De schouwburgen van Sevilla: de Cazuela.—De veranderde fransche
stukken.—De andalusische sainetes.—Hoe de vreemdelingen in de
sainetes behandeld worden.
Sevilla bezit twee schouwburgen: het Teatro principal, en dat van San
Fernando, waar al de genres worden opgevoerd: drama’s, opera’s,
zarzuelas of opéras comiques, blijspelen, sainetes; zonder evenwel den
minsten inbreuk te maken op den baile nacional, waarmede iedere
voorstelling onveranderlijk besloten wordt. De inrichting van de zaal
is ongeveer de zelfde als in onze schouwburgen; de plaatsen waaruit bij
ons het orchest en de bak bestaan, loopen in Spanje ineen, en ontvangen
den naam van sillas of asientos de butaca. Het amphitheater of paradijs
heet la cazuela, hetgeen wil zeggen: kasserol; het schijnt dat deze
benaming tamelijk oud is, als men mevrouw d’Aulnoy mag gelooven, die
een spaanschen schouwburg uit het tijdvak van Lodewijk XIV beschreef:
„Er is in de zaal,” zoo schrijft de fransche reizigster, „eene plaats
die men la cazuela heet: alle dames van verdachte deugd hebben daar
haar loge, en al de groote heeren gaan er heen om met haar te praten.”
De schrijfster, de zaal verlatende om ook het tooneel zelve in
oogenschouw te nemen, spreekt een paar woorden over de spaansche
tooneelspeelsters, die zij afteekent als de „afzichtelijkste schepsels
der wereld, hetgeen,” voegt zij er bij, „haar niet belet,
verschrikkelijk veel verteringen te maken.”
De eerste maal dat wij het Teatro principal bezochten, was er een
lleno, dat wil zeggen, was de zaal ongeveer geheel gevuld: iets zeer
ongewoons in de spaansche schouwburgen, die meestal niet sterker
bezocht worden dan de italiaansche. De vrouwen maakten de meerderheid
uit; de mantilles en bloemen vormden het hoofdtooisel, en men zag
slechts zeer weinig hoeden al estilo de Paris, hetgeen aan de loges een
allerschilderachtigst voorkomen gaf. Het gepraat paarde zich met het
geklikklak der waaiers; naast ons merkten wij onder de toeschouwers
twee jonge sevillaansche dames met rijke zwarte haren op, waarin op de
hoogte van het oor een witte dahlia was aangebracht; achter haar zat
haar moeder, die men, te oordeelen naar haar met een zwarte mantille
omgeven gerimpeld gelaat, voor een oude tooneel-duegna zou hebben
aangezien; naast haar was een Engelschman met zware rosachtige
bakkebaarden gezeten; hij had een ronden hoed met smalle randen op het
hoofd, en een rotting in de hand, terwijl hij in de andere een
tooneelkijker hield, waarvan hij een veelvuldig gebruik maakte. Onze
buurman, die getracht had met zijne buurvrouw een gesprek aan te
knoopen in een vreemde krabbeltaal, die hij zonder twijfel voor
spaansch hield, begreep spoedig wat de blikken en de scherts zijner
buren te beteekenen hadden, want hij sprak tamelijk luid. In het
algemeen zijn de Spanjaarden, en de Andalusiërs in het bijzonder, er op
uit om de vreemdelingen belachelijk te maken, die zich aan het
onschuldige vermaak overgeven om met de inboorlingen mede te doen; ook
hoort men, als het een Engelschman of welken buitenlander ook in de
hersens komt zich in het kostuum van een majo te steken, dadelijk de
woorden van franchute, van Inglis-manglis of andere epitheten van dezen
aard, die het den inboorlingen lust de vreemdelingen naar het hoofd te
werpen.
Eindelijk werd de gordijn opgehaald en begon men met een zarzuela,
getiteld: Buenas noches señor don Simon. De zarzuela is een lyrisch
stuk, dat veel op een opéra comique gelijkt. Spoedig bleek het nu, dat
het stuk niets anders was dan de vertaling van het fransche: Bonsoir
monsieur Pantalon; terwijl men den titel een beetje gewijzigd had, had
men het libretto behouden, waarbij de spaansche componist een muziek
naar zijn smaak had geschreven. Later bleek het dat dit ook het geval
met andere opera’s was, zoodat wat vroeger de fransche schrijvers
deden, namelijk van de spaansche ontleenen, de spaansche nu in
vergelding ten aanzien der fransche doen.
Op de zarzuela volgde een stukje, getiteld: Paco y Paca, dat wil
zeggen: Frans en Fransje, dat ook al weder een vertaling van het
fransche le Caporal et la payse was, maar onder die vertaling bitter
had geleden; de auteurs van het Teatro principal zijn grooter meesters
in de mimiek dan in het leggen van beteekenis in de woorden.
Tot nu toe niets nationaals, niets oorspronkelijks. Gelukkig werden
wij, toen de gordijn op nieuw werd opgehaald, door de sainete
schadeloos gesteld. Een paar woorden vergunne men ons over deze
stukken, die uitsluitend op de schouwburgen van het schiereiland te
huis behooren. Hoewel Spanje nooit is aangezien als de klassieke bodem
van lekker eten, is toch het woord sainete uit het woordenboek der
keuken naar dat van het tooneel overgegaan. Aanvankelijk werd het in
het spaansch gebezigd om iets aan te duiden dat het gehemelte bijzonder
streelde, of werd er een saus onder verstaan, waarvan men zich bediende
om de spijzen een hooger geur bij te zetten; later werd het toegepast
op een dramatische schets, waarin de zeden en dwaasheden op vroolijke
wijze werden gesatyriseerd, of ook wel was het doodeenvoudig een
vermakelijk tafereel der volkszeden.
De sainetes, die gewoonlijk slechts uit eenige tooneelen bestaan en
nooit langer dan een bedrijf zijn, zijn dikwijls in proza, maar vaker
nog in verzen, met coupletten en zelfs met koren vermengd. In Catalonië
en op Majorka, waar de oude gewoonten en de oude benamingen nog beter
dan overal elders bewaard zijn gebleven, worden ze nog Entremeses,
zooals ten tijde van Cervantes, of Tonadillas genoemd.
De sainete, die wij op het Teatro principal zagen opvoeren, had tot
titel: El Valor de una Gitana. De personen, allen gitanos, waren ten
getale van vier: Pepiya, eene jonge en schoone gitana; Gavirro, haar
vader; Perico, de novio, dat wil zeggen de bruidegom van de gitana, en
Asaura, een door Pepiya afgewezen minnaar.
Het tooneel stelt een boschje voor: Pepiya, op den grond nedergehurkt,
heeft juist de laatste bloem in hare zwarte lokken gestoken; uit haar
zak haalt zij een spiegel van zes cuartos te voorschijn, en zingt,
terwijl zij zich met veel behaagzucht daarin bekijkt, een coupletje op
haar fraaie figuur.
Daarop verschijnt Gavirro, een oude taankleurige, dorre en kromme
gitano, de volmaakte type van een dier esquiladores of
muilezelscheerders, die men zoo vaak in Andalusië aantreft. Gavirro,
zijne dochter zoo fraai opgetooid ziende, begint te vermoeden dat haar
hart niet meer vrij is; maar de schoone wil er niet voor uitkomen: Pas
op, voegt hij haar toe, de liefde is een.... (hier omschrijft de gitano
de liefde met zulk een onbeschoft epitheet, dat wij ons ontslagen
rekenen het te herhalen). Zorg dat gij u aan geen schande blootstelt,
zooals uw moeder deed, en herinner u, dat de arme vrouw onder de handen
van den buchi [2] is omgekomen.
Deze scherts had een zeer groot succes, en werd door een gedeelte der
toeschouwers in de cazuela levendig toegejuicht.
De oude gitano heeft nauwelijks het tooneel verlaten, of men hoort
achter de schermen een liedje; de stem komt naderbij en Perico
verschijnt. Olé salero! roept hij met een sterken andalusischen
tongval, zoodra hij Pepiya ontwaart; „uw schoonheid berokkent mij den
dood, maar als ik maar even het puntje van uw kousenbandje zie,
herkrijg ik het leven!”
„Bemint gij mij inderdaad zoo sterk als gij zegt, Perico?”
„Ik! ik zou mij een oog laten uitsteken om te zien dat gij koningin van
Kastilië waart! Om u te verdedigen zou ik vechten als een beer. Wilt
gij koningin zijn? Spreek slechts één woord en ik jaag al de volken,
van de Russen af tot de Franschen toe, op de vlucht. Wilt gij zijden
falies en mantilles, dan hebt gij slechts den mond te openen; en het
zal mij geen zier kosten vijftien goed geladen fregaten hier te
brengen! Als ik uw lief mondje zie, dat op een stuk van den hemel
gelijkt, begin ik van mijn hoofd tot mijn voeten te trillen!”
„Ik begin te gelooven, Perico, dat gij mij een beetje liefhebt...”
„Ik heb u zoo lief als mijn ezel, en zelfs nog wat meer!”
Perico vertrekt, en weldra ziet men Asaura, zijn medeminnaar, opkomen,
die in geween wegsmelt; er is ook wel reden toe; een der grootste
ongelukken, die een gitano kunnen overkomen, heeft hem getroffen: men
heeft hem zijn ezel ontstolen! Te vergeefs tracht Pepiya hem te
troosten.
„Kind mijner ingewanden, wat is er van u geworden? Een ezel van zulk
een fraai ras, zoo blond als een Engelschman, en sterker dan het paard
van Santiago! (den heiligen Jakobus). Moge de dief in een hagedis
worden veranderd, en een scorpioen hem bij beetjes verscheuren!”
Asaura eindigt met Pepiya te verzoeken hem te troosten, en maakt zich
gereed haar te omhelzen, maar deze antwoordt hem met een duchtigen
oorvijg.
„Mosto! Ik ben te mooi voor u! Gij weet dus niet, dat toen ik laatst
mijn kouseband had laten vallen, er terstond op dezelfde plek een
geheel met rozen gevulde rozenstruik ontsproot? Voor u kam ik mij niet,
neen; maar wel voor Perico.”
„Perico! Ik zal hem het hart met de punt van mijn navaja uit zijn
lichaam scheuren.”
„Goed, ik zal zijn plaatsvervangster wezen: doe uw gebed maar.”
Zij slaat haar mante om den arm en zoekt haar navaja; Perico treedt op:
„De zaak moet tusschen ons worden afgedaan!” voegt de verloofde zijn
medeminnaar toe: „ik zal van je lever een pastei maken.”
„Laat hem leven, Perico,” zegt het meisje; „bezoedel u niet met het
bloed van dien afschuwelijken aap!”
„Pepiya, laat ons alleen: ik zal dien gemeenen struisvogel door midden
snijden.”
„Komaan,” roept Asaura, „zij is vertrokken; biecht, want gij gaat den
zapateado dansen!”
„Kom maar op met uw staal, kleine seis! gij zult meer puñalas
(ponjaardsteken) krijgen dan er heiligen in den almanak staan.”
„Spring zoo niet en stel u te weer.”
„Vandaag loopt de wereld op haar eind, want een van ons beiden moet op
de plaats dood blijven.”
De beide kampioenen spreken elkaar aldus, op de manier der helden van
Homerus, gedurende eenige minuten, toe. Niet zoodra heeft het gevecht
een aanvang genomen of Perico zegt ter zijde, dat het zeer ongezond is
een por met de navaja te krijgen, en dat het niet onhandig zijn zou
zich ter aarde te werpen, en te doen alsof hij dood was.
„Asaura,” roept hij uit, „gij hebt mij door midden gekorven; ik sterf.”
Pepiya komt op en ziet haar minnaar op den grond liggen: aanstonds
raapt zij haar navaja op, en kondigt den gewaanden moordenaar aan, dat
zij hem een jeveque zal teekenen, dat wil zeggen, hem een breede kerf
op zijn gelaat geven zal.
Nauwelijks heeft zij een vertooning gemaakt alsof zij wilde toeslaan,
of de gitano, hoewel in geenen deele gewond, laat zich op den grond
zakken alsof hij doodelijk gewond was.
„Beste Perico, beste Pericotje, gij zijt gewroken!” roept zij uit,
terwijl zij Asaura voor hare voeten ziet uitgestrekt.
De gitana werpt haar ponjaard weg, knielt bij haar verloofde neder, om
voor altoos afscheid van hem te nemen, en valt tusschen de beide
kampioenen in zwijm.
Op dat oogenblik verschijnt Gavirro, die een ezel voor zich uitdrijft:
men begrijpt dat het de aan Asaura ontstolen ezel is; op het zien der
drie op den grond liggende lijken, slaakt de oude gitano een kreet,
maar hij herstelt zich oogenblikkelijk en haast zich de zakken der
beide medeminnaars te gaan onderzoeken, hij stoot een vreeselijken
vloek uit als hij bemerkt dat zij ledig zijn, en belooft, terwijl hij
zijn levenloos uitgestrekte dochter vaarwel zegt, zich te troosten met
den gestolen ezel.
Eensklaps hoort men het dier geweldig balken: op het hooren van de stem
zijns welbekenden ezels staat Asaura op, en werpt zich om den hals van
het dier, even als Sancho, bij het hervinden van zijn grauwtje. Perico
en Pepiya verrijzen op hunne beurt; zij geven elkander de hand en de
oude gitano vereenigt hen, na hun den zegen gegeven te hebben.
Deze populaire voorstellingen verliezen ontegenzeggelijk bij het
verhalen veel; de tooneelspelers stellen echter de personen zóó
natuurlijk voor, dat men denken zou wezenlijke gitanos voor zich te
hebben; door hun wegsleepend spel doen zij ons denken aan Pasquale
Altavilla, den napelschen acteur-schrijver, en aan Antonio, den
beroemden Pulcinella van den kleinen schouwburg van San Carlino, beide
zeer populaire kunstenaars.
Behalve deze en andere sainetes, waaronder Paco Mandria y Sacabuches
ons levendig bij zal blijven, hadden wij nog gelegenheid er een paar te
zien opvoeren, waarin de vreemdelingen, de estranjis, zooals de
Spanjaarden hen spottenderwijze heeten, min of meer belachelijk worden
gemaakt. Spanje is zeker niet ongastvrij; maar het volk legt nu en dan
wantrouwen aan den dag, dat misschien alleen in het overdrijven van een
groote goede hoedanigheid, de zucht naar onafhankelijkheid, zijn grond
heeft.
Wij zouden hiervan een aantal proeven kunnen bijbrengen, maar het wordt
tijd het tooneel voor de straat te verlaten; wij begeven ons dus in de
eerste plaats naar de voorstad Triana.