V.

De godsdienstige feesten van Sevilla: de Pasos.—Judas

Iscarioth.—Jezus Nazareno del Grand Poder.—Een monsterkaars: de

Cirio Pascuel.—De Confradias; de Nazarenos, de Caperuzas.—De

Tinieblas en het Miserere in de kathedraal.—Het Monumento.—De

processiën van Goeden Vrijdag.—De stoet van den dood en de

grondvestiging der kerk.—De Paaschzondag.

De godsdienstige feesten van Sevilla, vooral die welke gedurende de

stille week plaats hebben, zijn de meest bezochte en merkwaardigste, en

kunnen met die te Rome worden vergeleken; in de eerste plaats verdienen

de Pasos te worden genoemd. Dit woord, hetwelk letterlijk een beeld van

den Heiland in zijne lijdensdagen beteekent, wordt algemeen gebruikt

van groepen houten beeldhouwwerk van natuurlijke grootte, die in de

kerken bewaard en, tijdens de Paaschweek, in processie door de straten

der stad rondgedragen worden.

Eertijds versmaadden de beroemdste spaansche beeldhouwers, zoo als

Becerra, Alonzo Cano Montanés en anderen, het snijden van Pasos niet;

in een aantal kerken worden deze beeldhouwwerken nog bewaard. In een

der benedenzalen van het Museum van Valladolid zagen wij een reeks van

deze in de zestiende eeuw gesneden figuren. Zij stelden, met het

allervreemdste realisme, een aantal personen uit het Lijden voor, in de

kleederdracht van den tijd: het is een der merkwaardigste oude Pasos,

die men zien kan.

Tegenwoordig nog worden de Pasos, als die van weleer uit hout gesneden

en beschilderd gelijk het beeldhouwwerk in de middeleeuwen; men heeft

daarvoor in al de groote steden van Spanje bijzondere

kunstenaars—pintores de esculturas, wier eenige bezigheid bestaat in

het schilderen van Pasos en andere godsdienstige beelden. Er bestaan

zekere overleveringen, die men, wat de kleuren der kleeding van de

verschillende personen betreft, zeer gestreng volgt: bijvoorbeeld die

van de Heilige Maagd zijn altijd blauw en wit, terwijl Johannes altijd

in het groen verschijnt. Judas Iscarioth, die dikwijls in de Pasos

voorkomt, waarbij hij natuurlijk de rol van verrader vervult, wordt

onveranderlijk met gele kleederen afgebeeld. Deze kleur is ongetwijfeld

gekozen ter herinnering aan een in de middeleeuwen in zwang zijnde wet,

waarbij den spaanschen Joden de verplichting werd opgelegd gele

kleederen te dragen; en men weet dat later het geel als kleur werd

aangenomen voor den San Benito, dat laatste en sombere kleed der door

de Inquisitie tot den brandstapel veroordeelden.

Jesus Nazareno del gran Poder, dat wil zeggen: Jezus de Nazarener van

groote macht, is een houten beeld, dat aan de St. Laurentiuskerk van

Sevilla toebehoort. Het heeft een grooten, zwart fluweelen, met goud en

zilver borduursel overladen rok aan; het groote kruis, dat het draagt,

is allerkeurigst bewerkt, en het uiterlijk van het beeld verraadt het

joodsche type. Het is in sterke tegenspraak met de opvatting der

moderne Nazarenerschool onder de schilders, die haar Christus gaarne

met zachte trekken en blonde lokken afbeeldt, hetgeen volstrekt niet

bij een semitisch gelaat uit Palestina past en in strijd met de

waarheid is. Aan weêrszijden staat een engel met een lantaarn. Deze

Christus wordt door de leden der in Sevilla zoo talrijke godsdienstige

broederschappen, cofradias, gedragen; deze lieden zijn echter achter

neerhangende tapijten verborgen, zoodat het is alsof het zware gevaarte

zich van zelve voortbewoog. Overigens moeten alle Pasos in de

Kathedraal een statie maken.

De groote feestelijkheden nemen op Palmzondag een aanvang: op dien dag

worden alle palmtakken in de Domkerk ingezegend. Ieder huis is met zulk

een tak versierd, want het volksgeloof wil dat het dan tegen het

inslaan van het onweder beveiligd is.

Het domkapittel van Sevilla stuurt ieder jaar palmtakken aan dat van

Toledo, en dit zendt daarentegen het voor den Cirio pascual, de

paaschkaars, benoodigde was. Deze kaars gelijkt op een mastboom, weegt

twintig centenaars, en is vijf-en-twintig voet hoog. De processies op

den Palmzondagmiddag zijn ware volksfeesten, en inderdaad zijn deze

vertooningen allerschilderachtigst. De tocht wordt altoos geopend door

den Paso van den Christus tusschen de beide moordenaars, en ook hier

ontbreken de groote lantarens niet. Vooraf gaat eene afdeeling

soldaten, daarna komt een banierdrager eener cofradia; daarachter

volgen boetelingen „Nazareners” in lange kleederen en met kappen, die

het gelaat bedekken. Deze „caperuza” is anderhalf el hoog, loopt spits

toe en gelijkt op het hoofddeksel, waarmede op oude schilderijen de

beoefenaars der zwarte kunst en geestenbezweerders zijn voorgesteld. De

rok heeft een sleep, die op straat over den rechter arm gedragen wordt.

De boeteling laat gaarne zijn helder witte kousen en schoenen met

zilveren gespen kijken.

Achter de hermanos mayores, de leden der grootere broederschappen,

komen de mozos del cordel, een soort van bedienden, en wel twee aan

twee; ieder draagt een mand met waskaarsen. Dat de geestelijkheid bij

de Pasos tegenwoordig is, spreekt van zelf, alsook dat er veel muziek

bij wordt gemaakt: het ontbreekt er niet bij aan aria’s en marschen uit

geliefkoosde opera’s. Des Maandags en Dinsdags hebben er geen groote

feestelijkheden plaats; daarentegen wordt des Woensdags in de

Kathedraal een groot voorhang gescheurd, en worden er, even als dat in

den schouwburg geschiedt, donder en bliksem nagebootst, om recht

aanschouwelijk te maken hoe het eens in den tempel te Jeruzalem is

toegegaan. Des namiddags trekken weder verscheidene Pasos door de stad,

en des avonds lokt de tinieblas (het voorstellen der duisternis) een

ieder naar de Kathedraal; dan wordt er een Miserere gezongen, dat wel

een uur lang duurt en zeer goed wordt uitgevoerd. De kerkmuziek van de

sevillasche Domkerk is beroemd.—Des Donderdags heerscht er nog meer

staatsie. Des morgens wijdt de aartsbisschop de heilige olie, en de

ongemeen talrijke geestelijkheid woont deze plechtigheid in hare

prachtigste en kostbaarste kleederen bij.

Als pronkstuk figureert het beroemde Monumento of Santissimo, zooals de

Spanjaarden zeggen, het heilige sacrament. Het is in de zestiende eeuw

door een italiaanschen kunstenaar vervaardigd, en stelt een kolossalen

houten tempel voor, die stuksgewijs uit elkander kan worden genomen.

Tot het opzetten er van worden niet minder dan drie weken vereischt.

Deze tempel heeft den vorm van een grieksch kruis, en bestaat uit vier

verdiepingen, die door dorische, iönische en korinthische zuilen

gedragen worden, en bevat een aantal kolossale beelden, Abraham,

Melchizedek, Aäron, Mozes en andere joden uit het Oude Testament

voorstellende; daarbij komen dan verscheidene Nieuw-testamentische

personen en allerlei heiligen.

Dat Monumento wordt in het Trascoro opgeslagen, de plaats achter het

koor, vlak boven het graf, waarin de zoon van Christophorus Columbus

rust. Als alle waskaarsen ontstoken zijn, maakt het geheel een

inderdaad betooverenden indruk. Aan het Monumento worden iederen dag

dertig centenaars was verbruikt, en het aantal kaarsen beloopt ongeveer

achthonderd.

Op Goeden Vrijdag spelen geen houten beelden, maar menschen van vleesch

en been de hoofdrol. Dan ziet men den levenden Dood; hij heeft een zeis

in de hand en zit op den aardbol, waarboven een kruis uitsteekt. Hem

volgen als engelen verkleede kinderen; de heilige Michaël is als

krijgsman uitgedost, en van een sabel voorzien; de „Schutsheilige”

leidt den „mensch” aan de hand; deze laatste wordt door een vierjarigen

knaap voorgesteld. De heilige Gabriël heeft een lelie; de heilige

Raphaël draagt een pelgrimskleed; in de eene hand heeft hij een staf,

in de andere een visch. Christus ligt in een glazen doodkist en deze

wordt weder door krijgslieden in romeinsche kleederdracht begeleid.

Daar achter gaan Maria, de heilige Johannes, Jozef van Arimathea,

Nicodemus en andere Nieuw-testamentische figuren. Het geheel doet aan

de mysteriën der middeleeuwen denken.

Des Zaterdags heeft er eene allegorische processie plaats; zij stelt de

grondvesting der Kerk voor. God de Vader zit op een wolkentroon, en

naast hem God de Zoon en God de Heilige Geest; uit de vijf wonden van

Christus vloeien even zoovele stralen bloed, die op de Kerk vallen, en

haar het leven schenken. De Kerk wordt door een jong meisje in

priestergewaad voorgesteld, hetgeen een zonderlingen indruk te weeg

brengt. Het Geloof, ook een jong meisje, knielt met geblinddoekte oogen

voor God den Vader.

Op Paaschzondag worden duizenden lammeren geslacht; des morgens loopt

een ieder naar de kerk, en des namiddags naar de stierengevechten. Men

hield ze dien dag ook op zijn portugeesch, en ofschoon vreemd, waren ze

er niet minder belangrijk om. Wij zagen een jeugdigen Espada twee dezer

dieren met eigen hand vellen. Na hem kwam een torero, die op stelten

liep en onder het gejubel der menigte ook eenige stieren doodde. Want

voor het spaansche publiek moet er bloed stroomen, al heeft het des

morgens gebeden, anders acht men het Paaschfeest goed gelukt noch

volmaakt.

Omwandelingen door een gedeelte van Spanje De Aarde en haar volken, 1868 · 第 9 / 12 题