te zeggen, de eenige straat der stad is, de zee, maakt eene bocht
naar rechts langs een ouden molen, waarvan de primitieve bouwwijze
den oorsprong aanduidt, om, langs de golf voortgaande, bij den
presbyteriaanschen zendingspost uit te komen. Dit zendingshuis, dat
ik, evenals het hospitaal ernaast, heb bezocht, is in 1877 gesticht
en het voornaamste van dien aard op Aljaska. Bij gelegenheid onzer
aankomst voerde een inlandsch fanfarecorps een paar stukken muziek
vrij goed uit. De school is ruim en goed onderhouden; die jeugdige
Indiaantjes en hunne zusjes zijn waarlijk niet te beklagen!
Een klein museum in indiaanschen stijl is onlangs in de buurt
opgericht; het is reeds zeer belangrijk. Een jong Amerikaansch meisje,
Ida Rodgers, heeft het mij allervriendelijkst laten zien.
Voorbij de stad begint het woud. Een prachtige, door de Russen
aangelegde laan, dicht bij het strand, leidt in een kwartier naar
de Indianenrivier, waarover een brug is gebouwd met rustieke banken
er bij. Aangelegde voetpaden maken het mogelijk, een bepaald eind de
rivier te volgen en het prachtige bosch, een der schoonste, die ik ooit
zelfs in aequatoriale streken heb gezien, te betreden. Ik ben bang,
om in herhaling te vallen, maar ik moet toch wel een woordje zeggen
van die dennen van twee meter middellijn, van die prachtige ceders,
reusachtige, rechtopgaande zuilen, in welker schaduw een tweede bosch
van minder hooge boomen groeit en een geheele wereld van struiken en
elegante varens. Op den grond rusten de voorvaderen van de reuzen
van heden, enorme, in ontbinding verkeerende stammen, welker stof
een nieuw geslacht voedt, dat begeerig de lucht en het licht zoekt.
Het vochtige, gematigde klimaat van het eiland Baranoff geeft aan
den plantengroei die buitengewone weelderigheid. Veertien jaren van
meteorologische waarnemingen bepalen de gemiddelde jaartemperatuur van
Sikka op 5,6° met eene hoeveelheid regen van 2,116 millimeter. Vergeten
we daarbij niet, dat Sitka op 57° N. B. breedte ligt, terwijl aan
de atlantische zijde Quebec, dat zich 10 graden zuidelijker bevindt,
het slechts tot eene gemiddelde temperatuur van 4° brengt.
Bij mijne terugkomst in de stad ging ik luitenant Emmons van de
amerikaansche marine opzoeken, voor wien mijn collega van het
Aardrijkskundig Genootschap, de heer George de la Sablière, die
verleden jaar te Sitka was geweest, mij eenen introductiebrief had
meegegeven. Daar de heer Emmons er reeds verscheiden jaren woont,
heeft hij eene aanzienlijke collectie indiaansche oudheden kunnen
verzamelen. Hij heeft een groot deel zijner schatten reeds naar
het ethnographisch museum te New-York gezonden, waar ik ze na mijn
terugkeer heb gezien, maar toch heeft hij nog tal van zeer interessante
voorwerpen.
Een serie maskers van gekleurd hout, waarvan de Indianen zich nog
heden bij hunne feesten bedienen en in hunne oorlogen, of die de
indiaansche toovenaars dragen, als ze bij een zieke in consult
worden geroepen, trok vooral mijne aandacht. Hoewel veel grover van
bewerking, hebben ze eene treffende overeenkomst met de maskers,
die in Japan worden gedragen. Mocht ik nog eenigen twijfel hebben
gekoesterd omtrent de aziatische afstamming der Indianen van Aljaska,
dan zou die verdwenen zijn door het onderzoek van eene wapenrusting
uit kleine plankjes, onderling aaneengehecht met peezen van dieren,
die eene karakteristieke overeenkomst vertoont met de nu in alle
japansche bazars aanwezige _samouraï_. De heer Emmons bezit ook eene
massa voorwerpen van been en uitgesneden ivoor, kunstig bewerkt door
de Yukon-Indianen of door Eskimo's van de IJszee-kusten. De door die
laatsten gemaakte voorwerpen zijn het origineelst; ik heb er gezien,
die wegens de fijnheid van uitvoering met de japansche _netzkés_
gerust de vergelijking kunnen doorstaan.
Van wat de heer Emmons mij omtrent de Yukon-Indianen vertelde,
wil ik hier nog een en ander meedeelen, vooral omdat de berichten
omtrent de leefwijze der Indianen in het Noordwesten van Amerika
slechts schaarsch zijn. De huizen dezer Indianen waren, zooals hij
zeide, volgens een geheel ander plan gebouwd dan die der Eskimo's
in hunne buurt, al zijn ze ook meestal onder den grond gelegen. Om
er in te komen, begeeft men zich eerst in een houten hut en daalt
vervolgens loodrecht naar beneden, waarna men in een lage tunnel
komt, die voortloopt tot de woonkamer. Daarboven verheft zich een
koepeldak, hetwelk in het midden eene opening heeft, waardoor de rook
ontsnapt. Wanneer des nachts het vuur in den haard bijna is uitgebrand,
worden de half verkoolde spaanders weggeworpen door het rookgat,
dat dan met huiden wordt toegestopt. Ook de toegang tot de woning
wordt met dierenvellen gesloten. De stank van rottende visch, en de
lucht, die de vuile menschen, want deze luidjes wasschen zich niet,
van zich afgeven, doen de europeesche reukorganen zeer pijnlijk aan.
Volgens den heer Emmons was het opmerkelijk, hoezeer de kleeding dezer
Yukon-Indianen verschilde van die der Eskimo's. Hun opperkleed gelijkt
op een dubbelen rok met panden van voren en van achteren. Zij dragen,
om hunne oogen tegen het sneeuwen zonlicht te beschermen, brillen,
die evenwel niet uit glas, maar uit twee ovale stukjes hout bestaan,
overdwars voorzien van eene smalle spleet, die door middel van koorden
aan het hoofd bevestigd zijn. Uit berkenstammen vervaardigen zij de
van voren breede en oploopende sneeuwschoenen, ongeveer 1.30 M. lang,
waarin de voet door middel van lederen riemen bevestigd wordt.
In het verschalken van rendieren zijn deze Indianen bijzonder
bedreven, en door middel van in het ijs gehakte gaten maken zij zich
meester van groote hoeveelheden visch. Zoodra het begint te vriezen,
bevestigen zij namelijk palen tot op zekeren afstand der kust in het
water, en als zich om die palen ijs vormt, slaan zij dit stuk. Aan
iederen paal maken zij vervolgens eenen korf vast van wilgenhout en
als deze, gewoonlijk eenmaal daags, uit het water worden gehaald,
is hij gewoonlijk vol visch.
Aan het rooken zijn zoowel de mannen als de vrouwen van dezen stam
verslaafd.
Naar aanleiding van de maskers, die de toovenaars dragen, als ze
bij zieken worden geroepen, verhaalde de heer Emmons mij nog een en
ander van het geloof der stammen in zijne buurt en van de geesten,
die den toovenaars ten dienstestaan. De menschelijke geest stijgt na
den dood omhoog naar het luchtruim. Het lichaam blijft op aarde terug,
maar de schaduw verdwijnt onder de aarde en zet het leven voort in de
onderwereld. Daar de muziek in het leven dezer Indianen eene groote rol
speelt, heeft ieder toovenaar of medicijnman zijn lijfdeuntje, dat door
geen zijner beroepsgenooten wordt gezongen. Wordt de tooverdokter bij
zieken of bij sterfgevallen geroepen, dan trekt hij zijn sierlijkste
gewaad aan en tooit zich met de vellen van den hermelijn. Hij bedekt
zijn beschilderd gelaat met een masker en loopt voor het vuur heen
en weder. Daarbij zingt hij zijn lijfdeuntje en andere bekende
liederen, die door de aanwezigen in koor zachtjes worden nagezongen,
om de geesten op te roepen, die den medicijnman ten dienste moeten
staan. Daarna begint de toovenaar allerlei vreemdsoortige gebaren te
maken; en schijnt ten slotte den strijd aan te binden met den boozen
geest, die in het lichaam van den zieke huist. Als het hem na lang
pogen gelukt, dien meester te worden, werpt hij hem met alle teekenen
van afschuw in het vuur. Meestal staat het schuim hem daarbij op den
mond van inspanning. Als de lijder van den demon bevrijd is, wordt het
koorgezang levendiger en vroolijker, en de medicijnman wordt onthaald
en keert huiswaarts. Heeft de kuur niet de gewenschte uitwerking,
en sterft de zieke, dan moet zijne hulp opnieuw worden ingeroepen,
want niemand dan hij kent den weg, dien de doode moet afleggen. De
schaduwen namelijk van de slechte menschen volgen eenen anderen weg dan
die der goeden en de toovenaar moet zorg dragen, dat de verdienstelijke
doode niet op het verkeerde pad terechtkomt. Ongastvrije menschen,
dieven en gierigaards deelen in het rijk der schaduwen hunne plaats
met de honden.
De luitenant sprak ook over de Thlinkets of Thlinkiten, die de
kuststreek tusschen den Eliasberg en de Columbia-keten bewonen. De
Russen noemen hen Koljuschen, welke naam betrekking heeft op de
bij hen heerschende gewoonte, om de lippen te doorboren. "Kolack"
is namelijk het russische woord voor pin, "koljutschka", stekel of
doorn en "kolokj" splijten en uit deze woorden is de naam Koljuschen
ontstaan. A propos van de _totems,_ die ik vertelde, in Wrangell te
hebben gezien, verhaalde hij, dat ook waar men die _totems_ niet
aantreft, toch ieder geslacht een wapenschild heeft, dat het dier
voorstelt, waarnaar het geslacht is genoemd, bijv. den wolf, den
beer, den raaf of den adelaar, en behalve op de wapenschilden komen
afbeeldingen dier dieren tevens voor op gereedschappen en vaartuigen.
In gezelschap van den sympathieken luitenant heb ik een prettig
uurtje doorgebracht; toen veroverde ik niet zonder moeite nog eenige
photographieën van een koopman, die altijd door de menigte toeristen
werd belegerd, maar die, toen hij mij in gezelschap van den heer
Emmons zag, mij te woord stond.
Het indiaansche dorp bij Sitka breidt zich langs de golf, links van
de hoofdstraat uit. Het is gebouwd tegen eenen heuvel, waarop het oude
russische kerkhof ligt. De bewoners van Sitka hebben vele gewoonten en
tradities bewaard, die ook voorkomen bij de andere stammen op Aljaska;
men vindt echter bij hen geen spoor van _totems_.
We troffen het, dat we een indiaansch feest konden bijwonen, dat
slechts eens in het jaar plaats heeft, bij den bessenoogst. Vier
met vlaggen versierde booten met een honderdtal Indianen, mannen,
vrouwen en kinderen, de meeste in nationale kleeding en met maskers
en zwartgemaakte gezichten, varen langzaam in zee op en houden
eenige meters van den oever stil. Daar begint ieder te zingen, te
gesticuleeren en te dansen op allerdolste manier, terwijl andere
Indianen op het strand in de brandende zon vroolijke groepen vormen,
vol locale kleur.
Photographen van beide seksen zijn talrijk, zeer talrijk onder de
toeristen. Ik overdrijf niet, als ik zeg dat de helft der dames aan
land gaan met hun _instantané-toestel_ bij zich. Zelfs de zeer oude
en de zeer jonge dames zijn handig in die den toerist zoo dierbare
kunst. En nu vraag ik u, of de objectieven wat te doen hadden daar
op die kust van Sitka! 't Was of er een geschutvuur van schuifjes en
dopjes plaats had.
Er zijn maar weinig Russen te Sitka gebleven. Een van hen, bij wie
ik een deel van den avond doorbracht, vertelt mij een en ander van
de visscherijen in den Sitka-archipel. Te Killisnoo, op het eilandje
Kenasnoff in de buurt van het Admiraals-eiland, heeft men de grootste
inrichting voor 't conserveeren van visch van de geheele wereld. De
jaarlijksche productie is meer dan 2000 ton, zonder nog de guano mee
te rekenen. Van het eind van Augustus tot in de maand Januari, is het
water der Chathamstraat zwart van visschen. Eerst was de inrichting
te Killisnoo gebouwd voor de walvischvangst, maar men heeft er afstand
van moeten doen om de vijandige gezindheid der Indianen uit de buurt,
eene gezindheid, die voortkwam uit het godsdienstig vooroordeel, dat
hun verbood het groote dier, het vereerde zinnebeeld hunner _totem_,
te dooden.
De gouverneur van Aljaska constateert in zijn laatste rapport, dat
het aantal _canneries_, dat zijn inrichtingen waar men de zalm in
de bussen doet, in een enkel jaar van 17 tot 36 is gestegen. In 1889
zijn er 4600000 kisten, ieder van 4 dozijn bussen van gemiddeld één
pond, uitgevoerd.
Van Sitka bewerkstelligden wij den terugkeer in twee en een halven
dag. Nadat we de zuidpunt van het eiland Baranoff voorbij waren,
kwamen we in de Duc-de-Clarence-straat en daarna volgden we een beetje
ten zuiden van Wrangell weer den reeds afgelegden weg. We gingen toen
bij dag den weg langs, dien we eerst bij nacht aflegden, zoodat geen
enkel punt ons is ontgaan.
Den 11_den_ Augustus, 's morgens, kwamen we te Nanaimo, ouden post der
Hudsonsbaai-compagnie, nu eene kleine bloeiende stad, 118 kilometer ten
noorden van Victoria, op de oostkust van Vancouver. Er worden rijke
kolenmijnen ontgonnen, en onze boot moest er eenige uren blijven,
om steenkool in te nemen. Een trein was op het punt om te vertrekken;
ik heb er gebruik van gemaakt, en vier uren later bracht de spoorweg
mij naar Victoria terug.
Zoo had ik in negen en een halven dag de geheele reis gedaan
langs die kusten van Aljaska, waar stoombooten kunnen komen. Van
het korte uitstapje behield ik onuitwischbare indrukken. Ik wil
volstrekt niet de grootschheid van Noorwegen verkleinen, maar men
kan eigenlijk die beide landen van zoo verschillenden aard niet met
elkaar vergelijken. Nauwelijks eene maand was er verloopen sedert mijn
vertrek uit Parijs, dat ik 11 Juli 's avonds had verlaten. Men ziet,
de reis naar Aljaska is noch lang, noch moeilijk.
Aanteekening
[1] Die, reizen worden nl sneller en sneller. In de _Temps_ van 5 Mei
1891 kon men lezen: "Een exprestrein van de _Canadian Pacific_, heeft
van Vancouver naar Montreal de reizigers van de stoomboot _Express of
India_ meegenomen, die eene reis rondom de wereld doen. Zij hebhen
eenen afstand van 2900 mijlen in drie dagen en 17 uren afgelegd met
eene snelheid, die soms tot 60, 70 à 75 mijlen per uur steeg. Tot
nu toe heeft men er altijd 6 1/2 à 7 dagen voor gebruikt. De reis
van Yokohama naar Montreal heeft juist twee weken geduurd. Drie der
reizigers gaan te New-York op de stoomboot van de Cunard-line; ze
zullen den 10_den_ Mei in Londen aankomen en hebben dan in drie weken
de reis van Yokohama naar Londen volbracht. Het plan der _Canadian
Pacific Company_ is, de engelsche mail voor Japan en China in 't
vervolg op dezelfde snelle manier te vervoeren.
End of Project Gutenberg's Aljaska en de Canada-spoorweg, by Anonymous