneeuw bedekt, elk dal draagt zijne gletschers. De laatste,

dien wij links laten liggen bij den uitgang van de straat, is de

Arendgletscher, welks enorme massa plotseling bij een steile diepte

van 1000 meter ophoudt, zoodat hij in het ledige zijne ijskanteelen

en zijne azuren en zilveren kristallen neerwerpt.

Op het Lynnkanaal volgt de Kruisstraat tusschen het vasteland en

het groote eiland Tchitchagoff. Het is prachtig weer. Om negen uur

's avonds wees de thermometer 17 graden, en ik kan nog zien te lezen

op het dek. Bij zonsopgang waren we op nieuw te midden van drijfijs,

't was in de Gletscherbaai, eene kabellengte van den Muirgletscher

verwijderd, welks front, rechtstreeks zich dompelend in een zee van

150 meter diepte, eene breedte heeft van twee kilometers. Even als

bij den Takoe-gletscher wonen we den val van verscheiden lawinen bij

en gevoelen de schokken, die te heviger zijn, nu we den gletscher,

tot zoo dicht als de voorzichtigheid maar even toeliet, zijn genaderd.

Na allerlei evoluties, bestemd om ons den Muir van alle kanten te doen

bewonderen, en na het afvuren van kanonschoten, die met donderend

geraas worden weerkaatst door den 80 à 100 meter hooger ijsmuur,

legt _The Queen_ een weinig ter zijde aan. De kapitein waarschuwt ons,

dat het anker om één uur zal worden gelicht en stelt de booten van het

schip te onzer beschikking. Ieder haast zich, om aan land te gaan, en

daar intusschen de _Elder_, ook een boot met toeristen, is aangekomen,

bewegen zich op het afgelegen strand weldra 350 dames en heeren, allen

op weg naar den gletscher. In talrijk gezelschap bestijg ik dus de

moraine en kom op den gletscher zelven, die ter hoogte van ongeveer

300 meter zich als een reusachtig plateau vertoont, 40 kilometer

breed en door een kring van bergen omgeven; doch wel te verstaan,

een plateau, grootendeels gevormd door een chaos van ijsblokken en

doorgroefd met gapende spleten van onpeilbare diepte. Twee-en-twintig

secondaire gletschers van de omringende hoogten sluiten zich bij hem

aan. In Zwitserland komt niets voor, dat een denkbeeld zou kunnen

geven van deze ijswoestijnen.

Na eene wandeling van vier uren op den gletscher en op het strand, waar

ook enorme ijsblokken liggen, en nadat we beneden aan den gletscher

de blauwe grotten in het ijs hadden bewonderd, die het onvoorzichtig

zou zijn, binnen te gaan, keeren we naar boord terug en bewijzen aan

de amerikaansche keuken eene eer, die ze eigenlijk niet verdient.

De amerikaansche professor Frederick Wright, die in 1880 de gletschers

van Aljaska en vooral den Muir heeft bestudeerd, berekent, dat deze

laatste in 24 uren gedurende den zomer aan de randen drie meter en in

het midden 21 meter voortschuift, 't geen voor de totale massa eene

gemiddelde dagelijksche snelheid van 12 meter zou bedragen. Daar hij

nu, als men het ondergedompelde gedeelte meerekent, een dikte heeft van

250 meter over de boven aangegeven lengte, zou hij juist 6 millioen

kubieke meters ijs per dag leveren. Dit enorme cijfer verklaart

dan ook het veelvuldig voorkomen en de verbazende uitgebreidheid

der lawinen van den Muir. Bij Takoe had ik er reeds zeer treffende

bijgewoond, maar die kwamen met lange tusschenpoozen, terwijl hier

de gletscher voortdurend in een toestand van instorting scheen te

zijn. Er verliepen geen twee minuten, of men zag weer een ijstop

waggelen en daarna in zee neerstorten met een donderend geweld,

waarbij golven werden opgeworpen, die zeer ver merkbaar waren.

Zonder bij de grenzenlooze ijsvelden van Groenland te kunnen

worden vergeleken, is de Muir een der uitgestrektste gletschers,

die er bestaan. Het blijkt echter, dat hij vroeger grooter geweest

is dan tegenwoordig. Daarvoor zijn tastbare bewijzen aanwezig. Men

weet, dat op de zuidkust van Aljaska ceders, pijnboomen en dennen

groeien tot aan de grens der eeuwige sneeuw. Nu vormen de eilanden

en kusten van het noordelijke deel der Gletscherbaai daarop eene

treffende uitzondering. Tot op eenen afstand van twee kilometer van

den gletscher is er geen spoor van plantengroei; overal dragen de

rotsen sporen van ijskrassen van nog jongen datum. Dan eerst komen

langzamerhand enkele planten, en de eerste boomen verschijnen vier

of vijf kilometer verder en worden dan al talrijker, hoe verder men

zich van den gletscher verwijdert.

Op den terugweg moet ons schip, dat zijne vaart aanmerkelijk

heeft vertraagd, zijnen weg zoeken tusschen de groote ijsbergen en

ijsschollen door, die nu eens verpreid zich vertoonen, dan weer in

dicht aaneengesloten menigten den fjord bedekken, zoover men kan zien.

Naar het Westen, boven den Pacific-gletscher, die als een waaier zich

achter in een golf uitbreidt, verheffen zich de laatste toppen der

Eliasketen. Het zijn de bergen Lapérouse, Fairweather en Crillon, met

toppen van 4 à 5000 meter onder eeuwige sneeuw bedolven. Wonderlijk

schouwspel! De zon is warm; het licht schitterend en een werkelijk

italiaansche hemel beschijnt dit ijslandschap!

De _Elder_ volgt ons op eene mijl afstands. Soms verdwijnt hij achter

een ijsberg, welks afmetingen we dan beter kunnen waardeeren. Alleen de

zwarte rookzuil uit de machine wijst aan, waar het schip is. Kleiner

dan _The Queen_ baant de _Elder _ zich moeilijker eenen weg door het

ijs. Weldra verliezen we het vaartuig uit het oog.

Toen Vancouver deze streken bezocht, vond hij den ingang der baai

zoozeer met ijs bezet, dat hij er zich niet in durfde wagen, en eerst

in 1880 kwam de Gletscherbaai voor het eerst op eene kaart voor op

de juiste grootte. Nu gaan er elken zomer tallooze amerikaansche

toeristen heen, zooals wij, Europeanen, Zwitserland en Noorwegen

bezoeken om er natuurschoon te genieten.

Om onze volgende aanlegplaats, Sitka, te bereiken, staan ons twee wegen

open, óf rechtstreeks langs den "ijsweg" en de open zee, óf langs den

46 kilometer langeren, maar schilderachtiger en veiliger weg vooral bij

slecht weer, door de straten, die het Admiraals-eiland van Tchitchagoff

en dit laatste van Baranoff scheiden. We zullen den eersten kiezen,

want het is prachtig weer en heden nacht zullen wij den toorn van den

Grooten Oceaan niet hebben te duchten. Toch spijt het mij, dat ik nu

_Peril Strait_ niet zal zien, de nauwe bochtige straat tuschen twee

steile kusten, een der meest bewonderde doorgangen in het onontwarbaar

net van waterwegen, waarmee de natuur die streken heeft bedeeld.

We zijn de Spencerkaap voorbij; geen windje op den Stillen Oceaan;

de laatste ijsschotsen zijn verdwenen. Een oogenblik heb ik bij 't

vallen van den nacht in de verte naar het Noordwesten den top van

den Eliasberg meenen te zien, maar het was gezichtsbedrog. Ondanks

zijne hoogte van 5822 meter, waardoor hij de hoogste berg van

Noord-Amerika is, zijn we er nu te ver van verwijderd, om hem te

zien. Het schiereiland, dat in den avondnevel verdwijnt, wordt gevormd

door de hooge bergen, die wij reeds van de Gletscherbaai uit hebben

waargenomen en stellig heb ik den Crillon, die met zijn 4835 meter

den Mont Blanc in hoogte overtreft, boven de wolken zien uitsteken.

Sitka, waar wij op den morgen van den 8_sten_ Augustus, den zevenden

dag onzer reis, aankomen, en waar we den ganschen dag zullen blijven,

is de hoofdstad van Aljaska; een hoofdstadje, want het heeft slechts

1200 inwoners, waarvan nog de helft Indianen en russische kleurlingen

zijn. Het stadje is mooi gelegen op de westkust van het groote

eiland Baranoff, aan eene ruime, veilige haven, afgesloten door het

eilandje Kruzoff, dat de golf beschermt tegen de hooge zeeën. Een

massa rotsachtige, woudrijke eilandjes zijn op eene altijd kalme zee

verspreid; hooge bergen staan er omheen en een uitgedoofde vulkaan,

de Edgecumbe, vertoont zich aan den horizon en gelijkt met zijne

besneeuwde zijden op den beroemden Fusiyama uit Japan. Tegen het midden

der vorige eeuw lokte de verovering van Siberië en de ontdekking van

Kamschatka de Kussen naar de kusten der Stille Zuidzee. Toen kwamen

de Spanjaarden en daarna de groote wetenschappelijke ontdekkers,

Cook, Lapérouse en eindelijk Vancouver, die tusschen 1792 en 1794 de

gansche kust hydrographisch opnam. Intusschen waren de Russen steeds

verder zuidwaarts voortgedrongen. In 1804 werd Sitka onder den naam

Nieuw-Archangel gesticht door baron Baranoff, den eersten gouverneur

van Russisch Amerika, die tot zijnen dood, in 1818, de opkomende

kolonie met ijzeren hand bestuurde. De Sitka-Indianen behooren tot

eenen stam, die door zijne woelingen dikwijls bloedige conflicten heeft

uitgelokt, zelfs nog in den laatsten tijd, en als men bedenkt, dat

de eerste russische kolonisten voor 't grootste gedeelte kleurlingen

waren, en een samenraapsel van uit Siberië ontvluchte avonturiers, zal

men toestemmen, dat een streng meester voor die streken geschikt was.

Men merkt te Sitka nog tal van overblijfselen van de russische

heerschappij. Vooreerst aan den ingang der stad het oude kasteel

Baranoff, een stevig houten gebouw op een heuvel met uitzicht op de

zee gebouwd. De bescheiden woning van den tegenwoordigen gouverneur

van Aljaska is ook oorspronkelijk een russisch huis. De kazernen en

het gerechtshof zijn groote gebouwen uit denzelfden tijd. Het eenige

belangrijke bouwwerk is een orthodoxe kerk, van hout evenals het

kasteel, maar prachtig ingericht van binnen. Men kan er schilderwerk

op ivoor bewonderen, ingelegd met kostbare steenen. De zes kerkklokken

zijn te Moscou gegoten.

Op eene naburige hoogte staat nog een aardig blokhuis, dat een der

hoeken van de russische vesting moest verdedigen. Daar dichtbij ziet

men de overblijfselen der barricade, waarachter de inboorlingen zich

bij het vallen van den avond terugtrokken.

Te Sitka bloeit de curiositeitenhandel nog meer dan te Wrangell

en te Juneau. Dadelijk bij de landingsplaats bieden vrouwen, op de

trottoirs langs de huizen gezeten, de ons reeds bekende voorwerpen

te koop aan. Iets verder lokken de winkels der Amerikanen de menigte

toeristen aan; ik zeg de menigte, want door de bijna gelijktijdige

aankomst van _The Queen_ en de _Elder_ is de blanke bevolking van

Sitka plotseling verdubbeld. De photographiewinkels worden, als

't ware, bestormd, ik heb geen lust er binnen te dringen.

Naar den kant der kerk is de toeloop minder groot. Weldra wordt mij

dat opgehelderd. Een aanplakbillet waarschuwt de heeren reizigers der

paketbooten, dat op den dag hunner aankomst de deur streng gesloten

zal blijven, maar dat ze welwillend zal worden geopend tegen het

geringe bedrag van een halven dollar per persoon.

Aljaska en de Canada-spoorweg De Aarde en haar Volken, 1892 · 第 3 / 4 段