tunnels door, en komt ten slotte op een hoogvlakte op aanmerkelijke
hoogte boven den stroom, die tusschen twee rotsachtige ketenen is
ingesloten, met steile, soms loodrechte hellingen. Dat is de beroemde
cannon van de Frasersrivier, die 37 kilometer lang is. Ik beken,
blij te zijn geweest, toen we dat eind achter den rug hadden;
want dikwijls lagen de rails zoo dicht aan den afgrond, dat ik
niet zonder onrust was. En toch is aan de overzijde, op den anderen
oever, de oude weg der goudzoekers nog wel anders gevaarlijk. Die
kolonistenweg, door de regeering van Columbia aangelegd, geleek ons
een grijsachtig lint, dat de puntige rotsen als een kroonlijst omgaf,
en soms loodrecht naar de rivier afhing met geen andere steunsels
dan een eiken leuning. Het scheen mij onmogelijk, dat ooit iemand de
stoutmoedigheid kon hebben, zich daar met een rijtuig te wagen. Doch
't is waar, we zijn in Amerika.
De Frasersrivier gaat door voor den vischrijksten stroom der aarde. In
den tijd van het kuitschieten komen de zalmen in dichte menigten
stroomopwaarts, en hierover heeft men mij op de plaats zelve wonderen
verteld. Toch waren we niet aan de oevers der Garonne, en mijn zegsman
was een brave Franschman, die er reeds jaren woonde. Zooveel is zeker,
dat men er aanzienlijke hoeveelheden zalmen vangt, die, ingemaakt in
bussen, de geheele wereld door, de comestibles-winkels overstroomen.
Nu is het echte seizoen al voorbij, maar er zijn nog
achterblijvers. Indianen op de punten der rotsen gezeten, snappen de
zalmen in 't voorbijzwemmen door middel van een korten draad aan een
langen hengelstok, of wel ze doorboren de visch met pijlen en leggen
ze in de zon op den oever te drogen.
Te Yale is een gansche kolonie Chineezen bezig goud te zoeken uit
het stroombed, door 't goudzand aan den oever uit te wasschen.
Dan volgen Ruby Creek, zoo genoemd naar de robijnen, die in de
buurt worden gevonden; Agassiz, op vijf mijlen afstands van het
Harrison-meer, aan welks rand zwavelbronnen worden aangetroffen,
beroemd om hunne geneeskracht; Nicomen, waar men ter linkerzijde
den met ijs bedekten top van den Bakerberg ziet aan de overzijde der
grens van Amerika, die nu zeer nabij is; Mission, waar eene school
is voor katholieke Indianen; New Westminster, waar eene zijlijn van
13 kilometers heen leidt, eene reeds belangrijke stad, in directe
handelsverbinding met China en Australië; Port Moody, het oude
aanvangspunt van den spoorweg en eindelijk het laatste en 304_de_
station na Montreal, Vancouver, waar we precies om 2 uur 25 minuten
des avonds, op den vastgestelden tijd, het station binnenstoomen.
Tot Mei 1886 was de plaats, waar de stad zich verheft, die het
eindpunt is van den langsten spoorweg ter wereld, nog bedekt met
maagdelijke bosschen. Zooals altijd bestond de stad in den aanvang uit
kleine houten huizen, snel opgetrokken te midden der pas ontgonnen
woudstreek. Maar spoedig werd door een brand schoon lei gemaakt, en
Vancouver werd van solieder materiaal op nieuw opgebouwd. Toen ik het
bezocht, werden de breede straten doorsneden door electrische trammen;
er waren groote kerken, monumentale schoolgebouwen, eerste hôtels,
reusachtige magazijnen en mooie particuliere huizen. Het aantal der
bevolking, toen op 15000 personen geschat, moet nu wel reeds 20000
bedragen.
In minder dan een kwartier heeft de geheele inscheping op een aan
de kade liggende stoomboot plaats gehad. Ondanks den goeden indruk,
dien deze spoorreis van bijna eene week, zonder merkbare vermoeienis
volbracht, bij mij achterlaat, ben ik toch blij, weer op het water
te mogen reizen, te meer daar het weer prachtig en de zee volkomen
kalm is.
Uit de haven stoomend, gaat men langs Stanley Park, zoo genoemd naar
den tegenwoordigen gouverneur, lord Stanley. Het is niet anders dan
het nog in wezen gebleven uiteinde van het oude maagdelijke woud,
dat vroeger de gansche streek bedekte. Het park is meer dan 400
hectaren groot; mooie wegen en lanen met schelpen bedekt, zijn er in
alle richtingen aangelegd.
Dit prachtige park, dat ik bezocht heb, toen ik voor de tweede maal
in Vancouver kwam, op den terugweg van Aljaska, is een wonder van
schoonheid. Men ziet er boomen van 10 à 16 meter middellijn, die eene
hoogte van 100 meter bereiken, en waard zijn met de sequoia's van de
Yosemite-vallei of met de reuzeneucalypten van Australië te worden
vergeleken. De meest voorkomende soorten zijn coniferen, als ceders,
Oregon-dennen en pijnboomen. Men ziet er ook reuzenahornboomen
met groote bladeren en door mos omgeven takken. Beneden vormen
de varenkruiden en heesters ondoordringbaar dichte plaatsen; de
frambozenstruiken worden bijna boomen en bereiken alle eene hoogte
van 5 à 6 meter. In 't kort, de plantengroei is er zoo weelderig,
dat men zich in de tropen verplaatst waant.
Bij den ingang van het vaarwater ligt een kleine ontredderde stoomboot
op zijde, gestrand op een rotspunt. Het vorige jaar is zij meegevoerd
door den vloed, die daar een buitengewoon krachtige strooming is. 't
Is de _Pioneer_, de eerste stoomboot, die om kaap Hoorn is gegaan,
om de kusten van Britsch Columbia te bereiken. Dit was in 1855,
een voor Amerika reeds in 't verre verleden liggend tijdstip.
Die schipbreuk is ongetwijfeld een fortuintje voor den eigenaar
der boot. Men heeft mij verteld,--en inderdaad is het een echt
amerikaansche bijzonderheid--dat er eene compagnie wordt gevormd, om
het waardelooze wrak te koopen tegen hoogen prijs, en er wandelstokken,
fotografielijstjes, doosjes en andere kleine voorwerpen van te maken,
die tegen hun gewicht aan goud zullen worden verkocht als reliquieën
uit vervlogen tijden.
Iets verder wijst de gele kleur van het water erop, dat we de monding
der Frasersrivier naderen. Kleine visschersschuiten kruisen in de open
zee. Twee menschen kunnen, naar het schijnt 800 zalmen per dag vangen,
van een gemiddeld gewicht van 5 kilogram.
Na een verrukkelijke vaart van vijf uren door een doolhof van
woudrijke eilandjes met mooie, schilderachtige omgeving, gaan we door
de George-straat en komen in een heerlijke baai, waarin Victoria ligt,
de hoofdstad van het eiland Vancouver en van Britsch Columbia.
Mijn eerste zorg, toen ik in het hotel Driard, dat door een zeer
beleefd Franschman, den heer Redon, wordt gehouden, aankwam, was te
informeeren, wanneer de boot naar Aljaska vertrok. Ze is er nog niet,
maar ze wordt elk oogenblik verwacht. Bij het agentschap, waar ik een
hut wilde bespreken, weigert men mijn geld aan te nemen, want er is,
zegt men, geen enkele plaats meer over! Ik had het wel verwacht;
uit Montreal had ik willen telegrafeeren, maar goed ingelichte
personen hadden mij verzekerd, dat het noodelooze moeite zou zijn. En
werkelijk zijn in den goeden tijd van het jaar de stoombooten op
Aljaska overvol met passagiers. Buitendien had een gezelschap van 96
toeristen uit Boston, Philadelphia en New-York, die onder leiding
van een vertegenwoordiger van het agentschap Raymond een rondreis
door Amerika maakten, Montreal verlaten juist den dag, vóór ik er
aankwam en ze zouden zich inschepen op de boot, die ik wilde nemen.
Gelukkig is de heer Redon op intiemen voet met den kapitein, en deze
weet sedert lange jaren de tafel van het hotel Driard, een der beste
uit Amerika, te waardeeren. Mijn vriendelijke hotelier, inderdaad
eene voorzienigheid voor zijne enkele landgenooten, die zich in die
verre streken wagen, belooft mij al het mogelijke te doen, opdat ik
zal kunnen vertrekken: zoo er slechts een enkel plaatsje beschikbaar
is, zal het voor mij zijn.
Victoria is eene mooie stad van 20000 inwoners, aangenaam gelegen
op het zuidoostelijk uiteinde van het groote eiland Vancouver, bij
den den ingang van de Juan de Fucastraat, die het eiland van het
vasteland scheidt. Men vindt er fraaie openbare gebouwen, een zeer
belangwekkend provinciaal museum, een zoölogischen tuin, in een park,
waar ik zelfs nog met de herinnering aan de reuzenboomen van Vancouver
de prachtige Douglasdennen bewonderde. Een geheele wijk wordt bewoond
door eene talrijke chineesche kolonie. De zonen van het Hemelsche
Rijk hebben te Victoria hunne chineesche winkels, hunne pagode, hun
schouwburg; het eenige verschil is, dat ze hier eene belasting van
50 dollars per hoofd moeten betalen. Die emigranten munten uit in den
tuinbouw en in het bleeken van linnen; ze zijn ook goede dienstboden
en worden in groot aantal als aardwerkers en sjouwers gebruikt op
den Pacific-spoorweg. Men komt ze bij elke schrede in de straten der
columbiasche hoofdstad tegen tusschen de blanke bewoners en de enkele
leden van het autochthone indiaansche ras.
Vele trammen, meest door electriciteit bewogen, bedienen de
uiteenliggende voorsteden langs schaduwrijke lanen, waar te midden
van mooie, met zeldzame boomen versierde tuinen de smaakvolle villa's
der rijke bewoners zijn te vinden. De streek is eenigszins golvend,
met hier en daar kleine heuvels van graniet en getande rotsen, die de
aanwezigheid van oude gletscherbeddingen verraden. Van de hooge punten
af heeft men een prachtig uitzicht op de zee en de besneeuwde toppen
der Olympia-keten; aan de andere zijde van de Juan de Fucastraat in
den staat Washington.
Een bekoorlijk uitstapje kan men maken naar Esquimalt Harbour,
ververschingsplaats en marinestation der engelsche vloot in de Stille
Zuidzee, op 6 kilometer afstands van Victoria. Men vindt er altijd
een of meer oorlogsschepen. Aan een prachtige haven, die met grillige
bochten diep in het land dringt, heeft men een arsenaal, magazijnen,
werkplaatsen en een groot droogdok gebouwd.
Intusschen is de boot van Aljaska 's namiddags aangekomen en zal
morgen weer vroeg vertrekken. Nu is het reeds acht uur 's avonds,
en mijn lot is nog niet beslist. Ik gaf de hoop al op, toen de heer
Redon met een glanzend gezicht bij mij kwam. "U heeft een plaats,
maar er is geen tijd te verliezen", zei hij, en duwde mij in een
rijtuig, dat mij terstond ver van de stad naar de eigenlijk gezegde
haven bracht, speciaal bestemd voor de groote zeeschepen. Nauwelijks
aan boord, haast ik mij de 95 dollars te betalen, den prijs van de
reis heen en terug, waarvoor ik een kaartje krijg en 't recht op een
bed in een hut eerste klasse met drie plaatsen, waarin we met ons
tweeën zullen zijn. Ik ben er bepaald verrukt van!
De stoomboot _The Queen_, waarop ik een tiental dagen zou vertoeven,
is de beste van de drie booten die op de kusten van Aljaska varen. Ze
houdt 3000 ton, is 104 meter lang en heeft plaats voor 250 passagiers
eerste klasse. Aan alle eischen en behoeften van den nieuweren tijd is
bij de inrichting voldaan. De salon is buitengewoon groot en smaakvol;
de hutten zijn ruim en luchtig en bestaan uit drie verdiepingen,
waarvan twee rechtstreeks uitkomen op eene buitengalerij; ze hebben
electrisch licht en boven de derde verdieping is een groot balkon.
Tweemaal per maand vertrekt dit schoone schip onder commando van
kapitein Caroll--een ouden zeerob, die aan zijn honderd-veertiende
reis naar Aljaska bezig is--van Tacoma aan de Pugetsont, neemt te Port
Townsend, aan de oostzijde van de Juan de Fucastraat, de passagiers
op, die over zee van San Francisco zijn gekomen, doet Victoria aan, en
vervolgt dan zijne reis naar het Noorden, landt bij de interessantste
punten der kust en blijft een of twee dagen te Sitka, om vervolgens
naar het punt van uitgang terug te keeren.
Den volgenden morgen, 2 Augustus, waarschuwt bij 't aanbreken
van den dag een lichte schommeling van de boot mij, dat we op weg
zijn. Voor de laatste maal vergast ik mij aan den prachtigen aanblik
der Olympia-keten, welker voet nog in de schaduw staat, terwijl de
toppen reeds verlicht zijn door de eerste stralen der opkomende zon,
en als roode wolkjes boven den morgennevel schijnen te zweven. Daarna
wendt _The Queen_ zich voorwaarts en komt in straat Haro, de meeste
der San-Juan-eilanden aan stuurboord voorbijvarend. Het bezit van
dien archipel is langen tijd een twistpunt geweest tusschen Engeland
en de Vereenigde Staten. De keizer van Duitschland, in 1872 tot
scheidsrechter gekozen, liet de grenslijn door de straat gaan en kende
dus aan de Vereenigde Staten het grootste gedeelte van den betwisten
archipel toe. Om elf uur passeeren wij in open zee het stadje Nanaimo,
waar we op den terugweg aan land zullen gaan. Hier zijn we aan de
uiterste grens van spoorwegen en telegrafen; we betreden oorden,
waar beide totaal ontbreken.
Dien ganschen dag hadden we heerlijk weer, wat ons trouwens op
deze geheele reis bijbleef, we kwamen uit de George-straat in de
Johnstonstraat tusschen een doolhof van groote en kleine eilanden door,
alle geheel en al bedekt met reuzendennen. Van de scheepsbrug gezien,
is het uitzicht op de bergen, vooral op die van Columbia, heerlijk;
aan den kant van Vancouver zijn ze minder hoog. Een onafgebroken keten
van met sneeuw bedekte toppen begrenst den horizon aan de oostzijde;
hun hoogte wisselt af tusschen 2000 en 8000 meter. Op sommige plaatsen
dringen diepe fjorden wel 100 kilometer ver in het land binnen.
Nu eens omsluiten de insnijdingen der kust groote uitgestrektheden diep
water, waar de scheepvaart gemakkelijk en zonder gevaar kan plaats
hebben, en dan weer wordt het kanaal nauw, zooals bij de Discovery
en Seymour-straat, waardoor de George-straat met de Johnston-baai is
verbonden. Dit is het engste punt in den doorgang tusschen Vancouver
en het vasteland. De zeestroomingen hebben in deze streken soms eene
snelheid van 16 kilometer per uur, wat te gevaarlijker is, omdat er
zooveel klippen zijn even onder de wateroppervlakte. Zeilschepen worden
onweerstaanbaar meegesleept, en stoombooten zelfs zijn verplicht,
hunne vaart te berekenen naar, en in overeenstemming te brengen met
het gunstige getij.
Op een eiland in de Johnston-baai ziet men eene groote fabriek van
ingemaakte zalm en een uitgestrekt Indianendorp. Op het kerkhof zijn
de graven der inboorlingen versierd met grof snijwerk en met lappen
van kleurige stoffen.
Bij het aanbreken van den tweeden dag zijn we het groote eiland
voorbij, waaraan de beroemde zeevaarder Vancouver zijnen naam heeft
gegeven. In de richting van het noordwesten naar het zuidoosten ligt
het evenwijdig aan de kust van Columbia, en is 400 kilometer lang
en 100 kilometer breed. De naar de Stille Zuidzee gekeerde zijde
is doorsneden door diepe fjorden. Het geheele, nog weinig bekende
binnenland, is één uitgestrekt woud; de kolonisatie heeft nog slechts
het zuidelijk uiteinde van het eiland bereikt.
Nu stoomen we Koningin-Charlotte-straat binnen. Eenige eilanden
scheiden ons nog van den oceaan, welks deining zich reeds laat
gevoelen, en weer komen we in een serie van golven en straten,
gevormd door eenen archipel van woudrijke eilanden. Nu en dan zou
men meenen, dat men een groote rivier afvoer tusschen twee zeer
steile oevers, die eenige honderden meters hoog met donkere dennen
zijn beplant. Verscheiden malen hebben we gelegenheid walvisschen
te zien; meestal twee aan twee in groepen bij elkander in vroolijke
bewegelijkheid, machtige dampwolken in de lucht slingerend.
Vandaag is het zondag; eene waarschuwing in de rookzaal aangeplakt,
zegt ons, dat het dien dag verboden is, kaart te spelen. Tot vergoeding
zal de dienst niet rusten: we hebben niet minder dan zeven geestelijke
herders aan boord, meest allen leden van het toeristengezelschap,
dat ik reeds noemde.
Ik heb met den beminnelijken leider der expeditie kennis gemaakt,
den heer Luther Holden, die met behulp van drie adjuncten in alles
voorziet en de reis tot in de kleinste bijzonderheden regelt. Die
vacantie-uitstapjes hebben in Amerika veel sucees. Tegen eenen vooraf
vastgestelden prijs, behoeft men zich verder met niets te bemoeien,
en men wordt op den bepaalden tijd weer thuis gebracht. Het programma
wordt met veel zorg opgemaakt en stipt gevolgd. Men heeft alle
mogelijke comfort op reis en men reist toch veel goedkooper. Zoo
konden onze toeristen voor 500 dollars de reis maken van de groote
steden aan den Atlantischen Oceaan naar Aljaska, na in een specialen
trein de geheele _Dominion_ van Canada in hare gansche uitgestrektheid
te hebben gezien. De terugreis zou plaats hebben door de straaten
Washington en Oregon, door het Nationale Park aan de Yellowstone
en dan per _Northern Pacific_ over St-Paul, Chicago en de Niagara,
terwijl hier en daar uitstapjes zouden worden gedaan en interessante
punten zouden worden bezocht.
Een maatregel, dien ik zeer toejuich, is dat dagelijks in den salon
van _The Queen_ de af te leggen weg werd opgehangen, met vermelding
der belangrijkste punten en der tusschenliggende afstanden.
Onder de kosten der reis is de tafel begrepen. Vanwege het groote
aantal passagiers moeten er twee tafels worden gehouden met twee uren
tusschenruimte en telkens blijft geene plaats onbezet, en daar er
niet minder dan vijf maaltijden per dag worden gegeven, drie groote
en twee kleine, zijn de ongelukkige kellners maar steeds bezig met
dekken en afnemen.
Het oudste lid van ons gezelschap is een grijze heer van 82 jaar,
die een plezierreisje doet met zijne waardige gemalin, slechts
weinig jonger dan hij. Men reist in Amerika zoo gemakkelijk, dat
men die verplaatsing als eene rust is gaan beschouwen. _En famille_
gaat men uit met oude bloedverwanten en zeer jonge kinderen, om eene
reis van zes weken te maken; men steekt van den eenen oceaan naar den
anderen over met dezelfde zorgeloosheid, als waarmee men een eenvoudig
pleziertochtje in de buurt gaat doen. Wat mij intusschen wel verbaast,
is het groote aantal oude vrouwen, zeer oude zelfs, (enkele zijn
zeker over de 70 jaar) die deel uitmaken van het gezelschap Raymond.
Na Bella-Bella, een Indianendorp op het eiland Campwell, volgt de
Lama-passage, zeer nauw en met vele kegelvormige eilandjes er in,
alle met dennen begroeid, waardoor ze er uitzien als groote, groene
op het water staande mutsen, en dan de Milbank-sont, van waar men
voor enkele oogenblikken een kijkje heeft op den oceaan.
De zuidelijkste punt van het groote Koningin-Charlotte-eiland is
juist bij den ingang van straat Finlayson, die over eene lengte van
45 kilometer recht naar het Noorden loopt en drie à vier kilometer
breed is. Schoone watervallen storten neer van de naburige hoogten,
en boven het donkere woud steken de besneeuwde toppen der verder
verwijderde bergen uit. De sneeuw daalt hier zeer laag in de diepte
der kloven: slechts eenige honderden meters boven het niveau der zee
ziet men nog groote massa's, overblijfselen van de lawinen van het
voorjaar. Volkomen eenzaamheid, geen spoor van menschelijke woningen
te zien, geen boot op zee te bemerken! In de bosschen geen bewijzen
meer van branden, maar vele nog rechtop staande stammen zijn de
uitgebleekte skeletten van de woudreuzen, die van ouderdom stierven;
soms ook zijn jongere boomen verdroogd en staan dicht tegen elkaar
aan als de aren in een korenveld.
Na straat Finlayson volgt de Grenville-straat, in eene rechte lijn
90 kilometer voortgaande, tusschen het eiland Pitt en 't vasteland.
In den nacht tusschen den tweeden en den derden dag zijn we,
even beneden 55° NB de grens over gegaan, die de britsche van de
amerikaansche bezittingen scheidt. Bij het aanbreken van den dag
bevinden we ons tusschen Prins-Wales-eiland en de kust. Nu zijn we
in Aljaska; het landschap blijft steeds hetzelfde, maar zoo schoon,
dat men zijn oogen er niet af kan houden.
Het territorium Aljaska neemt den noordwestelijken uithoek in van het
vasteland van Amerika. Door de Behringstraat van Azië gescheiden,
ten noorden door de IJszee bespoeld en ten zuiden door den Stillen
Oceaan, werd deze streek, die eertijds onder den naam van Russisch
Amerika bekend was, in 1867 aan de Vereenigde Staten afgestaan voor
eene som van 7200000 dollars.
De aankoop van dat land lokte eerst bittere verwijten uit van de zijde
der Amerikanen; maar nu de streek beter bekend is, geeft men terecht
toe, dat de som gering is voor een land, dat driemaal zoo groot als
Frankrijk en in zijn zuidelijk gedeelte zeer goed bewoonbaar is,
terwijl het visch en kostbaar bont levert, en men er bosschen en
mijnen vindt. Als men daarbij bedenkt, dat de afstand, buiten de
eilanden langs de kust,--waarvan enkele voor aanzienlijke sommen
verpacht zijn aan eene maatschappij in bontwerk--ook de gansche rij
der Aleoeten omvat bij de aziatische kust, krijgt men de overtuiging,
dat de amerikaansche republiek, zoowel uit financieël als uit politiek
oogpunt, wat men noemt, zeer goede zaken heeft gemaakt.
Eene der meest verspreide dwalingen over Aljaska, betreft het
klimaat. Zeker, de winters zijn er in het noorden en in het binnenland
geducht streng, maar daarentegen heeft men geconstateerd, dat de zwarte
stroom of Koero-Sivo op de Westkust van Amerika dezelfde weldadige
uitwerking heeft als de warme Golfstroom op West-Europa. Zoo daalt de
thermometer te Sitka slechts zelden tot 0° Fahrenheit, gelijkstaande
met 17° 7' Celsius.
In 1888 bedroeg de bevolking van Aljaska ongeveer 50000 inwoners,
waaronder 6500 blanken, 1900 kleurlingen, 2900 Eskimo's der Aleoeten,
3500 beschaafde Indianen en 3500 wilden.
's Morgens om tien uur komen wij te Wrangell aan, en elkeen haast
zich aan land te gaan, we zullen om twee uur weer vertrekken. Het
dorp is mooi gelegen, maar beteekent niet veel; een honderdtal blanken
wonen er en 400 bijna veramerikaanschte Indianen, tot de stammen der
Thlinkets en der Haida's behoorend.
Fort Wrangell, een oude russische sterkte, ligt op de noordpunt van
het eiland van denzelfden naam bij den mond der rivier Stikeen,
die tot vrij ver in het binnenland van Columbia door stoombooten
kan worden bevaren. Het is de natuurlijke weg naar de beroemde
Cassiar-goudmijnen. Hier en in het geheele zuidoostelijk gedeelte,
dat bij den Eliasberg begint, beperkt zich het territorium van Aljaska
tot eene smalle landtong. De britsche grens loopt evenwijdig met de
kust op eenen afstand van 55 kilometer van de zee.
Ofschoon Wrangell veel van zijne belangrijkheid heeft verloren,
is het toch een interessant plaatsje voor een vreemdeling, die er
de schoonste _totems_ uit de gansche streek kan waarnemen. Zoo noemt
men groote houten, van snijwerk voorziene palen, die de Indianen voor
hunne huizen plaatsen. Het zijn zinnebeeldige voorstellingen van de
afkomst van het hoofd der familie, en ze dienen, om de groote daden
zijner voorvaderen te vereeuwigen. Van 60 tot 150 centimeter breed en
van 10 tot 20 meter hoog, stellen die _totems_ monsterachtige dieren
voor of grijnzende menschelijke gelaatstrekken. Vroeger werden ze
zeer in eere gehouden; nu hecht men er minder gewicht aan. De oude
worden nog wel geëerbiedigd, maar men richt geen nieuwe meer op.
De inboorlingen worden in familiën of clans verdeeld, die, volgens
de traditie, van vier symbolieke dieren afstammen: van den raaf,
den wolf, den walvisch en den arend. De typen van die dieren zijn op
verschillende manieren in snijwerk weer gegeven, naar gelang van de
verbintenissen en huwelijken, zoodat een soort van stamboom wordt
voorgesteld. Indien boven op een _totem_ een leelijke menschelijke
gedaante is geplaatst met een hoed op, is dat het bewijs van de
woonplaats van een hoofd. Soms staan er twee, één aan elke zijde
van het huis; de eene is dan de stamboom van den man, de andere
die der vrouw. Een van die _totems_, en niet de minst eigenaardige,
heeft geene andere versiering dan het indruksel van eenen berenklauw
en het afbeeldsel van het dier zelf er boven op. Ook heb ik een paar
graven opgemerkt met reusachtige gesneden beelden, 't zij van wolven,
't zij van andere dieren.
Het inwendige der indiaansche huizen verdient wel een bezoek. Alle
zijn van hout gemaakt. De vuurhaard is in 't midden, en de rook moet
door het dak ontsnappen. Tegen den wand van het eenige vertrek staan
banken, primitieve meubels en veldbedden; dierenvellen en huiden
hangen aan de muren, terwijl visch en groote stukken vleesch aan de
zoldering hangen te drogen.