De academias de baile, of dansscholen.—Een verleidelijk affiche:
het Salon del recreo.—De bailes de palillos.—De aankomst der
boleras.—La boleras robadas.—De ververschingen.—La Campanera danst
den Jaleo de Jerez.—De Engelschman, de zakdoek en de durillo.—De
cantadotes.—De coplas de baile.—De Vito Sevillano.
Geen vreemdeling vertoeft eenigen tijd in de hoofdstad van Andalusië,
zonder het verlangen te koesteren deze zoo beroemde dansen te leeren
kennen. In den schouwburg gebeurt het slechts zelden dat de
voorstelling niet wordt besloten met den baile nacional, het ballet,
dat aan den avond het pikantste geeft en dikwijls veel beter is dan het
blijspel of het drama; ook zeide men eertijds dat de dans de saus van
de komedie—la salsa de la comedia—was.
Maar naast deze theatrale dansen heeft men de populaire dansen, die
welke men op feestdagen ziet in de taveernen der stad of der
voorsteden; en eindelijk de bals, die men van tijd tot tijd in zekere
etablissementen geeft, welke den titel voeren van academies of
dansscholen, en wier directeurs nooit in gebreke blijven het programma
van zulk een bal in de hôtels en de casas de huespedes te zenden.
Op zekeren morgen stelde men ons een prachtig, op rosé papier gedrukt
affiche ter hand. Het behelsde de aankondiging van een bal door Louis
Botella, den directeur eener academia de baile, te geven. Dit
gedeeltelijk in het fransch, gedeeltelijk in het spaansch opgestelde
bericht bevatte de verleidelijkste beloften waaraan het onmogelijk was
weerstand te bieden, zoodat wij des avonds omstreeks half negen uren
onzen weg naar de academia de baile namen. In de calle de Tarifa
beklommen wij in het eerste huis aan onze rechterhand een steilen en
smallen trap, ter nauwernood door het twijfelachtige schijnsel van een
aan den muur bevestigden ijzeren candil verlicht, en kwamen op de
tweede verdieping, waar zich het „salon del recreo,” het beroemdste der
stad, zooals de aankondiging luidde, bevond.
Bedoeld salon, door den eigenaar met den weidschen naam van academie
betiteld, was slechts een vrij groot, vierkant vertrek, welks decoratie
en meublement aan de eenvoudigheid der eerste eeuwen deed denken. Wij
waren de eersten en wij konden het geheel op ons gemak opnemen.
Vier van die groote met matten zittingen bekleede canapés, in Andalusië
zoo gewoon, en langs de wanden der zaal geplaatst, benevens eenige
stoelen van hetzelfde allooi, waarvan sommigen voor de boleras bestemd
waren, maakten het geheele meublement van het salon uit: de vensters
waren zediglijk met witte katoenen gordijnen met roode en gele randen
behangen. Aan de witte muren hingen eenige teekeningen, andalusische
dansen voorstellende of daarop betrekking hebbende, in geverniste
dennenhouten lijsten. Eer de boleras opdaagden, hadden wij den tijd een
aantal dezer schitterend gekleurde lithographieën op te nemen, de Polo
de contrabandista de Malagueña del Sorero en andere beroemde passen
voorstellende; het waren meesterstukken uit de fabriek van Mitjana van
Malaga afkomstig, tot versiering van de tot uitvoer bestemde doozen met
gedroogde rozijnen. De galerij bestond nog uit eenige portretten van
beroemde danseressen, zoo als la Perla, Aurora la Cujini, la Nena en
andere bailadoras, wier naam in de jaarboeken der spaansche danskunst
met roem staat opgeteekend. Maar het kapitale stuk, dat terecht de
eereplaats innam, was de teekening van een kunstenaar der stad, die met
naïeve waarheid het portret van den directeur der academie had
vervaardigd, en wel in het groot costuum van den bolero en tevens in de
meest zegevierende houding van den jaleo de Jerez.
Terwijl wij in gesprek waren met den heer des huizes,—dueño de la casa,
zagen wij achtereenvolgens een aantal bezoekers opdagen, allen
liefhebbers, die meerendeels den korten zwarten pantalon en den
marsille of het korte andalusische vest droegen. Het waren bijna allen
werklieden, want de lieden uit de hoogere klasse wonen slechts zeer
zelden de bailes de palillos, dat wil zeggen de bals met castagnetten,
bij. Vervolgens kwamen allerhande vreemdelingen: Duitschers,
Engelschen, Franschen en Russen, vergezeld door eenige dames, die de
nieuwsgierigheid herwaarts had gedreven; daarna een ciego of blinde,
door een twaalfjarigen knaap begeleid en met een viool onder den arm;
deze ciego maakte het geheele orchest van den baile uit.
Don Louis Botella, ziende dat zijn salon zoetjes aan vol werd, verliet
ons, om eens hoogte van de ontvangst te gaan nemen; men betaalt zijn
plaats in de esculeas de baile; de prijs verschilt al naar de lieden er
uitzien, van vier tot twintig realen. Daarna ontving hij de
binnenkomenden en draaide het licht op, dat begon te verflauwen; deze
verlichting bestond uit zes of acht lampen, die aan den muur tusschen
de door ons bewonderde prenten hingen. Het werd tijd, want reeds
hoorden wij op de trap een gemengd gedruisch van vrouwenstemmen, gelach
en castagnetten, gepaard met een geruisch van zijde en van gaas. Weldra
traden, met de losheid andalusische boleras eigen, zes danseressen met
satijn geschoeid en in het klassieke costuum, dat iedereen kent,
gekleed, binnen; zij werden vergezeld door eenige in zwarte mantilles
gehulde oude vrouwen, die allerhande kledingstukken op den arm hadden;
maar eenige oogenblikken later zagen wij een nieuw paar binnenkomen,
dat zich waarschijnlijk niet met de anderen wilde vermengen: het was
eene jonge bolera met een tartan over de schouders en in een gesteven
japon, vergezeld door een zeer bruine oude vrouw, die met haar rood en
harig gelaat er alles behalve innemend uitzag. Het was waarschijnlijk
de moeder der bolera.
Dejad paso à las balaidoras! (maakt plaats voor de danseressen!) riep
met een bevelende stem de maestro de baile.
Het corps de ballet, majestueus door de menigte heen dringende,
doorkruiste het salon in zijne volle lengte en bleef aan het einde
stilstaan, waar eenige handdrukken gewisseld werden met de aficionados,
een gemeenzaamheid, die slechts de habitués zich mogen veroorloven.
Intusschen liep de directeur met de grootste bedrijvigheid links en
rechts, om zijn publiek te doen plaats nemen, wel zorg dragende dat hij
de beste stoelen voor drie vreemdelingen hield, welke, daar zij bij het
binnenkomen een duro hadden betaald, hem voorkwamen personages de
campanillas, voorname lieden, te zijn. Een zeker aantal Russen en
Inglis-manglis, wier allervreemdst voorkomen hun vrij wat beleefdheden
van den directeur bezorgde, namen, vol ongeduld om den dans te zien
beginnen, op den eersten rang plaats. Wat de Andalusiërs betreft, deze
bleven meerendeels staan, zoo als past aan lieden, die slechts half
geld of in het geheel niet betaald hebben.
Inmiddels begon de blinde vioolspeler de eerste noten van het air der
boleras robadas aan te geven; twee danseressen hadden reeds tegenover
elkander plaats genomen, met de punt van den rechter voet vooruit en
het bovenlijf links op zijde gebogen; vervolgens eene beweging makende,
de boleras van beroep eigen, haalden zij met hare handen de zijden
koorden van den ring aan, waarmede de ivoren castagnetten aan hare
duimen bevestigd zijn. Het geklikklak der castagnetten deed zich
hooren, en de beide danseressen volbrachten haar bevalligen en vluggen
dans, onder de toejuiching van de geheele vergadering.
—Alza, Morenita! zeide de maestro, terwijl hij zich tot de jongste der
beide danseressen wendde, wier zwarte haren en amberkleurige tint haar
bijnaam volkomen rechtvaardigen.
—Jui Jerezana! Anda salero! liet de groep aficionados er op hooren,
terwijl deze met stem en handen de metgezellin der Morenita, een bruin
en stevig meisje van Jerez de la Frontera, aanmoedigden.
De beide bailarinas, opgewekt door het handgeklap en de bewonderende
uitdrukking der vergadering, dansten nog eens zoo levendig en maakten,
na verloop van eenige minuten, plaats voor een nieuw paar, dat op hare
beurt weder door twee andere danseressen vervangen werd. De Morenita en
de Jerezana kwamen vervolgens weder op het tapijt, terwijl ieder harer
gezellinnen eveneens beurtelings verdween, om, na verloop van een
oogenblik, andermaal te verschijnen. Aldus eindigde de eerste dans,
boleras robadas geheeten, terwijl ieder zich uit de voeten maakte, om
een oogenblik later weder zijn plaats in te nemen.
De toeschouwers naderden de boleras om haar hun compliment te maken, en
aanstonds kwamen de in het zwart gekleede duegna’s opzetten en wierpen
de tartans, die zij op den arm hadden, over de schouders der arme
danseressen; want deze hijgden naar adem en waren doodaf. Zij begaven
zich naar een aangrenzend vertrekje, waarin wij nog geen voet gezet
hadden: wij volgden haar derwaarts en vonden er een tafel met allerlei
suikergoed en ververschingen beladen: dat was het buffet, ongetwijfeld
door een agent van den maestro de baile gehouden. Wij boden de boleras
dulces aan, die zij gretig aannamen.
Het is bekend dat de andalusische dames verzot zijn op suikergoed: het
corps de ballet gaf er ons een nieuw bewijs van, terwijl het in één
oogenblik een aanzienlijke hoeveelheid dulces de yema, sorbetes en
andere ververschingen deed verdwijnen, waaraan zij groote behoefte
hadden.
De Russen en de Inglis-manglis kwamen nu ook opzetten en wilden van hun
kant haar ook dulces aanbieden, die met even weinig complimenten werden
aangenomen als de onze, en dat verzwelgen van confituren begon van
nieuws af aan. Waarschijnlijk zou er zoo spoedig geen eind aan zijn
gekomen, als de komst van het eerste sujet niet door een groot rumoer
ware aangekondigd.
De Campanera, een groote, slanke brunette, trad met het grootste gemak
en de volmaaktste ongedwongenheid binnen; de stoutmoedigheid die zij
verried, wetende hoe zeker zij van haar zaak was, had ons bijna op de
gedachte gebracht van die spaansche danseres „met castagnetten en
onbeschaamdheid gewapend”, waarvan Gramont in zijne gedenkschriften
gewaagt. Voor ruim twaalf jaar hadden wij de Campanera voor het eerst
zien dansen; zij was dus geen debutante, maar de kunst verving bij haar
de verdwijnende jeugd. Slechts weinig vreemdelingen hebben, tijdens hun
verblijf te Sevilla, de gelegenheid gemist de Campanera te zien, hetzij
in den schouwburg, hetzij in de escuela de baile, of wel bij een bezoek
aan de Giralda; want de danseres bewoonde toen den toren der hoofdkerk
met den klokkeluider, haar vader,—el campanero, een in alle opzichten
braaf man.
De Campanera plaatste zich alleen midden in den kring om den Jaleo de
Jerez te dansen, waarvan zij de eerste mudanzas (figuren) met veel brio
uitvoerde, zoo goed mogelijk geaccompagneerd door den armen ciego, die
nu en dan een beetje uit de maat geraakte. Dewijl hij daarenboven
tamelijk valsch speelde, hoorde men mompelen, en daartusschen ook het
geroep van: „Fuera el violin! Venga la guitarra!” De Andalusiërs wilden
geen viool meer: zij riepen met geweld om de gitaar; maar wat te doen?
De officieele guitarrero, dien men overal zocht, was er nog niet.
Inmiddels had de blinde, door zijn gering succes ontmoedigd, opgehouden
te spelen en de Campanera stond eensklaps onbewegelijk stil.
Wij kwamen toen op den inval, den ciego zijn instrument te vragen voor
een aficionado, die aanbood hem een oogenblik te vervangen; hij scheen
recht in zijn schik van de zaak af te komen, en weldra speelde een
onzer den Jaleo, ik durf zeggen, met groot talent; want de Campanera,
door het spel aangevuurd, danste het slot van den Jaleo de Jerez onder
het uitbundig gejuich der menigte, waarvan ook een gedeelte aan den
geïmproviseerden vioolspeler toekwam. Toch verloor de bolera het hoofd
te midden van haar zegepraal niet: zij sloeg een blik op een lange
figuur met groote rosachtige bakkebaarden, die ons toescheen een
Engelschman te zijn, en na voor hem eenige passen gedanst te hebben,
die zij met hare bevalligste glimlachjes accompagneerde, wierp zij hem,
terwijl zij zich verwijderde, een geborduurden zakdoek toe.
De Engelschman bekeek dien aan alle kanten en zag ons met een
verbaasden blik aan; wij legden hem uit, dat, als de Jaleo is
afgedanst, de andalusische danseresse, even als de indische bayaderen,
de gewoonte hadden haar zakdoek aan een der toeschouwers, die door haar
was opgemerkt, toe te werpen, en dat deze, in ruil voor zulk een
vleiende onderscheiding, haar dien gewoonlijk teruggaf met een in een
der hoeken geknoopten durillo. De Engelschman deed gewillig wat wij hem
zeiden, en de Campanera, na het goudstukje te hebben opgestoken,
bedankte hem door nog eenige passen voor hem uit te voeren.
De zoo gewenschte guitarrero daagde eindelijk, in gezelschap van een
aantal cantadores, op: het was een mooie kerel van Sevilla, die het
andalusische costuum recht kranig droeg. Hij heette Enrique Prado, en
had een heerlijke stem, ofschoon hij, even als bijna alle Andalusiërs,
een weinig door den neus zong. Na een paar zeer origineele grepen in de
snaren, begon hij een paar in Andalusië populaire coupletten of coplas
de baile te zingen, waarvan de vertaling luidt:
„De liefde ontstaat in het hart als een plant door de genegenheid
besproeid, maar de hardheid doet haar verkwijnen; als zij er wortel
schiet, en men haar uitrukt, neemt men een gedeelte der ziel mede.
„Gedachte, gij die sneller vliegt dan de vogel, breng dit souvenir aan
haar die gij kent, en zeg aan mijne liefste dat ik haar beeltenis draag
in mijn hart.”
Na dit couplet begonnen de dansen van nieuws af aan, en de voornaamste
boleras wilden zich in een solo onderscheiden; de boleras de Jaleo, de
mollares, de panderos en andere andalusische dansen werden uitgevoerd,
onder het accompagnement van gitaren en castagnetten, want ieder der
aficionados had, als een echte Andalusiër, zijn instrument bij zich.
Eindelijk scheidde men, en te huis gekomen, meenden wij den ganschen
nacht door in onzen slaap niets anders te hooren dan jaleos, boleras en
allerhande andalusische liederen, waaraan het verplichte accompagnement
niet ontbrak.
Een echte sevillasche dans, en die, even als de Zapateado, gewoonlijk
door eene vrouw alleen wordt gedanst, is de vito Sevillano, welks naam
waarschijnlijk van den heiligen Vitus afkomstig is. Er zijn weinig
dansen, waarvan de muziek zoo vroolijk en wegsleepend is als van dezen
door de majas van Sevilla zoo zeer gewilden dans, die er vermaak in
scheppen hem tusschen twee glazen andalusischen wijn uit te voeren in
de melonares of de cortijos, door den Guadalquivir besproeid.
Op zekeren dag door een onzer vrienden, een inwoner van Sevilla,
uitgenoodigd, zagen wij dien door eene der beroemdste balaidoras
dansen; wij kwamen te midden van een gezelschap terecht, waar het feest
der beide patronessen van Sevilla gevierd werd. Het ontbijt was juist
afgeloopen, en er was op de tafel niets overgebleven dan eenige glazen
wijn van een goudgele kleur. Encarnacion, dit was de naam van de maja,
die men had uitgenoodigd eens te dansen, klom langzaam op de tafel.
Aanstonds vernam men het geluid der guitaar, der castagnetten en der
panderos, en zij begon met bevalligheid en bewonderenswaardige
zekerheid te dansen, zonder een der verspreide en voor hare voeten
staande glazen aan te raken, terwijl een der majos daarbij een liedje
zong. Na hem herhaalden al de aanwezigen dit refrein in koor, terwijl
zij in de hand de maat sloegen.
Salero, Salero!
Arimeta acá,
Que vienne el torito,
Valiente estocáa!
„Bekoorlijke, bekoorlijke—nader mij—want hier is de stier;—de lange
stootdegen!”
Een ander vervolgde met dat geliefde couplet, waarin de vrouwen bij
verschillende metalen worden vergeleken.
„De jonge meisjes zijn van goud—de getrouwde vrouwen van zilver;—de
weduwen zijn van koper, en de oude vrouwen van blik.”
De danseres zette voortdurend haar dans tusschen de glazen voort, toen
zich een stem liet hooren:
Tire oste la caña! Tire oste la caña!
Tirar la caña, letterlijk vertaald het glas werpen, beteekent in
Andalusië een tour d’adresse, dien de danseres soms midden onder het
dansen uitvoert en daarin bestaat, dat zij met een snelle beweging een
caña, een glaasje, dat zich uitstekend voor dien tour leent, omhoog
werpt en den daarin aanwezigen wijn uitdrinkt.
Encarnation volbracht dit kunststuk allervoortreffelijkst zonder een
oogenblik uit de maat te geraken, en na in één teug de caña geledigd te
hebben, sprong zij even vlug van de tafel als zij er op was gestegen.
Wij hopen later met deze schetsen uit het volksleven voort te gaan.