De Fabrica de tabacos: de polvo sevillano.—De Cigarreras; de
Pureras.—De Capataz; de Maestras en de Capataza. De cigarros de
papel; de puros.—Het middagmaal der cigarreras; de
empapeladoras.—Het uitgaan der fabriek; wat werksters in het
privaatleven zijn; de relacion de las cigarreras.—Majas en Majos;
de gente de Cuerno.
Na het verlaten van la Caridad, begaven wij ons naar de Fabrica de
tabacos, of koninklijke tabaksfabriek, daarvan slechts door de
wandeling van Cristina gescheiden. Het is een reusachtig gebouw,
honderd zeventig ellen breed en ongeveer twee honderd ellen lang, in
1757 door een vreemden architect, Wandembor genaamd, in den rocaille
stijl opgetrokken. Bij het zien der breede en diepe grachten, die het
aan drie zijden omringen, zou men het eer voor een vesting of een
kazerne, dan voor een fabriek houden. Op den top van den gevel verheft
zich een beeld van de fama met de trompet aan den mond: het is
misschien een zinspeling op de beroemdheid van den spaanschen tabak.
Sedert het jaar 1620 is men te Sevilla begonnen den tabak te bewerken
onder het bestuur van een Armeniër, Jan Baptist Carrafa geheeten. De
spaansche tabak was eertijds door geheel de wereld beroemd, vooral de
snuiftabak, hier te lande onder den naam van polvo sevillano of
sevillaansche snuif bekend. In de vorige eeuw rookten de Spanjaarden
slechts zeer zelden, zooals Saint-Simon in zijne gedenkschriften
verzekert, en een rooker was toen inderdaad een wezenlijke
zeldzaamheid.
Zonder moeite kregen wij verlof de tabaksfabriek in al hare
bijzonderheden te bezichtigen: een capataz of meesterknecht geleidde
ons in de talrijke zalen der benedenverdieping, waar men de
verschillende soorten van tabaco de polvo of snuif, waaronder de meest
bekende el rapé heet, alsmede de tabaco picado, voornamelijk bestemd om
in cigaretten gerookt te worden, vervaardigt; deze tabak wordt klein
gehakt, in plaats van tot lange draden te worden gekorven. De capataz
verzekerde ons, dat in het gebouw vier-en-zeventig paitos of
binnenplaatsen, op zijn minst evenveel fonteinen en putten, en meer dan
twee honderd door paarden in beweging gebrachte molens gevonden worden.
Toen wij in de zalen kwamen, waar de tabak gestampt en gemalen wordt,
werden wij door een scherpen en doordringenden reuk getroffen, waaraan
de werklieden volmaakt gewoon zijn, maar dien wij niet lang zouden
hebben kunnen uithouden; de capataz had medelijden met onze neusgaten
en begeleidde ons tot op de eerste verdieping, waar hij ons aan eene
maestra of opzichtster overgaf, die ons naar de zalen bracht, waar de
cigarreras aan den arbeid waren.
Een geweldig gesuis, gelijk aan dat van verscheidene zwermen bijen,
trof onze ooren zoodra wij den voet in een lange galerij zetten, waar
tallooze, grootendeels jeugdige, werksters met een verwonderlijke
vlugheid sigaren zaten te rollen, hetgeen haar niet belette met een op
zijn minst even groote vlugheid te babbelen. Wel hadden de monden een
oogenblik rust op die plaatsen waar wij met de maestra langs kwamen,
maar het gepraat werd weldra met niet minder levendigheid voortgezet;
de maestra, die onze verwondering bemerkte, verzekerde ons dat het haar
onmogelijk was de werksters het stilzwijgen op te leggen, en dat indien
zij ze dwingen zou den mond te houden, zij veeleer de werkplaats zouden
verlaten. Met het gegons, waarvan wij gewaagden, paarde zich een
bijzonder geluid, door honderde tegelijk in beweging gebrachte scharen
of tyeras veroorzaakt; want de tyeras, die dienen om de punt van de
sigaren af te snijden, zijn een onmisbaar instrument voor de
cigarreras: hare broodwinning, zoo als een volksdeuntje luidt:
Dijo Dios: Hombre, el pan que comerás,
Con el sudor del rostro ganarás;
Cigarrera, anadió, tu vivirás
Con la tyera haciendo: tris, tris, tras.
„God zeide tot den mensch: Het brood dat gij zult eten, zult gij eten
in het zweet uws aanschijns; cigarrera, voegde Hij er bij, gij zult
leven van de tyera, die doet tris, tris, tras.”
Wij bleven bij eenige cigarreras stilstaan, die men ons als de beste
werksters aanduidde, en die op éénen dag tot tien pakjes of atados
maakten, ieder vijftig sigaren bevattende, hetwelk een getal van vijf
honderd oplevert; maar dat is een ongewoon cijfer, en de meeste
werksters maken er op zijn best drie honderd. Daar zij vijf realen
(zeventig cents) voor het honderd ontvangen, ziet men dat de ijverigste
werksters een aardig daggeld kunnen verdienen; maar gemiddeld verdienen
zij nauwelijks acht realen, zoowat vijf-en-negentig cents daags.
De bij het sigarenmaken gebezigde werksters, die de aristocratie der
tabaksfabrieken uitmaken, zijn in het etablissement meer bekend onder
den naam van pureras, dat wil zeggen puros-maaksters: aldus heet men in
den regel de eigenlijk gezegde cigarros puros of zuivere sigaren, om ze
te onderscheiden van de cigarritos of cigarros de papel, dat wil zeggen
sigaretten. De spaansche sigaren zijn doorgaans vrij groot; dikwijls
bestaat het binnenste gedeelte, dat men de tripa heet, uit
Virginia-tabak, terwijl het blad, de capa, van Havana-tabak gemaakt
wordt; overigens zijn zij, naar het zeggen van alle vreemde
liefhebbers, die in Spanje hoogst moeielijk Havana-sigaren kunnen
krijgen, zeer middelmatig. Er wordt in Spanje geweldig veel gerookt,
maar alleen sigaren en sigaretten; het gebruik van de pijp is, op
weinig uitzonderingen na, er onbekend; eenige kuststreken, en meer
bepaaldelijk Catalonië en de Balearische eilanden, uitgezonderd. Hoewel
de tabak in de estancos of winkels niet al te duur verkocht wordt,
verzekert men dat er vrij wat op het Schiereiland wordt
binnengesmokkeld, vooral aan den kant van Gibraltar, dat groote
entrepôt van den smokkelhandel.
Eer men tot de verheven betrekking van cigarrera opklimt, moet de
werkster, die gewoonlijk op haar dertiende jaar als leerlinge of
aprendiza in de fabriek komt, de verschillende graden der hiërarchie
doorloopen; het eerst wordt zij gezet aan het despalillar la hoja,
bestaande in het afstroopen van de grootste ribben of pelillos der
tabaksbladeren. Later laat men haar den sigaar, hacer el niño—het popje
maken, volgens hare schilderachtige uitdrukking. Gedurende een aantal
jaren wint zij slechts een geringe som, en nog wordt er van het loon
een zeker gedeelte afgehouden, om daarmede verscheidene benoodigdheden
te betalen, als de espuerta, een mand waarin de tabaksbladeren gedaan
worden; de schaar waarmede de punt van de sigaar wordt afgesneden—à
despuntar el cigarro, en den tarugo, die dient om de puros rond te
maken.
De cigarreras nemen haar ontbijt en middagmaal naar de fabriek mede,
wier werkplaatsen tweemaal daags in groote eetzalen herschapen worden;
dan riekt het er sterk naar knoflook, rauwe uien en visch, eenige
sardijntjes, gerookte haringen zoo zwart als inkt, en een moot gebraden
konijn maken gewoonlijk, met schoon water tot drank, haar middagmaal
uit.
In de Fabrica de tabacos werken gewoonlijk vijfde-half duizend
personen, waarvan ongeveer vier duizend vrouwen; behalve de gitanas en
de pureras wordt een groot aantal gebezigd tot het opbinden der sigaren
en sigaretten en het maken van pakjes, waarmede zij verwonderlijk
handig te werk gaan.
Deze laatste, empapeladoras geheeten, arbeiden in de magazijnen, waar
de mannen het talrijkst zijn. In deze magazijnen stellen de beambten
aan iedere werkster een zekere hoeveelheid tabak, die men nauwkeurig
naweegt, ter hand en die voor het werk van den dag bestemd is: dat
noemt men la datas; de cigarreras dragen die in hare espuertas meê, en
zijn verplicht een zekere hoeveelheid sigaren of sigaretten, in
verhouding tot het door haar ontvangen gewicht, af te leveren.
Een merkwaardig schouwspel, dat het toeval ons op zekeren dag
verschafte, is het uitgaan der fabriek. Men stelle zich een
steeple-chase van drie of vier duizend vrouwen vóor, hunkerende naar de
buitenlucht en een oogenblik van vrijheid. Nauwelijks zijn zij van hare
tafels opgestaan, of zij vliegen naar de trappen, die zij in dolle
vaart, holderdebolder, zingende en als krankzinnigen lachende,
afstormen. Maar nauwelijks heeft de eerste hoop de porteria bereikt, of
eensklaps bedaart dit rumoer: de cigarreras zijn wel verplicht stil te
staan, want volgens het reglement kunnen zij de fabriek niet verlaten
zonder eerst te zijn gevisiteerd—registradas—door de maestras, wier
waakzaam oog terstond raadt of de eene of andere wat tabak gesmokkeld
heeft.
Eens buiten de fabriek, verdeelen de werksters zich in talrijke
groepen, en slaan den weg naar hare respectieve wijken in; de gitanas
naar de voorstad van Triana, terwijl de anderen meestal den weg van
Macarena nemen.
Ons rest nog een paar woorden te zeggen van het private leven der
cigarreras. Vaak wordt er van haar gewag gemaakt in de volkszangen,
waarin zij meestentijds niet als toonbeelden van deugd worden
voorgesteld, ofschoon er ongetwijfeld eervolle uitzonderingen bestaan.
Om zich hiervan te overtuigen, is het voldoende een oog te slaan in de
Relacion de las cigarreras, donde se declaran sus dichos, hechos,
costumbres y lo que pasa entre ellas, dat wil zeggen een relaas, waarin
hare gezegden, hare handelingen en avonturen beschreven worden. De
schrijver begint met het verhalen dat hij een kamer had gehuurd in een
huis, mede door twee pureras bewoond; „zij maakten,” voegt hij er bij,
„zulk een leven, dat ik soms hoofdpijn had tot krankzinnigwordens toe;
ook zou ik liever onder den blooten hemel wonen dan onder het dak waar
cigarreras gehuisvest zijn!” Eenigen gedragen zich als fatsoenlijke
meisjes, de anderen gaan naar de taveerne en drinken een slokje om hare
zorgen te verzetten. Zelfs zijn er die een geheele week aan de rol
gaan.
De andalusische cigarrera is een type, dat zeer gemakkelijk met een
ander welbekend type kan verward worden, namelijk met de maja, welke
men op de kermissen en de pelgrimstochten—ferias y romeras—en bij de
stierengevechten aantreft, en wel gehuld in de met zwart fluweel
geboorde mantilla de tira, en in een kleurigen japon met een aantal
volants. De andalusische maja, zoo vaak in de sainetes en volksromans
bezongen, is dus dikwijls cigarrera van beroep. Somtijds ook—laat ons
het schilderachtige aan de waarheid opofferen—is de maja niets dan een
verkoopster van gebakken meel of een castañera, die voor de deur eener
herberg kastanjes zit te braden; ook gebeurt het, en dit is meestal het
geval, dat de maja niets doet. Waarschijnlijk is het zelfs dat dit
type, dank zij de spoorwegen die de volkszeden en gewoonten
langzamerhand wijzigen, ook een mythe worden zal.
Overigens komen de nog bestaande majas alleen nog maar op groote
feesten te voorschijn; op die dagen doen zij zich in eene andere
gedaante voor: dan zijn zij de mugeres de chispa, des jembras de rumbo
y de trueno: uitdrukkingen, die zich niet gemakkelijk laten vertalen,
maar die in het spaansch voortreffelijk de liefde dezer vrouwen voor
het vermaak en het rumoer schilderen.
Zooals wij reeds gezegd hebben, is de maja een hartstochtelijke
liefhebster van de stierengevechten: zij is hoogst gelukkig, als zij er
in een open calesa heen kan rijden; maar haar geluk kent geene grenzen
als zij onder weg eenige harer kameraden tegenkomt, die te voet gaan.
De corrida heeft nauwelijks een aanvang genomen, of zij spreekt
stoutweg haar gevoelen uit over de toegebrachte stooten, terwijl zij op
buitensporige wijze espadas, banderilleros en picadores uitfluit of
toejuicht. Zelden verlaat zij hare plaats voordat de laatste stier, el
toro de gracia, den genadeslag van den cachetero heeft ontvangen.
Dikwijls verlaat zij de Plaza in gezelschap van een torero: want de
maja legt een blijkbare voorliefde aan den dag voor la gente de cuerno,
zooals het volk spottenderwijs de toreros noemt, die te midden van het
hoornvee leven. Van de Plaza begeeft men zich naar de botilleria, waar
men met het glas in de hand de verschillende stooten en slagen der
corrida bepraat, en de avond eindigt met een jaleo of een zapateado in
een dier volksbijeenkomsten, welke men bailas de candil heet.
Soms gaat de maja naar den schouwburg, hoewel zij op deze uitspanning
niet zoo is verzot als op de stierengevechten, waar het drama de veras,
in werkelijkheid, plaats grijpt. Verscheidene malen in den avond en wel
bij de koddigste tooneelen, verstoort zij de vertooning door hare
geweldige lachbuien; al de acteurs schijnen haar uitmuntend toe, mits
ze maar zeer sterk zijn, en er bestaan voor haar geen betere stukken
dan waarin veel roovers voorkomen en veel geschoten wordt.