Men ziet het, we zijn in de beschaafde wereld teruggekeerd;

Aljaska en de Canada-spoorweg.

12 Juli 1890.--Daar ben ik weder op den oceaan! Dezen morgen zijn we te

Hâvre in zee gestoken. 't Is twaalf uur, de zee is mooi; de _Normandie_

legt vlug hare zestien knoopen, ongeveer 30 kilometers in het uur af.

Hier is kaap la Hogue en daar, dichtbij ons, het engelsche eiland

Aurigny; en een groep getande rotsen verheft zich met vreemde vormen,

de _Casquets_, waarop aan het uiterste einde een groote vuurtoren

staat. En dat is alles; verder niets dan volle zee. Van nacht zullen

we de Scilly-eilanden passeeren en dan is het eerste land, 't welk we

in 't gezicht krijgen, Amerika, dat ik voor de vierde maal ga bezoeken.

14 Juli.--Om acht uur kondigt het kanon aan boord ons den nationalen

feestdag aan. Maar welk onaangenaam weer! Veel wind en stortregens. In

den loop van den dag wordt de zee hooger, maar de _Normandie_ houdt

zich goed en maakt slechts een matig gebruik van haar recht, om te

stampen en te slingeren. De salons zijn getooid met amerikaansche

en fransche vlaggen; men heeft ze overal aangebracht, zelfs op de

taarten en pasteien, een triomf van den kok, die voor de gelegenheid

werkelijke meesterstukken leverde. Het diner is zeer vroolijk,

de champagne gaat rond, en om negen uur onthaalt men ons, trots

den regen, die buiten klettert, op een vuurwerk. Een concert van

dilettanten besluit den avond.

17 Juli.--Het slechte weer is niet van langen duur geweest, maar op den

Atlantischen Oceaan kan men nooit ergens voor instaan. Zooeven nog was

de lucht helder en de temperatuur heerlijk. Ik breng een uurtje door in

de badkamer en toen ik weer boven kom, zie ik ons schip tot mijn groote

verbazing omringd door eenen dikken mist. Van 24 is de thermometer op

14 graden gedaald, met een ijzig kouden wind er bij. Op honderd meter

afstands kan men niets meer onderscheiden. We zijn dicht bij de banken

van New-Foundland; binnen een twintigtal uren zullen we er zijn. In

den nacht wordt de temperatuur nog lager; het zeewater is niet warmer

dan 9°, wat ons de nabijheid van het drijfijs doet vermoeden. Toch

schijnt ons schip geene merkbare vertraging in zijne vaart te hebben.

19 Juli.--De banken zijn ver achter ons. Sedert gisteren zijn wij

in eene gematigde luchtstreek teruggekeerd. Een loodsboot wordt

aangeroepen. Ik ken niets bevalligers dan de lichte vaartuigen der

amerikaansche loodsen, met hunnen langen mast en twee zeilen; in de

verte gelijken ze op zeemeeuwen, die op de golven dansen. Onze loods

is al twaalf dagen lang op zee. Hij vraagt een hoog loon voor zijne

diensten, maar wat een werkje ook! In ieder jaargetijde, onverschillig

welk weer het is, zich op een broos vaartuigje drie- à vierhonderd

mijlen in zee wagen, om een boot onderweg te snappen!

Dien avond was het prachtig weer. De piano wordt hoven gebracht, en

tot middernacht wordt er gedanst. 't Is om zich op weg naar Indië te

gelooven; want slechts zeer zelden toont de Atlantische Oceaan zich

zoo vriendelijk.

Op zondag, 20 Juli, om vier uur is Long-Island aan stuurboordzijde in

't zicht. Eenige uren later onderscheidt men de hotels en casino's

van Long-Beach, Rockaway Beach en Coney Island. Door de vallende

duisternis heen schittert plotseling de vuurtoren van het standbeeld

der Vrijheid, terwijl iets verder de reuzenboog der Brooklynbrug,

electrisch verlicht, zich tegen de lucht afteekent. Doch we loopen

vandaag niet binnen, want het is nacht geworden, en in het vrije

Amerika mag men 's avonds niet aan wal gaan, vooral niet op zondag.

Den volgenden morgen om acht uur ligt de _Normandie_ vastgemeerd op de

werf der Trans-atlantische Compagnie. Daar ik geene andere bagage heb

dan twee valiesjes, die ik desnoods in de hand zou kunnen meenemen en

die een _expressman_ voor veertig _cents_ naar mijn hotel zal dragen,

ben ik spoedig klaar bij de heeren van de douane, en ik spring in een

tram, die mij in een paar minuten voor 5 cents (f 0.12_5_ holl.), den

vasten prijs bij die soort voertuigen overal tusschen den Atlantischen

en den Stillen Oceaan, naar 't hotel Martin brengt. Dat is, zooals

men zegt, het beste fransche logement in New-York.

Mijn doel op deze reis naar Amerika was, den ganschen weg van de

nieuwe trans-continentale lijn door Canada af te leggen, een vluchtig

uitstapje te doen naar de kust van Aljaska, dan de staten van het

Westen te bezoeken, het Yellowstone-park te gaan zien en met de

_Northern Pacific_ terug te keeren. Ik wist, dat tegen den eersten

Augustus de boot voor Aljaska uit Victoria vertrekt; we hadden nu 21

Juli, dus veel tijd had ik onderweg niet te verliezen.

Toen ik dan ook Broadway nog eens had bezocht, die hoofdader van de

stad, een ritje had gedaan met de eigenaardige luchtspoorwegen,--altijd

voor 5 cents, juist als in den omnibus,--en bij 't ondergaan der

zon, van de prachtige Brooklynbrug af, mijn oog had laten gaan over

de reusachtige veerponten, de kolossale stoombooten en de tallooze

vaartuigen van elken vorm, die zich in alle richtingen op de East,

River bewegen, besloot ik reeds den volgenden morgen naar Canada

te vertrekken.

Ik had van New-York rechtstreeks per spoor naar Montreal kunnen gaan;

twee concurreerende lijnen had ik zelfs tot mijnen dienst. Maar hoewel

ik haast had, offerde ik een dag op, om een veel interessanter weg

dan dien langs de spoorlijn te volgen, n.l. de route per stoomboot,

eerst langs de Hudson en dan over het George- en het Champlainmeer. Ik

heb geen berouw over die keus gehad.

De stoombooten op de Hudson zijn uitstekend ingericht voor het comfort

en 't genoegen der talrijke reizigers, die dagelijks op de mooie rivier

pleziervaarten en uitstapjes doen. Volgens amerikaansch gebruik is er

een orkest aan boord. Die booten zijn ook aanbevelenswaardig om de

snelheid van hunne vaart; ofschoon het stroomop gaat, worden de 230

kilometers, die New-York van Albany scheiden, in negen uren afgelegd,

het oponthoud er onder begrepen. Het is een feit, dat de Amerikanen

vlug en handig zijn; 't ontladen der koffers en der passagiers,

alles gaat even rustig en snel.

Prachtig weer maakte, dat ik recht kon genieten van het landschap,

dat wezenlijk zeer mooi is. Tegenover New-York is de stroom meer dan

één kilometer breed; naarmate men verder komt neemt hij nog in breedte

toe. Op den linkeroever passeert men eene rij van landingsplaatsen

en een menigte sierlijke buitenverblijven. Het grondgebied der stad

New-York beslaat langs de Hudson eene oppervlakte van 28 kilometers,

waarvan meer dan de helft reeds bebouwd is. Verder op verheffen zich

langs den rechteroever de Palissaden, eene rij loodrechte rotsen,

welker hoogte geregeld opklimt van 60 tot 170 meter.

Na die Palissaden wordt de Hudson veel breeder; voorbij kaap Croton

breidt zij zich over een groote oppervlakte uit en vormt als 't

ware eene ruime baai, om dan weer kronkelend haren weg te vervolgen

tusschen hooge, met wouden bedekte bergen. Dit geheele gedeelte der

rivier is bijzonder schilderachtig; men vindt daar ook, halverwege

op een plateau bekoorlijk gelegen, de militaire school van West-Point.

Hooger stroomop, altijd aan den rechteroever, volgt dan Newburg, een

mooie stad met 20000 inwoners, en nog iets verder boven Poughkeepsie,

ook een belangrijke stad, weer een groote ijzeren brug, die de Hudson

overspant.

Om zes uur komen we te Albany aan. De boot zet ons bij het

spoorwegstation af; de wagons wachten ons op tien pas afstands van

de kade en terstond vertrekt de trein.

Het spijt mij, dat ik Albany niet heb kunnen bezoeken; 't is de

hoofdstad van den staat New-York, eene stad met 100000 inwoners en

met vele merkwaardige gebouwen.

Saratoga, dat ik tegen het vallen van den avond bereik, is een groot

dorp, een soort van luxe-plaatsje, beroemd om zijne minerale bronnen

en in den zomer druk bezocht door de amerikaansche _beau monde_. Ik heb

nog even den tijd gehad voor een vluchtig bezoek aan Congress-Park met

zijne statige olmen, en voor een wandeling door de hoofdstraat met de

meeste hôtels en de deftigste woningen van particulieren. Den volgenden

dag was het prachtig weer. In anderhalf uur bracht de spoorweg mij

bij het zuidelijk uiteinde van het George-meer, te Caldwell, van waar

de stoomboot direct na aankomst van den trein vertrekt. Daar dichtbij

staat een reuzengroot hôtel, zooals men er alleen in Amerika vindt,

gebouwd op de plaats van een oud fransch fort, waarvan nog enkele

ruïnen over zijn.

Deze streek bekleedt eene belangrijke plaats in de geschiedenis

van Amerika gedurende de laatste eeuw. Van 1755 tot 1759 zijn de

romantische oevers van het George-meer herhaaldelijk het tooneel

geweest van bloedige gevechten tusschen Franschen en Engelschen. Men

mag het nog wel eens in herinnering brengen, dat het George-meer en

het Champlainmeer beide het eerst door Franschen zijn bezocht.

Nu zijn een menigte kleine villa'tjes verspreid langs hunne woudrijke

oevers. Vluchtend voor de hitte der maand Augustus, die in New-York

dikwijls ondragelijk is, houden de burgers en vooral de burgeressen

der groote stad er van, om hier een zuiverder en frisscher lucht in

te ademen. Zeker is het George-meer met zijne vele groene eilandjes,

mooi, zeer mooi zelfs; maar ik ben er niet zoo verrukt van als de

Amerikanen, die niet aarzelen, het boven de schoonste zwitsersche

meren te verheffen, en die het den eersten rang toekennen onder de

meren der gansche wereld. Men zou het eerder met de meren uit Zweden

kunnen vergelijken, als de bergen wat hooger waren en--wat weer bij de

laatstgenoemde ontbreekt--hier staan de gezellige levendigheid van de

oevers en de vele aanlegplaatsen toe, om tal van aardige amerikaansche

dames in vroolijk zomertoilet eens op te nemen.

De vaart over het George-meer duurt ongeveer drie uren. Aan het

noordelijk uiteinde wacht ons een trein. In twee minuten heeft de

ontscheping zonder moeite en zonder geraas plaats gehad, ik heb geen

orders hooren geven en geen stoomfluit gehoord. Het is een wonder! Een

kwartier later geschiedt het tegenovergestelde, de overgang uit den

trein in de boot, aan 't zuidelijk einde van het Champlainmeer,

te Ticonderoga. Daar staat ook een historisch fort, waarvan de

overblijfselen op een naburige rots liggen, die haren naam aan het

kleine stadje, punt van vertrek der booten, heeft gegeven.

Het eerste gedeelte van het Champlainmeer is nog al aardig; maar

weldra wordt het meer breeder, de oevers worden lager, en het water

neemt eene gele kleur aan. De landstreek is niet meer, zooals bij het

George-meer, een uitspanningsoord, maar eenvoudig een landbouwgebied,

afgesloten in de verte door mooie blauwe bergen, de Adirondacks.

Om vijf uur wordt er aangelegd op den rechteroever, te Burlington,

de volkrijkste stad uit den staat Vermont; veel fransche Canadeezen

zijn in die belangrijke industriestad gaan wonen.

Twee uren later verlaat ik de stoomboot, om per spoor verder naar

Plattsburg te gaan. De grens van Canada passeeren we te Rouse's

Point en om elf uur 's avonds ben ik in een fransch hotel te Montreal

geïnstalleerd.

Ik kende Montreal reeds, door mijn bezoek in 1876, op mijne eerste reis

naar Amerika. De bevolking, die in het begin dezer eeuw nauwelijks

9000 inwoners bedroeg, werd toen op 120000 geschat en nu is ze reeds

tot 200000 gestegen en neemt nog voortdurend snel toe.

De stad, die gebouwd is op een eiland, door de Sint-Laurens en een

arm van de rivier Ottawa gevormd, ligt op den linkeroever van den

grooten stroom in eene vruchtbare vlakte, aan den voet van den Mont

Royal, waarnaar de stad is genoemd en dien men tegenwoordig langs

een spoorwegje kan bestijgen. Van den top af heeft men een prachtig

gezicht op de stad, welker daken en torens in de zon schitteren,

en op de Sint-Laurens, die vele kilometers breed is met hare groene

eilandjes en de vruchtbare velden langs de oevers.

Zeker zou men met genoegen vele dagen in de mooie stad Montreal

kunnen doorbrengen, waar de meerderheid der bewoners Fransch spreekt

en waar men bij elke schrede aan Frankrijk, het "oude land", zooals

de Canadeezen zeggen, wordt herinnerd. Maar ik had mij voorgenomen,

op mijn terugweg op nieuw Beneden-Canada te bezoeken en ik maakte

mijne toebereidselen, om nog denzelfden avond te vertrekken.

Mijn eerste visite gold den heer Beaugrand, oud-burgemeester van

Montreal, een gewaardeerd schrijver van romans en reisverhalen; nu is

hij redacteur van de _Patrie,_ een der meest gelezen fransche dagbladen

in Canada. Ik werd allervriendelijkst door hem ontvangen. Daarna

bezocht ik den heer Schwoob, consulair agent voor Frankrijk, die met

buitengewone voorkomendheid zich onmiddellijk te mijner beschikking

stelde, om mij aan den superintendent van de _Canadian Pacific_,

den heer Mac Nicoll, voor te stellen. De laatste gaf mij een

introductiebrief mee voor alle employés langs de onmetelijke lijn,

waarover hij het oppertoezicht heeft. Ik maak van de gelegenheid

gebruik om mijn kaartje te koopen, dat tot Victoria 75 dollars kost;

voor twintig dollars buitendien krijg ik een bed in de _sleeping car_,

welk gemakkelijk ingericht rijtuig ik dan ook overdag mag gebruiken

en mijn kaartje is _unlimited_, dat wil zeggen, dat ik onderweg mag

uitstappen, en overal, waar 't mij goed dunkt, zoolang mag blijven,

als ik wil.

Ik had ook nog tijd, den heer Mercier te bezoeken, den

Aljaska-reiziger, die mij zeer bruikbare inlichtingen gaf over de

streken, die ik dacht aan te doen.

Intusschen is het uur van vertrek gekomen. Om 8 uur installeer ik

mij met mijne lichte bagage in den _parlour-car_, de Yokohama. De

gereserveerde rijtuigen hebben namelijk, evenals stoombooten,

ieder eenen naam. Ik heb niet veel medereizigers; de eerste indruk

is uitmuntend.

De canadasche pacific-spoorweg is de jongste trans-continentale lijn

in Amerika en zij is inderdaad een wonderwerk. In 1875 is men ermede

begonnen, maar eerst sedert 1880 is men er vlug mee voortgegaan,

toen de regeering op het gelukkig denkbeeld kwam, den aanleg aan

eene bijzondere maatschappij te gunnen. Zoo kon vijf jaar voor den

voorgeschreven termijn, den 4_den_ Juli 1886, een trein, uit Montreal

vertrokken, de stille Zuidzee bereiken, eene uitkomst, die des te

belangrijker was, omdat de weg aangelegd moest worden door bijna

geheel verlaten streken, die groote natuurlijke bezwaren aanboden.

Bijna 500 kilometers zijn in de rotsen uitgehouwen. De bruggen zijn

ontelbaar, één, van ijzer vervaardigd, is 250 meter lang; een andere is

tusschen twee bergen 90 meter boven een stroom gebouwd. In de laatste

weken werkte men zelfs bij de strengste koude; als de paarden niet

meer konden, spande men honden voor wagens. Herhaaldelijk heeft men

rails gelegd, terwijl het kwik in den thermometer bevroren was. Van

de vier groote secties der lijn zijn twee door de regeering en de

beide andere door de maatschappij aangelegd. De zoo snelle voltooiing

van den reusachtigen spoorweg, die van Montreal tot Vancouver niet

minder dan 4679 kilometer lang is, mag, ik herhaal het, een reuzenwerk

worden genoemd, en heeft aangetoond, dat zoowel de ingenieurs als

de werklieden uit Canada in niets bij hunne buren uit de Vereenigde

Staten achterstaan.

De compagnie van den Canada-pacific-spoorweg maakt goede zaken. Buiten

de groote lijn omvat haar spoorwegnet groote uitgestrektheden van

de noordwestelijke prairieën en enkele wegen oostwaarts naar Quebee,

Halifax enz. en ook verscheiden lijnen, die met de amerikaansche in

verbinding staan. Van Halifax naar Vancouver, dat is van den eenen

oceaan naar den anderen, wordt de afstand van 5908 kilometers geregeld

in zeven dagen afgelegd, en op een manier, zoo prettig en gemakkelijk

als men zich in Europa niet kan voorstellen. Tegenwoordig kan men

zonder moeite in veertien dagen van Parijs naar Victoria op Vancouver

komen, en daar langs dezen weg de afstand van Japan 516 mijlen korter

is dan over San-Francisco en slechts 13 à 14 dagen eischt, kan men

vier weken, nadat men Frankrijk heeft verlaten, op de kaden te Yokohama

wandelen, terwijl deze reis over Marseille en Suez 42 dagen duurt. [1]

25 Juli.--Ik heb een uitmuntenden nacht gehad en sta om zeven uur

op, geheel uitgerust van de vermoeienis der vorige dagen. We zijn

de hoofdstad der _Dominion_ Ottawa reeds lang voorbij. We rijden nu

langs den rechteroever der rivier van denzelfden naam, die we een uur

later zullen verlaten op het punt, waar zij zich naar het noordwesten

buigt. Daar zijn we te Mattawa, een belangrijke plaats voor den handel

in het hout, dat uit de provincie Ottawa komt, en punt van samenkomst

voor de hertenjagers en de forellenvisschers. Een _dining-car_ wordt

aan onzen trein gehecht en ik ontbijt met smaak, wat in Amerika,

zoowel in Canada als in de Vereenigde Staten, eene zeldzaamheid is.

De oude spoorweg, door de regeering aangelegd, eindigde 42 kilometer

verder, bij het station Callander. Bij dit punt begonnen dus de werken

der _Canadian Pacific_, van de C.P.R., zooals men bij verkorting zegt.

Wij naderen de streek der kleine meren ten noorden van het

Huronmeer. Men ziet er verscheidene in 't voorbijgaan. Het grootste

is het Nipissing-meer, een mooie watervlakte van 80 kilometer lang

en 40 breed, met woudrijke eilandjes er in en een gordel van wouden

er omheen, waarin veel wild wordt aangetroffen. Hoe onbeteekenend

klein is echter dat meer, vergeleken bij de rij uitgestrekte

zoetwater-binnenzeeën, iets zuidelijker op 16° lengte!

Om tien uur komen we te North Bay, een klein, geheel nieuw stadje aan

de noordzijde van het meer. De trein staat er tien minuten stil. Ik ga

een tocht wagen naar het buffet; men eet er staande en men kan er enkel

brood, thee en koffie krijgen. Geen gegiste dranken, noch bier, noch

wijn worden er geschonken; zoo is het aan alle buffetten langs de lijn.

Nadat we eenigen tijd langs het meer zijn gestoomd, gaat de spoorweg

over het voornaamste toevoerkanaal, de rivier Sturgeon, juist

boven schilderachtige stroomversnellingen. De temperatuur is zacht

en ik breng een groot deel van den tijd door op het balkon van de

_smoking-room_ achter aan den trein; van daar verlies ik geen enkele

bijzonderheid van het landschap.

Op enkele punten is het woud gekapt; maar de landbouw heeft nog slechts

schroomvallig bezit genomen van het domein der houthakkers. Bijna

overal is de bodem met primitieve wouden bedekt, hier en daar, helaas,

door brand vernield. Op de wanstaltige en in ontbinding verkeerende

overblijfselen der van ouderdom gestorven woudreuzen, tusschen dorre

maar nog rechtop staande boomen, op de gecarboniseerde lagen en de in

elkander verwarde halfvergane stammen, groeit een nieuw geslacht van

jonge boomen vol leven. Het is een dicht labyrinth, waar men overal

water aantreft. De meren zijn ontelbaar en dat zijn ook de waterloopen,

die door het bosch kronkelen en naast den spoorweg aan houtzagerijen

beweegkracht leveren.

Sudbury is ook een nieuw stadje, zoo maar midden in het woud

ontstaan. Het is een belangrijk punt der lijn; in de nabijheid ontgint

men aanzienlijke koper-, nikkel- en platinalagen en van hier gaat de

287 kilometer lange zijlijn uit, die bij Sault Sainte-Marie eindigt,

de oude fransche kolonie op de landengte, die het Huronmeer met het

Bovenmeer verbindt. Een kanaal met sluizen stelt die twee binnenzeeën

met elkaar in gemeenschap, en een draaibrug, die den canadeeschen en

den amerikaanschen oever verbindt, laat de spoortreinen passeeren en

brengt zoo de verbinding tot stand van de Transcanada-spoor met de

groote amerikaansche lijnen.

Verderop wordt de schilderachtige streek, nog woester. Ontgonnen

plekken worden schaarscher en kleiner en komen enkel onmiddellijk aan

de spoorbaan voor; en water, altijd water vertoont zich aan het oog,

een tallooze menigte meertjes, moerassen, als geëmailleerd met fraaie

roode bloemen, een gansche waterflora, welker frissche, teergroene

kleur vreemd afsteekt tegen den donkeren tint van het stilstaande

water en tegen de uitgegestrekte door het vuur zwart geworden lagen!

26 Juli.--Tweede nacht in de _Yokohama_, even goed als de vorige. Vroeg

in den morgen gaan we langs den noordelijken oever van het Bovenmeer,

dat men 't eerst te zien krijgt te Heron Bay, 1291 kilometer van

Montreal verwijderd. Het meer levert een prachtig schouwspel op,

en overtreft mijne verwachtingen. De steile, rotsachtige kust,

die diep is ingesneden, vormt een serie bochtige baaien, bezaaid

met woudrijke eilanden; de horizon wordt gevormd door het heldere

water van het grootste meer der wereld. Men weet, dat het Bovenmeer

niet minder dan 590 kilometer lang is, terwijl 260 kilometer de

grootste breedte aangeeft. Zijne oppervlakte, die Reclus op 83630

vierk. kilometer berekent, zou dus gelijk zijn aan die van 14 à 15

fransche departementen.

Het landschap is grootsch. Het woud is meer ongeschonden 't zijn nog

wel altijd dennen, beuken, lorken, maar de boomen zien er krachtiger

uit. De weg, in de rotsen uitgehouwen, dikwijls door tunnels en

houten bruggen op schragen afgebroken, is volkomen goed in orde en

heeft enorme sommen moeten kosten. Verscheidene uren aaneen houden we

dit tooverlandschap voor oogen. Soms doen oneffenheden van den bodem

het meer een oogenblik uit het oog verdwijnen, maar spoedig komt het

weer te voorschijn.

Een der merkwaardigste punten is de groote bocht om Jack Fish Bay,

waar de spoorweg wel 6 à 7 kilometer lang omheen buigt. Die baai

is, zooals de naam aanduidt, beroemd om den overvloed en de goede

hoedanigheid van de visch. Overigens levert het Bovenmeer overal veel

visch; de forel komt er veel voor en men vischt er soms forellen

van vijf à zes pond. Dezen morgen hebben we in onze _dining-car_

heerlijke exemplaren gegeten.

De Nipigon-baai, die dan volgt, is ook schoon, met hare bazaltrotsen

en de rij schilderachtige eilandjes, langs den rand. Wij passeeren

langs eene ijzeren brug eene breede rivier, die na eene flauwe bocht,

in het Bovenmeer het water van het Nipigon-meer, uitstort. Dit meer,

behalve bij de geographen, aan weinig personen bekend, is toch

dertienmaal zoo groot als het meer van Genève. De oppervlakte wordt

geschat op 7500 vierk. kilometer. In dezen hoek van het amerikaansche

continent weet men inderdaad niet, welk der twee elementen, de aarde

of het water het in uitgestrektheid wint.

In die streken, ten noorden van het Bovenmeer gelegen, die zoo koud

zijn in den winter, dat de thermometer soms daalt tot op het vriespunt

van kwik, is de warmte in den zomer dikwijls drukkend. Wij kregen er

een staaltje van: des middags 27° in de schaduw, in den vollen wind.

Voorbij het station Nipigon verliest men het Bovenmeer uit het oog,

om het twee uren later bij de Donderbaai terug te vinden, die ook

weer evenals de vorige, zeer mooie punten aanbiedt.

We arriveeren om drie uur te Port-Arthur, 1600 kilometer van

Montreal. De eerste der drie groote secties van den weg is afgelegd;

we komen nu in de westelijke sectie. We moeten hier onze horloges

een uur achteruit zetten. Buitendien waarschuwen de uurwerken der

compagnie ons, dat we voortaan de dagen niet meer verdeelen in twee

helften, ieder van twaalf uren, maar dat de uren van middernacht tot

middernacht zullen worden gesteld in ééne rij van vier-en-twintig

uren; dus in plaats van twintig minuten over drie in den namiddag,

zeggen we vijftien uur twintig.

Port-Arthur, dat fraai gelegen is op den westelijken oever van de

Donderbaai, is in 1867 gesticht. Het is nog maar een klein stadje

van 5500 inwoners, maar bestemd om snelle vorderingen te maken,

want met het erbij gelegen plaatsje Port William is het een punt van

vertrek en aankomst van tallooze stoombooten en van eene geregelde

scheepvaartlijn, toebehoorende aan de C. P. R. Buiten haar net van

spoorwegen bezit de machtige compagnie uitmuntende en snelvarende

stoombooten, waarmee ze tweemaal 's weeks geregeld de gemeenschap

onderhoudt met Owen Sound, de haven van Toronto aan de George-baai.

Men ziet het, we zijn in de beschaafde wereld teruggekeerd; de

vlakte is overal bebouwd en heeft een kaal en eentonig voorkomen;

geen boomen brengen afwisseling en geen tuin omgeeft die kleine

houten huisjes, die alle aan elkaar gelijk zijn en verspreid liggen

over eene groote oppervlakte. Daarmee in tegenstelling zijn de ruime

magazijnen, de dokken, de aanlegplaatsen, de kolendepóts en groote

elevators, waarvan één, een reusachtig gevaarte, 1200000 schepel kan

bevatten. Alles duidt aan, dat de dag nabij is, waarop zich daar een

groote stad zal vertoonen, en waarop paleizen van marmer en graniet

de nederige hutjes van heden zullen vervangen. Zoo gaat het in Amerika!

We nemen in Port-Arthur eenige reizigers op. Gelukkig is het niet

de dag, die op de boot van Owen Sound correspondeert; want dan zou

onze _sleeping-car_ overvol zijn geworden. Een laatste groet aan

het Bovenmeer! De streek, die na Port William voor ons ligt, wordt

besproeid door de schoone, breede rivier Kaministiquia, welker oevers

we eenigen tijd volgen. Langzamerhand wordt het bouwland schaarscher;

de natuur herneemt een woest karakter. Tegen het vallen van den

avond passeeren we de waterscheiding tusschen het Bovenmeer en het

Winnipeg-meer, d.i. tusschen het bekken van de Sint-Laurens en dat

van de Hudsonsbaai.

27 Juli.--Van des morgens vijf uur af ben ik op mijn observatiepost

op het balkon van den wagen, ik wil het station Rat Portage niet

verzuimen, waar ik het beroemde Woudmeer zal kunnen zien. Het

landschap is allerliefst: veel mooie meertjes, onderling met elkaar

in gemeenschap staande, brengen afwisseling en maken, dat de Indianen

en de trappers van vroeger, met kleine draagplaatsen of _portages_

hier en daar er tusschen, in hunne booten van boomschors honderden,

ja duizenden mijlen konden afleggen.

In een zoo moerassig oord stuitte de aanleg van spoorwegen natuurlijk

op groote moeilijkheden. De grond is niets dan een wiegelende weide,

rustend op zware veenlagen. Om den weg te leggen op voldoend vasten

bodem, moesten er enorme hoeveelheden aarde en steenen worden

aangevoerd, die in de modder verzonken zonder merkbaar gevolg.

Wat het Woudmeer aangaat, het is een vrij groot zoet waterbekken

met eenen omtrek van 640 kilometer; men krijgt er echter geen goed

overzicht van door de ontelbare eilandjes, die boven het ondiepe

water uitkomen.

Nu betreden wij Manitoba. De dennen, die al kleiner worden, verdwijnen

ten laatste geheel. Men merkt, dat men de prairie nadert; de grond is

donker en veelal bebouwd; groote kudden doen zich te goed aan groene

weiden. Daar is de Roode Rivier: we steken die over langs een mooie

ijzeren brug en om kwartier over tien, juist den aangegeven tijd,

komen we bij 't station Winnipeg, 2292 kilometer van Montreal. De

tijdcirkel bepaalt het vertrek op 14.20 uur: dus heb ik nu de vrije

beschikking over vier uren.

Winnipeg is, na Ottawa, de volkrijkste stad van de groote lijn

tusschen Montreal en de kust der Stille Zuidzee. Ze ligt aan de

samenvloeiing van de Roode Rivier en de Assiniboine en is als

Fort Garry langen tijd de stapelplaats en zetel geweest van de

Hudsonsbaai-compagnie. Nu is het de hoofdstad van Manitoba, en het

neemt onder de steden der _Dominion_, met zijne 30000 inwoners,

den zevenden rang in. De hoofdstraat, waarop de andere rechtlijnige

straten uitkomen, is buitengewoon breed, geplaveid met boomstammen

en naar landsgebruik voorzien van houten trottoirs. Er zijn weelderig

ingerichte magazijnen en een zeker aantal mooie openbare en bijzondere

gebouwen. Het stadhuis is een monumentaal geheel, werkelijk een groote

stad waardig; een gedenkzuil staat er voor, opgericht ter eere van

de soldaten uit Canada, die in 1885 vielen in den strijd tegen de

kleurlingen van het Noordwesten.

Voor het eind dezer eeuw zal waarschijnlijk de bevolking van Winnipeg

het cijfer van 100000 inwoners hebben bereikt. De geographische

ligging, in het centrum van het land en te midden der vruchtbare

prairieën van het Noordwesten, verzekert aan de stad eene groote

toekomst. Wie weet, of niet te eeniger tijd Winnipeg voor Canada

de plaats zal innemen, die Chicago in de Vereenigde Staten

bekleedt? Aan den anderen kant der Roode Rivier ligt, ver uit

elkaar gebouwd, de fransche voorstad Saint-Boniface, residentie

van monseigneur Taché, het eerwaarde hoofd der katholieke kerk in

de noordwestelijke provinciën. Maar al is het fransche element het

talrijkst vertegenwoordigd op den rechteroever der Roode Rivier,

te Winnipeg en in 't overige Manitoba is dat niet het geval. Kort

voor ik er kwam, had het parlement der provincie een wet aangenomen,

die het onderwijs van de fransche taal op de scholen verbood. Ik

haast mij er bij te voegen, dat die wet, welke tegen den geest der

constitutie indruischte, algemeen protest heeft uitgelokt, zoowel

bij de Franschen als bij de liberale Engelschen.

Een zondag in een engelsch of amerikaansch land te moeten doorbrengen,

is noodlottig voor een reiziger. Te Winnipeg heb ik er weer de

ervaring van opgedaan. De trams rijden niet; een havelooze koetsier

biedt mij een rijtuig van betwistbare zindelijkheid aan, waarvoor

hij mij anderhalven dollar per uur vraagt, wat ik natuurlijk weiger.

Zoo zie ik mij genoodzaakt, bij een temperatuur van 31°, te voet

rond te loopen, als ik ten minste getrouw mijnen plicht als toerist

wil vervullen. Alle winkels zijn gesloten, maar daar luiken in

dit land onbekend zijn, kan men door de vensters de uitstallingen

waarnemen. Kooplieden en bedienden, allen ernstig in het zwart

gekleed, zitten voor hunne gesloten huisdeuren stil te rooken of te

pruimen. Herhaaldelijk vroeg ik, of ik iets kon koopen, dat ik met den

vinger aanwees, bijv. een pakje sigaren of tabak, en telkens ontving

ik slechts eene melancolieke, maar stellig weigerende hoofdschuddende

beweging tot antwoord. De honden zelfs schenen door hunne droevige

houding aan te toonen, dat het zondag was, en dat ze niet mochten

draven, of gekheid maken, of elkaar beleefdheden bewijzen als op

andere dagen.

Daar treft op eens een vroolijke fanfare, een helsche muziek van

trommels, cimbalen, fluiten en klaroenen mijn oor. Ik zie een

twintigtal mannen en vrouwen, oude vrouwen vooral, in fantastische

uniformen, met versnelden pas voorbijtrekken, de vlag voorop. Ze

maken deel uit van het Leger des heils. En dan te moeten bekennen,

dat die dwaze maskerade, het eenige vroolijke verschijnsel in mijn

bezoek aan Winnipeg, niet bij machte was, de stroeve aangezichten

van de enkele toeschouwers op straat te ontspannen!

't Is intusschen drukkend warm; de zon brandt op de stoffige en

te weinig beschaduwde straten der hoofdstad van Manitoba. Om geen

zonnesteek te krijgen, verschuil ik mij dan ook maar in een hôtel

bij 't station. Maar om een glas bier machtig te worden, moet ik een

krijgslist gebruiken. Van buiten gezien schijnt de _bar_ gesloten,

en werkelijk is de straatdeur dan ook hermetisch dicht. Doch er is

nog wel iets op te vinden. De ingewijden kennen den weg naar zeker

klein deurtje, dat tot het buffet toegang geeft. Daar zult ge verbaasd

zijn, in het half-duister een talrijk gezelschap aan te treffen,--wat

tot op zekere hoogte de stilte op straat verklaart--en men zal u er

alle dranken, die ge verlangt, verschaffen. Dat noemt men hier de

zondagsrust eerbiedigen!

Ten westen van Winnipeg gaat de weg, die in volkomen rechte lijn,

tot zoo ver het oog reikt, zich voortzet, door eene geheel vlakke

streek. We zijn in de zone van die prairieën, die bijna overal hebben

plaats gemaakt voor korenvelden, naar alle zijden zich uitstrekkend,

zonder een enkelen boom en zonder afsluitingen. Groote boerenhoeven

wijzen hier en daar op den rijkdom van dit deel van Manitoba, dat

met den staat Dacota, welks noordgrens niet ver is verwijderd, er

naar streeft, de korenschuur van Europa te worden. Duizenden mijlen

lang zal de streek zoo blijven: aangrijpend beeld voor de toekomst

van onzen landbouw!

Portage-la-Prairie, aan de rivier Assiniboine, is het eerste

belangrijke station en een der voornaamste marktplaatsen der

provincie. Men ziet er groote molens en reusachtige elevators.

Brandon, waar we 's avonds aankomen, bestaat reeds tien jaar; 't is

een stad met 6000 inwoners en de grootste korenmarkt van Manitoba. Daar

moeten we weer ons horloge een uur achteruit zetten. Men heeft er tien

minuten oponthoud. De dames uit de stad komen in groot toilet op het

perron van den spoorweg; 't is vandaag Zondag, en er zijn niet veel

publieke vermakelijkheden te Brandon!

Er zijn een massa reizigers bijgekomen. In de _parlour_ en den

rookwagen gaat het zeer levendig toe; misschen gedeeltelijk tengevolge

van de glazen whisky met apollinaris, waarop de heeren elkander

tracteeren. Het kleine badkamertje in onzen waggon dat ik nog niet

heb vermeld, schijnt nog meer te worden gebruikt voor die soort van

plengoffers, dan voor het doel, waartoe het werd bestemd.

28 Juli.--In den afgeloopen nacht zijn we Qu'appelle voorbijgegaan,

een groot dorp aan de rivier van dien naam.

Regina, waar we zeer vroeg aankomen, is de voornaamste stad aan de

Assiniboine, een der vier districten, waarin voorloopig het groote

Territorium van het noordwesten is verdeeld.

Het aantal inwoners van Regina, "de koningin der prairieën", is

nog niet meer dan 2200, en toch is het de zetel van de wetgevende

macht der staten van het Westen tusschen Manitoba en Columbia en het

hoofdbureau der rijdende politie. Dit keurcorps bestaat uit duizend

in den krijg geharde ruiters, en moet de grens der Vereenigde Staten

bewaken en de orde handhaven onder de blanken en de over groote

uitgestrektheden verspreide Indianen; meer nog, ze moet waken voor

de naleving der wet, die onder strenge strafbepalingen verbiedt,

aan de Indianen alcoholische dranken te verkoopen.

Van nu af zullen we telkens bij de stations Indianen aantreffen. In

dekens gewikkeld, zwijgend neergehurkt, zitten die arme menschen langs

de spoorweggebouwen en bieden aan de trein-passagiers buffelhorens

te koop aan, mooi opgewreven en kunstig aaneengehecht, of borduurwerk

van hun hand of andere kleine merkwaardige voorwerpen. Deze Indianen

zijn van den stam der Zwartvoeten, wier gereserveerd terrein langs

den spoorweg ligt.

Gisteren wees mijn thermometer in den namiddag 33° aan. Heden morgen is

de temperatuur zeer koel, maar alles voorspelt, dat we weer een warmen

dag zullen krijgen. In dezen tijd van het jaar bedraagt de dagelijksche

schommeling in de temperatuur wel 20 à 25 graden. Stellig ga ik mij

nooit in dit land vestigen, waar het 's nachts ijzig koud is, en dat

den ganschen dag, zonder eenige beschutting, aan een onverbiddelijke

bestraling door de zon is blootgesteld. Al voortgaande komen we

in eenzamer streken. De flauw golvende bodem brengt minder voort,

naarmate we hooger stijgen op het plateau, waarop we ons sedert

vier-en-twintig uren bevinden. In de inzinkingen van het terrein

ziet men hier en daar kleine meertjes, bedekt met eene zoutkorst,

die men in de verte voor ijs zou houden. Geen plantengroei is er te

zien dan geel, kort gras, waardoor de streek het voorkomen heeft van

een oneindig groot korenveld na den oogst.

Nu en dan vertoonen zich die zonderlinge kleine, dieren, bekend

onder den naam van prairiehonden, en eenige niet zeer wilde vogels,

waarop mijn reisgezelschap met steenworpen jacht maakt. Een voorraad

steenen hadden ze er voor meegenomen.

Nog slechts weinige jaren geleden zwierven buffels in ontelbare menigte

door ditzelfde land. Nu is er geen enkele meer; alle zijn door de

jagers uitgeroeid. Maar hunne sporen, die altijd in rechte lijnen

elkaar kruisen, zijn nog duidelijk zichtbaar. Hunne uitgebleekte

beenderen worden van heinde en ver bijeengebracht naar de buurt der

stations en op enorme hoopen geworpen, bestemd voor de fabricatie

van beenzwart.

Medicine Hat is, op een hoogte van 650 meter, mooi gelegen aan de

voor 't grootste gedeelte van haren loop bevaarbare Saskatchewan. De

veeteelt en de ontginning der steenkoolmijnen in de buurt beloven

veel voor de toekomst dezer stad.

In de prairie is de lucht zoo zuiver en zoo helder, dat de

zonsondergangen er bijna altijd wonderlijk schoon zijn. Hedenavond kon

ik evenmin als gisteren mij losrukken van het tooverachtig schouwspel,

dat de hemel aanbood, toen de laatste stralen der ondergaande zon

hem verlichten.

29 Juli.--Vijfde nacht. Bij mijn ontwaken voel ik mij even frisch en

wel als op den eersten dag. 't Is dan ook een feit, dat de veeren

der rijtuigen uitstekend zijn en de vaart niet zeer snel; dus is

de vermoeienis uiterst gering. Een opmerkenswaardig iets is, dat de

trein zoo weinig geraas maakt onderweg. Weinig of geen stoomgefluit;

men schreeuwt de namen der stations niet af; de trein staat stil, men

vertrekt weer, zonder dat iemand gewaarschuwd wordt. De stations,

voor 't grootste gedeelte oorspronkelijk in onbewoonde streken

gebouwd, staan vrij regelmatig op afstanden van 15 à 20 kilometer van

elkander, maar de trein staat slechts stil bij die, waar een signaal

is geheschen. Men hoort geen enkel bevel geven; geen stationschef of

beambte is te zien; ze zijn er echter wel, maar daar ze geen speciale

kleeding dragen, bemerkt men hunne tegenwoordigheid niet.

We hebben in onzen trein twee groote tweede-klassewagens

of emigrantenwaggons. Ze zijn gemakkelijk ingericht en het tarief

bedraagt ongeveer de helft van dat der eerste klasse. Elke passagier

heeft recht op eene legerstede zonder verhooging van den prijs,

en de compagnie verhuurt het beddegoed tegen matig tarief.

Van nacht zijn we Calgary voorbij gestoomd, een drukke markt uit

die streken en middelpunt van veeteelt. Het is de hoofdstad van het

district Alberta; de Cri-Indianen of Zwartvoeten bewonen verscheiden

_reservations_ in die streken. Toen het dag was, volgde het station

Morley en weldra zagen we de blauwe toppen van het Rotsgebergte aan

den horizon verschijnen. We gaan over eene breede rivier met helder

water en de trein stoomt een dal binnen, aan beide zijden omgeven door

kale, besneeuwde bergtoppen. Dennen verschijnen weer ten tooneele;

we hebben de eeuwige, eentonige prairie achter ons gelaten.

Bij het station Gap, 1264 meter hoog gelegen, wordt er een

_observation-car_ aan den trein gehecht, een aardige attentie van de

C. P. R. voor de beminnaars van natuurschoon. Het is een groot, aan

de zijden geheel open rijtuig, waarin men enkel een paar banken vindt,

en waar men een wandeling van een twintigtal schreden in kan doen.

Terwijl ik bij Canmore de schoone omtrekken van den Drie-Zusters-berg

bewonderde, zag ik twee jonge priesters, die zich in het Fransch met

elkaar onderhielden. Op reis maakt men spoedig kennis. Wij stelden

ons aan elkander voor. Zij waren dien nacht te Calgary in den trein

gekomen; de een, de heer Hyvernat, was professor aan de katholieke

hoogeschool te Washington en had met zijn vriend eene groote reis

gemaakt naar Aziatisch Turkije. Ze vertellen mij, dat ze plan hebben,

een dag te blijven in Banff en weten mij eindelijk over te halen,

mij bij hen te voegen, om een vluchtig bezoek te brengen aan het

Nationale Park in Canada.

Daar het hoofddoel van mijne reis Aljaska was, had ik regelrecht van

Montreal naar Victoria willen gaan. Daarom aarzelde ik eerst en nam

niet terstond het mij gedane vriendelijke voorstel aan, maar weldra

liet ik mij overreden. De tijd drong, want spoedig zonden we bij

het station zijn. Gelukkig, dat ik weinig bagage heb; ik pak alles

haastig in; laat een dollar glijden in de hand van den neger, die

voor mijn waggon zorgde en verbaasd was, dat ik zoo haastig vertrok,

en een paar minuten later, toen de trein zich in beweging zette om

zijnen weg te vervolgen, zat ik met mijne nieuwe reisgezellen in den

hôtel-omnibus. Ik had in éénen adem 106 uren afgelegd, het traject

van Montreal naar Banff, 3774 kilometer.

Het hotel, dat zeer geriefelijk, zelfs weelderig is ingericht, ligt

op een hoogte in een allerbekoorlijkste streek. Onze eerste zorg

na aankomst was, ons van een rijtuig te verzekeren, dat voor acht

dollars den geheelen dag te onzer beschikking bleef.

We hebben onzen tijd goed gebruikt. Eerst een uitstapje van drie uren

naar het Minnewasaka-meer, langs hoogten en laagten, door een prachtig

bosch, hier en daar door brand vernield, 't geen aan het werkelijk

grootsche landschap een melankoliek woest karakter verleende. Een

der merkwaardigste uitzichten op dien weg heeft men op de brug

over de Boogrivier. Na het lunch togen we naar de zwavelbronnen,

die op verschillende hoogte aan de oostzijde van den Stephenberg

ontspringen; bezochten de badinrichting en deden een langen rit langs

de rivier; namen bij een temperatuur van 33° een verkwikkend bad in een

natuurlijken vijver, zoo groot, dat men er kon zwemmen, en brachten ten

slotte een bezoek aan eene grot, waarin we ook een vijver aantroffen.

Na het diner gingen we te voet een schilderachtigen waterval in de

buurt zien, en besloten den interessanten dag op het terras bij

het hotel met een uitzicht, zoo schoon, als men zich nauwelijks

kan voorstellen.

Wat de talrijke gasten van het hotel betreft, we zagen hen alleen

op de uren der maaltijden. Al den overigen tijd scholen ze weg in

hunne verwarmde vertrekken, en ze schenen hierheen te zijn gekomen,

enkel om rustig in schommelstoelen te liggen. Bijna allen waren, ik

zal het niet behoeven te zeggen, Amerikanen uit de Vereenigde Staten.

30 Juli. Vertrek van Banff om 6.45. De weg langs de Boogrivier gaat

regelmatig omhoog door een dicht woud en loopt dan om een hoogen top,

den Castle Mountain, heen. Door de groote boomen heeft men prachtige

uitzichten op eene rij met sneeuw bedekte toppen.

Wij stijgen nog immer. Twee uren, nadat we Banff hebben verlaten, is

het hoogste punt van den overgang over het Rotsgebergte bereikt bij

het station Stephen, op eene hoogte van 1614 meter. Naar het Noorden,

2500 meter boven ons hoofd, verheft zich de blinkende top van den

Stephenberg, van waar een reusachtige gletscher neerdaalt; vóór ons

een minder hooge berg met getande toppen en aan onze voeten ligt een

meertje, welks stilstaand water van de pashoogte naar verkiezing kan

afvloeien in den Atlantischen en in den Stillen Oceaan.

Wat lager komt een bruisende stroom uit een ander meer te voorschijn;

het is de Kicking Horse, die zijne schuimende golven naar de Columbia

zal voeren.

De spoorlijn gaat bijna recht naar beneden en volgt steile

rotswanden en diepe kloven. Daar verrijzen de kolossale torens van den

Kathedraalberg, den spitsen top der Fieldketen en vervolgens komt het

station van denzelfden naam, waar de C. P. R. een aardig klein hotel

heeft laten bouwen, druk bezocht door liefhebbers der forellenvangst.

Het is tien uur; we houden er op, om te ontbijten, want de

restauratiewagens blijven aan den voet der bergen.

Van uit de vlakte naar den top moge de helling zacht glooiend zijn,

ze is daarentegen ontzettend steil aan de andere zijde. Het dalen

door de Wapta-kloof, waar de Kicking Horse door bruist, is bepaald

schrikwekkend. Over eene lengte van 75 kilometer kronkelt de spoorweg,

aan de uitstekende gedeelten der bergen gehecht en van den eenen

rotswand op den anderen springend, zich langs duizelingwekkende

afgronden, waar onstuimige wateren in de diepte bruisen.

Te Golden verlaat men eindelijk die verschrikkelijke, onvergetelijke

plaatsen. We zijn in het dal gekomen, dat het Rotsgebergte scheidt

van de Selkirk-keten. De hoogte bedraagt nog slechts 775 meter.

Grond- en zilvermijnen worden in de nabijheid ontgonnen. Wij gaan langs

den rechteroever van de rivier Columbia, die hier reeds voor kleine

stoombooten bevaarbaar is. Kort daarna houden we op te Donald, waar

de derde en laatste sectie van den Canada-spoorweg, 3930 kilometer van

Montreal verwijderd, begint. Het horloge weer een uur achteruit gezet.

Te Donald wordt een tweede locomotief aangehecht, want aan de overzijde

der Columbia, die we spoedig zullen oversteken, verrijst, evenwijdig

loopend met de hooge bergen, de lagere Selkirk-keten, niet minder

schilderachtig dan het eigenlijke Rotsgebergte.

Weldra begint de stijging. Door een prachtig bosch klimt de spoorweg,

zich links wendend, omhoog naar het dal van de Beaver. Daar verrijst

met zijne sneeuwvelden en groote gletschers, die naar de naburige

dalen afglijden, de Sir Donald, hoogste top der Selkirk-keten, 3244

meter hoog. Hem volgen andere toppen. Diepe kloven gaan we over langs

houten bruggen op palen, één, gebouwd boven eenen schuimenden waterval,

een andere, de langste van alle, over de Stony Creek, 90 meter boven

den stroom. Verderop wordt de kloof zoo nauw, dat de spoorweg zich

eenen weg moet banen door de rotsen en twee kilometers ver voortloopt

langs onpeilbare afgronden en loodrechte rotsmuren.

Daar komt de Rogerpas links, en rechts een rij besneeuwde

bergtoppen. Soms wordt ons het uitzicht belet door lange, houten

tunnels, ter bescherming tegen lawinen gebouwd.

De Selkirkketen, als scherm tusschen de stille Zuidzee en het

Rotsgebergte geplaatst, ontvangt veel meer regen dan het laatste;

daarom zijn de gletschers er grooter en dalen dieper in de vlakte

af. De boomgroei ontwikkelt zich hier met verbazende kracht. Dennen,

pijnboomen en ceders in dichte menigte trachten elkander te

overtreffen, en schijnen zich in den strijd om het bestaan te willen

meten met de bergtoppen die hen omringen. Ongelukkig worden die

edele bosschen, sinds de mensch hun domein heeft betreden, soms door

brand vernield; het vuur waaraan men geen paal en perk kan stellen,

verslindt geheele oppervlakten, en breidt zich soms weken aaneen over

honderden kilometers uit. De grootste stammen blijven half verkoold

staan, maar bijna alle zijn doodelijk getroffen.

Het hoogste punt in den overgang der Selkirkketen is bij 't station

Summit, 1415 meter hoog. Naar 't zuiden ziet men op 2500 meter

afstands de trappen van een reusachtig circus, waar een vijf- of

zestal gletschers in uitkomen, terwijl men de groenachtige spleten

in het ijs duidelijk kan onderscheiden.

De trein gaat weer dalen, en houdt na tallooze wendingen op bij

het station Glacier House, waar we dineeren in een mooi hotel,

als zwitsersch huisje gebouwd, dat door de compagnie is opgericht op

twintig minuten afstands van den grooten gletscher, wiens enorme massa,

omgeven door zwarte dennen, spiegelt en glanst in den zonneschijn.

Het dalen gaat sneller, en telkens zijn er wonderschoone uitzichten:

tallooze watervallen, door reuzenboomen omgeven; vreemde, smalle

waterloopen, bijna tot hun punt van uitgang terugkeerend; nauwe,

woeste bergengten met uitzichten op een wereld van gletschers

en sneeuwvelden. Op een bepaald punt van de helsche vaart is het

landschap zoo buitengewoon, zoo verheven in zijne grootschheid, dat

de trein eenige minuten ophoudt, om de reizigers in staat te stellen,

het kalm in oogenschouw te nemen.

Te Revelstoke komen we weer bij de oevers der Columbia; maar 't is

niet meer het riviertje, dat we vijf uren geleden overstaken; na

haren noordelijken omweg is de rivier een machtige stroom geworden,

en de brug, die ons er over leidt, is niet minder dan 250 meter lang.

De natuur is van aanzien veranderd. We komen nu in eene bekoorlijk

vruchtbare streek, afgewisseld door groote meren en doorsneden

door breede, rustig voortstroomende rivieren. In dit schoone, reeds

gedeeltelijk gekoloniseerde oord, gaan wij ter nachtrust, moe, maar

niet verzadigd van 't aanschouwen van zooveel wonderen.

31 Juli.--Bij 't opgaan der zon stoomt de trein langs de rivier de

Thomson, die zich bij 't station Lytton met de Frasersrivier vereenigt.

't Is of er na den dag van gisteren al heel weinig te zeggen valt

van de 250 kilometer, die mij nog resten, vóór ik de stille Zuidzee

bereik. Dat is toch niet waar; dit laatste gedeelte is ook zeer

belangwekkend, maar uit vrees, den lezer te vermoeien, wil ik trachten,

kort te zijn.

Aljaska en de Canada-spoorweg De Aarde en haar Volken, 1892 · 第 1 / 4 段