VI.

De oude gaditanes-dansen.—Martialis en de danseressen van

Cadix.—Telethusa.—De crotalogia.—De pandereta.—De Pavana.—De

Pasaralle.—De zarabanda.

Weinig vreemdelingen brengen eenigen tijd in de hoofdstad van Andalusië

door zonder de zoo geroemde dansen te hebben leeren kennen, die in het

zuiden van Spanje, meer dan ergens bij eenige natie, als het ware tot

het volksleven behooren. Reeds ten dage der Romeinen waren de

gaditanes, Gaditanas, even als de muzikanten uit Corduba, het

tegenwoordige Cordova, gezocht en beroemd. Ook de Basken, deze

oorspronkelijke bewoners van het iberische schiereiland, waren reeds in

de dagen der oudheid als hartstochtelijke dansers bekend. De dichter

Martialis, die zelve uit Spanje geboortig was (uit Bilbilis, het

hedendaagsche Calatayud), vergeet niet in een zijner epigrammen van de

verleidelijke gaditanes danseressen te gewagen, terwijl hij er

bijvoegt, dat in Rome de lions dier dagen aria’s mompelden, die in het

vroolijke Cadix, jocosæ Gades, werden gezongen. Uit de brieven van

Plinius den jongere weten wij, dat in Rome geen feest als welgelukt

werd beschouwd, als men daarbij geen oesters, zeldzame visschen en

gaditanische danseressen had.

Een duitsch schrijver, V. A. Huber, heeft in zijne schetsen uit Spanje

deze oude andalusische dansen „de poëzie van den wellust” gedoopt, en

deze benaming kan men ook op de hedendaagsche andalusische dansen

toepassen, die inderdaad veel op die der oudheid gelijken. Een

engelsche kunst-archeoloog beweert, dat de door Martialis geschetste

gaditanische danseres Telethusa waarschijnlijk voor het standbeeld der

Venus Callipygos als model gediend heeft.

Zelfs ten tijde der inquisitie konden geestelijken het wagen, boeken

over de spaansche dansen te schrijven. Zoo gaf b.v. een zekere pater

Marti in Alicante een verhandeling over de delicias gaditanas uit.

Meestal tracht men daarin het verband tusschen de dansen der oudheid en

die van onze dagen aan te toonen. Zoo vinden wij in de crissatura der

Romeinen den hedendaagschen menéo weder, in den lactisma den zapateado

of den taconeo. Ook de castagnetten liet men reeds vóór twee duizend

jaren bij den dans klikklakken. Zij behooren onmisbaar bij den

volksdans, en de crotalia der Ouden waren blijkbaar castañuelas: zij

bestonden uit twee holle stukken, die men tegen elkander sloeg, en

hoewel meestal van brons ook vaak van hout vervaardigd. In de dagen van

Trajanus, den Andalusiër, was het klikken met de castagnetten bij de

voorname romeinsche dames zeer geliefd; vaak lieten zij deze

instrumenten van kostbare paarlen, in den vorm van amandelen,

vervaardigen. Tracere crotalia, zooals Plinius ons leert, was een

tijdverdrijf dat sterk in den smaak viel. Ook de castagnetten hebben

eene eigene literatuur, en een voornaam werk daarover is in 1792 te

Madrid van de koninklijke drukkerij afkomstig: crotalogia of de

wetenschap der castagnetten getiteld, eene wetenschappelijke

handleiding om bij de bolero enz. met de castagnetten te spelen. De

titel vult een geheele bladzijde, en de schrijver was de licentiaat

Francisco Augustinus Florentio. Het boek heeft vijf drukken beleefd!

Maar de licentiaat werd hevig door zekeren Juanito Lopez Polinario

aangevallen, maar daarentegen ook schitterend gerechtvaardigd door don

Alejandro Moya, die een Triunfo de las castañuelas uitgaf. Florencio

brengt in zijn boek Christophorus Columbus en Galileï met de

castagnetten in verband; hij geeft een groot aantal regels op, en

beschrijft eene nieuwe soort van castagnetten, die hij zelf heeft

uitgevonden; gewaagt van de danseres Copa Syrisca, die, volgens

Virgilius, bij het geklikklak van dat instrument het schoone lichaam

allerbevalligst gedraaid had. Daarop zet hij uit elkaar, dat de

wetenschap zich in de volgende syllaben laat formuleeren: Tirira,

tirira, tirira, tirira, ti ta ti ta. Men moet echter daarbij „drie

crotalogische eenheden” in acht nemen, namelijk de eenheid van

handeling, van tijd en van plaats! Dit wordt uit Aristoteles bewezen.

Men heeft mannelijke en vrouwelijke castagnetten, machos y hembras; de

macho brengt den doffen, de hembra den helderen klank te weeg. De

licentiaat Florencio verzoekt aan het einde van zijn boek, op zijne

gezondheid vier seguidillas boleras te dansen.

Het is te bejammeren dat de diepzinnige schrijver van de Crotalogia

zijne geleerde pen ook niet gewijd heeft aan een ander instrument, dat

het in ouderdom niets toegeeft, en dat, zoo het al niet verplicht is

alle andalusische dansen te accompagneeren, er toch alleraangenaamst de

maat bij aangeeft; wij bedoelen de tamborijn, door de Spanjaarden el

pandero of la pandereta geheeten; het is volmaakt het tympanum der

Ouden, zoo als men dat instrument ziet hanteeren door een der komische

personages op het zoo bekende mozaïek van het napelsche museum.

Even als de Tamburello, zoo geliefd door de Minenti van Rome en de

jonge napolitaansche meisjes, is de spaansche pandereta, zoowel op het

hout als op het vel, met allerprachtigst schilderwerk versierd, waarbij

de schitterendste kleuren verre van gespaard zijn. Dit schilderwerk van

de hand van een of anderen populairen Velasquez stelt gewoonlijk een

Majo en een Maja in het rumbo kostuum voor, en den Malagueña del

torero, den jaleo de Jerez of eenige andere andalusische pas

uitvoerende. Strikken en linten—monas—verhoogen doorgaans nog den

algemeenen luister, en eenige ronde koperen plaatjes—sonajillas—hier en

daar tusschen het lint aangebracht, voegen hun klinklank bij het doffe

gegons, door den vinger van den virtuoos bij het wandelen over het bont

beschilderde perkament teweeggebracht.

Er is geen volksfeest, geen openbare vermakelijkheid, zoo op het veld

als in de stad, of het gonzen der pandereta treft uw oor; zelfs speelt

zij haar rol bij zekere godsdienstige feesten, zooals bij voorbeeld op

Kerstavond of op den avond van Sint Jan, de velada de san Juan, door

Sevilla zoo bij uitstek vroolijk gevierd.

Onder hen, die de pandereta het best weten te bespelen, moeten in de

eerste plaats die fantastische en zwervende studenten genoemd worden,

die Spanje als bedelaars doortrekken en in het land onder den naam van

Estudantes de la Tuna bekend zijn. Niets is vermakelijker dan deze

laatste vertegenwoordigers van het losbandige leven op hun geliefd

instrument de dolste variaties te hooren uitvoeren. Misschien hebben

wij later gelegenheid op deze vroolijke afstammelingen van Guzman van

Alfarasche terug te komen.

De pandero is dus wel, even als de castagnetten, een der cosas de

España. Ook is de spaansche taal allerrijkst, waar het de beide door

het volk zoo geliefkoosde muziekinstrumenten geldt: het woord

castañuelas heeft een aantal synoniemen: castañetas en palillos: zelfs

zegt men soms eenvoudig de lena, het hout. Men heeft ook het tamelijk

pronkende woord castañetear, dat zoo uitstekend het spelen met de

castagnetten aanduidt; ook wordt het gebezigd van iemand, die zijne

tanden laat klapperen terwijl hij van koude bibbert. Als iemand de

knieën buitenwaarts gebogen heeft en zij onder het loopen tegen

elkander knikken, zegt men in Spanje: hij speelt met de castagnetten!

En wanneer men van iemand wil spreken van een levendigen en luchtigen

aard, vergelijkt men hem bij een castagnette—Como una castañuela—zegt

het spreekwoord.

En zoo levert ook de pandereta haar contingent aan de spaansche taal;

maar wij willen het bij deze verzekering laten en liever zeggen, dat

het aan spreekwoorden zoo rijke Spanje er ook een groot aantal aan dit

instrument heeft ontleend: de zot die veel praat om niets te zeggen, is

een pandero; esta el pandero en manos que lo sabran bien tocar is een

spreekwoordelijk gezegde, hetwelk beteekent dat men vertrouwen kan

stellen in den persoon aan wien men het een of ander heeft opgedragen,

en dat hij in staat is er met eer af te komen.

Vraagt men ons wat er in de middeleeuwen van de nationale spaansche

dansen geworden is, dan kan men daarop slechts antwoorden, dat men

hieromtrent slechts zeer weinig weet. „Het laat zich gissen,” zegt de

beroemde Jovellanos in zijn verhandeling over de openbare

vermakelijkheden, „dat de volksuitspanning bij uitnemendheid tijdens

den inval der Arabieren in Astrië bleef voortleven.” Zeker is het dat

de spaansche Juglares en Trovadores der middeleeuwen, onder andere

poëzie, ook Baladas en Danzas vervaardigden, en onder de dansen van dat

tijdperk kan men er een aanhalen, namelijk dien van den Rey don Alonso

el Bueno, wiens naam aantoont dat deze dans waarschijnlijk ten tijde

van dien vorst, dat is te zeggen in de twaalfde eeuw, moet bestaan

hebben.

Onder de oudste dansen moet nog de Turdion genoemd worden, waarbij men

zich aan tallooze verdraaiingen der ledematen overgaf. Ook had men de

Gibadina, welke naam zooveel beteekent als dans der gebochelde, en

waaromtrent het ons aan bijzonderheden mangelt; hetzelfde geldt van den

Piedegibao, of letterlijk Voet van den bochel. De Madama Orliens was,

in weerwil van zijn misvormde spelling, blijkbaar aldus genoemd naar

den naam eener prinses uit het huis van Orleans; de Alemanda, zooals de

naam aanduidt, was oorspronkelijk uit Duitschland.

De Alemanda en de Gibadina waren nog in de zestiende eeuw in de mode.

Nochtans klaagt de beroemde Lope de Vega, in zijn blijspel la Dorotea,

dat deze dansen even als een aantal andere hoe langer zoo meer in

onbruik geraken. De Pavana was toen het meest in zwang; weldra

verspreidde deze dans zich in Frankrijk en Italië, waar hij, even als

in andere gedeelten van Europa, vrij lang in de mode bleef.

De Pavana had waarschijnlijk veel overeenkomst met de menuet en andere

daarnaar gevolgde dansen. De naam is blijkbaar afkomstig van het woord

pavo, hetwelk in het spaansch een pauw beteekent, omdat de dansers „de

een om den ander draaiden even als de pauw om zijn staart,” zooals

zeker spaansch schrijver zich uitdrukt. Men moet echter niet vergeten

dat enkelen aan de pavana een italiaansche afkomst toeschrijven.

Eenigen beweren inderdaad dat deze dans te Padua werd uitgevonden en

dat de naam een samenvatting is van Padovana (paduaansche).

Een andere spaansche dans, die in de veertiende eeuw zeer beroemd was,

is de Pasacalle. De Pasacalle, hetgeen letterlijk wandeling door de

straat beteekent, werd dus genoemd omdat de jongelieden die in den

aanvang des nachts in de straten dansten. Eindelijk werd deze dans

alleen op het tooneel uitgevoerd. In Spanje was hij zoo geliefd, dat

het aan waanzinnigheid grensde; dit was eveneens het geval in Italië,

waar een aantal componisten hun talent op dat thema beproefden, en ook

in Frankrijk beleefde de Pasacalle heerlijke dagen onder den naam van

Passacaille, hetgeen hetzelfde, maar op zijn spaansch uitgesproken,

beteekent.

De Folias ontleenen haar naam aan een oud spaansch woord, synoniem met

het fransche folie (dwaasheid)—de Spanjaarden zeggen tegenwoordig

locura. Eenigen zijn van meening dat deze dans oorspronkelijk in

Turkije tehuis behoort, maar zeker is het dat hij reeds in zeer oude

tijden in Spanje bekend was. Het schijnt dat het een der bevalligste

dansen was die men zien kon; soms danste men dien alleen; wederom op

een anderen tijd met zijn beiden, op de muziek der fluit, terwijl men

zich met de castagnetten accompagneerde; de beweging was langzaam en

deftig; straks bezield en vlug. Men zegt dat Peter I, koning van

Portugal, zoo op de Folias gesteld was, „dat hij dikwijls geheele

nachten dansende doorbracht met zijne kinderen en de lieden, die hij

met zijn tamelijk woeste vriendschap verwaardigde.”

De Chacona werd ongetwijfeld aldus genoemd naar zijn uitvinder, want de

naam van Chacon is in Spanje geen zeldzaamheid.

In de zestiende eeuw, maakte men in Spanje onderscheid tusschen de

Dansas en de Bayles, zooals ons blijkt uit de geschriften van Gonzalez

de Salas, een geleerde der zeventiende eeuw, die over de spaansche

muziek heeft geschreven: de Dansas bestonden in deftige en afgemeten

passen, waarin met uitsluiting der armen, de beenen alleen een rol

speelden; de Bayles daarentegen lieten de vrije bewegingen van armen en

beenen en een grootere losheid van het lichaam toe. Van de oude bayles

zijn de meeste thans in zwang zijnde spaansche dansen afgeleid.

Eenige Bayles, dat wil zeggen lichte dansen, grensden, naar het

schijnt, soms aan het onwelvoegelijke; ook gaf men hun den naam van

Bayles picarescos [3] of ondeugende dansen. Onder de dansen van dien

aard noemt men el Escarraman, die een poos lang opgang maakte, maar

niet eens zooveel naam verwierf als de beruchte sarabanda, door den

priester Mariana el pestifero bayle de la Zarabanda geheeten. De

beroemde geschiedschrijver beweert, om zijne woorden te staven, dat

deze dans alleen meer kwaad dan de pest heeft gesticht.

Verscheidene spaansche schrijvers van de zestiende eeuw hebben

verhandelingen over den oorsprong der Sarabanda uitgegeven; zeker is

het dat deze dans in 1588 in de mode kwam. Men wil dat hij het eerst te

Sevilla werd uitgevoerd door eene andalusische danseres, waaraan een

dier schrijvers den naam van baladine: een duivelin van een vrouw—Una

histriona, un demonio de muger geeft.

Zeker is het dat de invoering van geen enkelen nieuwen dans zooveel

vloeken en verwenschingen uitlokte als deze. De schrijver van een

manuscript der koninklijke bibliotheek van Madrid gewaagt van een

Jacara of volksliedje, in 1558 uitgegeven, en dat in dien tijd veel

gezongen werd onder den titel van: la Vida de la Zarabanda ramera

publica del Guycan, dat wil zeggen: het leven van de Sarabande, een

vrouw van slechte zeden van Guycan, ongetwijfeld een zinspeling op de

meening dat deze dans uit Amerika afkomstig was.

De etymologie van het woord sarabanda heeft den geleerden veel werk

verschaft. Ménage wil, dat het afkomt van een instrument, hetwelk

diende om de coplas de Sarabanda, of coupletten die men bij dezen dans

zong, te accompagneeren; Daniël Huet, de beroemde bisschop van

Arranches, laat dien afleiden van de Sirventes der middeleeuwen;

Covarrubias beweert, in zijn Schat der Kastiliaansche taal, dat het

ontleend is aan het hebreeuwsche woord Zara, hetwelk beteekent al

draaiende loopen, omdat, zegt hij, de vrouw die de sarabande uitvoert

zich nu eens naar de eene, straks naar de andere zijde keert, en zij

het tooneel zoolang in alle richtingen rondloopt, tot dat zij als het

ware de toeschouwers heeft genoodzaakt hare bewegingen te volgen, hunne

plaats te verlaten en ook aan het dansen te gaan.

Anderen beweren dat de sarabande haar naam ontleent van het perzische

woord serbend, of van de stad Samarcand; de kanunnik Fernandez van

Cordova bevestigt dat de beroemde dans der oude gaditanes slecht

opgerakeld en naar den nieuwerwetschen smaak is geregeld. Op eenige

uitzonderingen na werd de sarabande nooit dan door vrouwen gedanst.

Deze dans werd even als de hedendaagsche andalusische dansen het meest

uitgevoerd op den klank der gitaar. Dit instrument was in de zestiende

eeuw in Spanje evenzeer in zwang als op dezen oogenblik.

„Tegenwoordig,” zegt Covarrubias, „speelt men er zoo gemakkelijk op,

vooral wanneer het om het dansen van den rasgado [4] te doen is, dat er

geen staljongen leeft of hij is een virtuoos op de gitaar.”

Andere instrumenten, zooals de fluiten en de harpen, paarden zich soms

met de gitaar en accompagneerden den zang tegelijk met den dans. Men

had baylarinas die knap genoeg waren om den dans uit te voeren, terwijl

zij tevens coplas de Zarabanda zongen, waarbij zij zich met de gitaar

accompagneerden. Volgens de verzekering van Gonzalez waren deze zeer

gewild.

De liederen, waarmede men de sarabande accompagneerde, hadden

verschillende namen, zooals Jacaras, Letrillas, Romances, Villancicos

enz. Deze volkspoëzie, waarvan een goed deel tot ons is gekomen, had

geen bepaalden vorm, en, over het algemeen werd haar doel slechts door

het referein aangegeven, dat soms bij iedere strophe werd herhaald.

De dansen in denzelfden geest door de sarabande in het leven geroepen,

zijn zeer talrijk. Behalve de Escarraman en de Chacona zouden wij er

nog wel een paar dozijn kunnen opnoemen, maar de opsomming er van zou

weinigen bevredigen; daarom willen wij liever nog even gewagen van den

bevalligen fandango, waarvan een schrijver uit de dagen der restauratie

zegt, dat hij waardig is om te Paphos of Knidus in den tempel van Venus

te worden uitgevoerd. De nationale muziek van den fandango

electriseert, treft, bezielt alle harten: vrouwen, meisjes,

jongelieden, grijsaards, alles schijnt van nieuw leven doordrongen,

allen herhalen dat air dat zoo machtig op de ooren en den geest eens

Spanjaards werkt. De dansers vliegen naar de ruimte; de een met

castagnetten gewapend, de ander, terwijl hij het geluid er van op zijne

vingers nabootst; de vrouwen vooral onderscheiden zich door hare

mollige, vlugge en langzame bewegingen en het wulpsche harer passen;

met veel juistheid slaan zij de maat, terwijl zij met hare hielen op

den grond stampen. De beide dansers hitsen elkander aan, vluchten en

vervolgen elkaar op hunne beurt; dikwijls komt het u voor, dat de vrouw

door een kwijnenden blik, door den gloed die uit hare oogen straalt,

hare nederlaag aankondigt. De gelieven schijnen op het punt elkander in

de armen te vallen, maar eensklaps houdt de muziek op, en de kunst van

den danser bestaat daarin dat hij als een zoutpilaar staan blijft; als

het orchest op nieuw begint te spelen, herleeft de fandango eveneens.

Eindelijk maken de gitaar, de violen, het gestamp met de hielen

(taconeos) het geklikklak der castagnetten en der vingers, de mollige

en wellustige bewegingen der dansenden, dat de verzamelde menigte als

het ware van krankzinnige vreugde overmeesterd wordt.

Omwandelingen door een gedeelte van Spanje De Aarde en haar volken, 1868 · 第 10 / 12 题