III.

De voorstad Triana en hare inwoners.—De gitanos; hun bedrijf en

gewoonten.—De waarzegsters: de Caridad.—De meesterstukken van

Murillo: Mozes, water uit de rots slaande en de vermenigvuldiging

der brooden: een schilderij van Juan Valdés Leal.

Er zijn weinig lieden, wie de beruchte voorstad Triana, waar de meeste

gitanos van Sevilla wonen, al is het dan ook maar bij naam, onbekend

is. De barrio van Triana, die een vrij belangrijk gedeelte der

hoofdstad van Andalusië uitmaakt, strekt zich op den rechteroever van

den Guadalquivir uit en is met de stad door een ijzeren brug verbonden,

die voor ruim twintig jaren de schipbrug, de puente de barcas,

vervangen heeft. Deze voorstad, eertijds naar men wil Trajana geheeten,

is haar naam aan een romeinsch keizer verschuldigd. Men weet dat

Trajanus te Italica, niet ver van Sevilla, geboren is; van Trajana

zouden de Arabieren Tarayona gemaakt hebben, waarvan later Triana

geworden is.

De voorstad Triana, te Sevilla ongeveer wat te Rome de Trastevere is,

is door den schrijver van Don Quichot in zijne novelle Rinconete y

Cortadillo verheerlijkt geworden, zij wordt heden ten dage door een

bevolking op zich zelve bewoond: smokkelaars, rateros barateros, majos;

te Sevilla heeft men, zoo als het liedje zegt, een Triana, waaruit bij

massa’s de helden met een vurig hart voortkomen:

Hay en Sevilla un Triana

Donde nacen á moutones

Los bizarros valentones

Con ardiente corazon.

Maar de gitanos hebben er verreweg de meerderheid, even als op den

Sacro Monte te Grenada.

Het algemeene voorkomen van Triana is ellendig, zelfs in de voornaamste

straat, die men de Calle de Castilla heet; de monumenten zijn er

schaars: het eenige dat melding verdient is het kerkje van Santa Anna,

ten tijde van Alonzo El Sabio gebouwd, en dat veel rijker is aan goede

schilderijen dan de andere kerken van Sevilla, de kathedraal

uitgezonderd.

De gitanos van Triana maken een bevolking op zich zelve uit, en

gelijken over hot algemeen op die der andere gedeelten van Spanje,

vooral die van Grenada, Malaga en de voornaamste steden van Andalusië;

maar in geen enkele plaats zijn zij in zulk een groot aantal vereenigd;

de meesten onder hen zijn zeer ellendig en oefenen slechts zeer geringe

bedrijven uit: de een drijft handel in paarden; de ander is

muilezelscheerder; eenigen zijn toreros (stierenbevechters). Geheel in

tegenstelling met wat men in Grenada en Murcia ziet, treft men er ook

hoefsmeden aan.

Wat de vrouwen betreft, deze zijn cgarreras, danseressen, waarzegsters,

en verkoopen op de kermissen en op de hoeken der straten morcillas de

sangre (bloedbeuling), in olie gebakken wafels en kastanjes. Een zeker

aantal dezer gitanas koopt allerhande waar van luttel waarde, zooals

kramerijen of gewone stoffen, die zij in de huizen van particulieren

gaan slijten, waarvoor men haar vodden en lorren in ruil geeft. Om haar

handel, in Sevilla cachirulos geheeten, te drijven, weten zij zich

behendig overal in te dringen, maar niet zelden worden ze op

onbeschofte wijze weggejaagd. Nog eenige anderen, wie men den naam van

diteras geeft, verkoopen allerhande waren, die hier bij de week of bij

de maand betaald worden.

Arme gitanos! Hier, evenals in het overige Spanje, vormen zij een kaste

op zich zelven en worden als het uitschot der bevolking beschouwd; de

Gachés—zooals zij in hunne taal al de niet tot hun ras behoorende

Spanjaarden noemen—laten geen gelegenheid ongebruikt om ze te

vernederen of belachelijk te maken. Bij het bespreken der sainetes

hebben wij een proef gegeven hoe zij op het tooneel behandeld worden.

In de volkszangen, die op de hoeken der straten verkocht worden, worden

zij evenmin gespaard: wij zullen alleen den Pasillo divertido entre

Mazapan y Chicharron aanhalen; dat wil zeggen de vermakelijke

samenspraak tusschen Mazapan (marsepein) en Chicharron (groote krekel),

bij gelegenheid van de begrafenis eens gitanos,—een duelo de gitanos.

Men moet zeggen dat zij, als een hunner komt te overlijden, tamelijk

vreemde gebruiken hebben: het lijk van den overledene wordt op den

vloer op een stroozak tusschen twee brandende kaarsen gelegd; de

vrouwen knielen met het gezicht op den grond, terwijl zij zich op alle

mogelijke wijze de haren uit het hoofd trekken. Wat de mannen betreft,

deze verdrinken hun verdriet zeer dikwijls in eenige glazen wijn, of

door vrij wat copetas de aguardiente ter nagedachtenis van den

afgestorvenen naar binnen te sturen; want de Gachés hebben hun, terecht

of te onrecht, de reputatie bezorgd, dat zij meer smaak in wijn dan in

water hebben.

Een gitano stierf, zegt een vierregelig versje, en beval in zijn

testament, „dat men hem in een wijngaard zou begraven om de ranken te

kunnen uitzuigen.”

Un Gitano se murió,

Y dejó en el testamento,

Que le enterrasen en vina,

Para chupar los sarmientos.

Indien wij een ander couplet gelooven mogen, zouden de gitanos evenveel

neiging tot diefstal als tot dronkenschap gevoelen. Er is sprake van

een der hunnen, die zoo even in hechtenis is genomen:

„Gitana, waarom brengt men u naar de gevangenis?”

„Mijnheer, voor niemendal: omdat ik een touw heb genomen.... met vier

paar muilezels aan het eind.”

Gitano, por qué vas preso?

—Señor, por cosa ninguna:

Porque he robado una soga...

Con cuatro pares de mulas.

Een der voornaamste straten der voorstad Triana, la calle de la Cava,

of eenvoudig la Cava geheeten, wordt bijna uitsluitend door gitanos

bewoond: ook kent iedereen in Sevilla dit gezegde:

Si yo nací en la Cava?

„Zoudt gij denken dat ik in la Cava geboren ben?”

Het is als zeide men: „Ziet ge mij voor iemand zonder geboorte aan?”

En deze beide verzen van een volksliedje:

Pa los Gitanos no me peino yo.

Que me peino pa los toreros.

„Ik kap mij niet voor de gitanos,” zegt een bekoorlijke maja, „maar

voor de toreros!”

Men weet dat de heidens te allen tijde voor zeer ervaren zijn gehouden

in de kunst om uit de holte der hand de toekomst te voorspellen. Wij

herinneren ons een oude spaansche gravure gezien te hebben, een tooneel

van dien aard voorstellende, waaronder deze naïeve woorden stonden:

Dadme las palmas

Y os diré los secretos

De vuestras almas.

„Geef mij uwe handen, en ik zal u uwe zielsgeheimen zeggen.”

Zelden doorkruisten wij de voorstad Triana zonder door eenige gitanas

te worden aangesproken, die met alle geweld ons wilden waarzeggen, en

ons toeriepen:

La Gitana con soltura

Dice la buena ventura.

„De gitana gaat met veel gratie uit waarzeggen.”

Doré gaf de gitanas gaarne zijne hand; waarin zij de meest fantastische

horoscopen lazen, onveranderlijk gevolgd door deze woorden: suelta me

un calé, hetwelk in hare taal beteekent: „geef mij een stuiver”. Men

ziet dat zij in hare eischen niet overdreven zijn.

De jonge gitanas zingen dikwijls alleruitmuntendst de andalusische

liederen, terwijl zij zich op de guitaar accompagneeren; eenigen zijn

in haar soort bewonderenswaardige virtuosen, en nooit lieten wij een

gelegenheid om haar te hooren voorbijgaan. Hare dansen zijn eveneens

zeer oorspronkelijk, en wij zullen niet vergeten er van te gewagen als

wij een woordje over de spaansche dansen zullen spreken, want niets is

vreemder dan een baile de Gitanos.

Na andermaal de brug van Triana overgestoken en eerst een kort geleden

aangelegde wandeling langs de boorden van den Guadalquivir gevolgd te

zijn, hielden wij op een vierkant pleintje, op weinig afstands van la

Torre del Oro, stil. Daar verheft zich het beroemde godshuis van la

Caridad; de gevel, die gelijk met de rivier loopt, is met vijf groote

schilderstukken, uit azulejos van blauwe beschilderde tegels

samengesteld en van een groot decoratief effect, versierd. Als men de

overlevering gelooven mag, zouden deze azulejos naar teekeningen van

Murillo genomen zijn, hetgeen niet onwaarschijnlijk is, omdat de

beroemde schilder van Sevilla voor la Caridad de zoo bekende

schilderijen heeft vervaardigd, die men er nog bewondert.

Dit reeds in de zestiende eeuw aanwezige en onder de bescherming van

den heiligen Joris gestelde gasthuis, werd in 1664 hernieuwd door een

edelman van Sevilla, Don Miguel Manara Vicentelo de Leca, wiens

vreeselijk ongeregeld leven en ontelbare avonturen, naar men wil, een

anderen Don Juan van hem gemaakt hadden, doch dien men overigens

verward heeft met Don Juan Tenorio zelven, den waren zoo vaak op het

tooneel voorgestelden Don Juan. Tot boetedoening voor zijne zonden liet

Don Miguel Menara, bezitter van een onmetelijk fortuin, la Caridad

herbouwen. Zijn lijk rust in de Capilla mayor, waar men nog het

zonderlinge opschrift, dat hij op zijn graf liet plaatsen, kan lezen:

Cenizas del peor hombre qua ha habido en el mundo.

„Asch van den slechtsten mensch die op de wereld bestaan heeft.”

In spijt van de slechte meening omtrent zichzelven, was er, volgens de

verzekering van Arana de Valflora, in de vorige eeuw sprake van, Don

Miguel de Manora onder de heiligen op te nemen.

Het gasthuis van la Caridad was gesticht geworden om tot een

toevluchtsoord te dienen voor de armen, die des nachts zonder dak

rondzwierven, alsmede om de ter dood veroordeelden bij te staan en hun

een begrafenis te bezorgen: heden ten dage is het aan de zorg

toevertrouwd der geestelijke zusters van de orde van Sint-Vincentius

van Paula. Een dezer eerwaardige zusters leidde mij de kapel binnen,

waarin de meesterstukken van Murillo bewaard worden: Mozes het water

uit de rots latende voorkomen, en de Vermenigvuldiging der brooden,

twee reusachtige schilderstukken, misschien wel de belangrijkste van

dezen meester. Het eerste wordt door de Spanjaarden la sed, de dorst,

genoemd, een naam die het best het algemeene voorkomen karakteriseert

der schilderij, waarop Mozes veel minder de aandacht trekt dan de

dorstige drinkers, die het grootste gedeelte der compositie beslaan.

De Vermenigvuldiging der brooden, ook wel getiteld Pan y peces—de

brooden en de visschen, is eveneens voortreffelijk schoon, maar toch

niet zoo uitstekend als de Mozes. In dezelfde kapel heeft men nog

andere minder belangrijke doeken van Murillo, en een zeer zonderlinge

en afschrikwekkende schilderij van Juan Valdés Leal, een geopende

doodkist voorstellende, waarin men een allerprachtigst uitgedosten

prelaat ziet, wiens lijk half door de wurmen verteerd is. Als men de

overlevering gelooven mag, zeide Murillo, dat hij deze schilderij niet

zien kon of hij moest zijn neus dichthouden.

Omwandelingen door een gedeelte van Spanje De Aarde en haar volken, 1868 · 第 7 / 12 题