De Alcazar van Sevilla; De Patio de las Doncellas.—Peter de Wreede
en Maria van Padilla.—De Baños van Padilla.—De Capilla de
Azulejos.—De tuinen van den Alcazar.—De Casa de Pilatos.—De Juderia
en de Moreria.—Het klooster van Santa-Paula.—Het museum van
Sevilla; de zaal van Murillo.
Indien de Alhambra van Grenada niet bestond, zou de Alcazar van Sevilla
voorzeker het bewonderenswaardigste moorsche monument van geheel Spanje
zijn. Men heeft elkander vaak nagepraat, dat de toerist den Alcazar
niet moest bezoeken dan na vooraf de Alhambra te hebben bezichtigd. Wij
gelooven dat dit er weinig toe doet: ieder dezer gedenkteekenen
onderscheidt zich door geheel bijzondere schoonheden en verdiensten;
zoowel wat bouwtrant als ligging betreft. Zoo het paleis van Grenada
op een der mooiste punten van de wereld gebouwd is, wordt de Alcazar
van Sevilla omringd door tuinen, die het aardsche paradijs en de
betooverende, door Ariosto bezongen lusthoven in herinnering brengen.
De oorsprong van den Alcazar is niet juist bekend: volgens het meest
algemeen aangenomen gevoelen zou hij in de elfde eeuw door een van
Toledo gekomen arabischen bouwmeester zijn gesticht, en zouden
werklieden, die aan de versieringen van de Alhambra gearbeid hadden,
uit Grenada herwaarts zijn gezonden om de ornamenten in stuc uit te
voeren. Hoe dit wezen moge, er is heden ten dage niet het minste spoor
van dit oorspronkelijke gebouw over, dat naar alle waarschijnlijkheid
in dien zoo edelen en majestueuzen arabischen stijl zal zijn
opgetrokken, waarvan de moskee van Cordova nog heden het schoonste
voorbeeld oplevert.
Het tegenwoordige gebouw is niet ouder dan het begin der dertiende
eeuw; evenals de Alhambra van Grenada, waarmede het eenige punten van
overeenkomst heeft, is het oude paleis der koningen van Sevilla in
zuiver moorschen stijl. De Alcazar had eertijds twee hoofdpoorten; de
puerta de la Banderas, de poort der banieren, en de puerta de la
Monteria of van de jacht, aldus genaamd omdat zich daar de Monteros of
jagermeesters vereenigden, wanneer de koning zich op de jacht begaf. De
tegenwoordige ingang bevindt zich vlak tegenover het pleintje del
Triunfo.
De Alcazar werd door de Arabieren Al-Kasr, het paleis van Cesar
geheeten; want de naam van den romeinschen veroveraar was voor hen
synoniem gebleven met macht en majesteit.
Uit een boven den hoofdingang geplaatst opschrift blijkt, dat een groot
gedeelte van dit gebouw onder de regeering van Peter den Wreede werd
opgetrokken; juist op datzelfde tijdstip werden de voornaamste werken
der Alhambra uitgevoerd; en de koning van Kastilië, die dikwijls in
vriendschappelijke betrekking met de Mooren van Grenada stond, deed uit
die stad de werklieden komen, aan wie de versiering van zijn paleis
werd opgedragen.
De Patio de las Doncellas, een uitgestrekte binnenplaats, heeft een
allerindrukwekkendst voorkomen; wit marmeren gekoppelde kolommen
strekken tot steun aan uitgeschulpte bogen, die weder op hare beurt
zuiltjes en dooreengevlochten lofwerk van de keurigste bewerking
dragen. Dit plein is, even als de voornaamste zalen van den Alcazar, in
zijn oorspronkelijken stijl hersteld geworden op bevel van den hertog
van Montpensier, die, eenige jaren geleden, dat oude moorsche paleis
heeft bewoond.
De Patio de las Doncellas, of Plein der jonge meisjes, wordt aldus
genoemd, omdat, volgens een oude overlevering, de koningen van Sevilla
er honderd maagden ontvingen, die hun ieder jaar door een hunner
schatplichtige vorsten gezonden werden. De prachtige Patio, hersteld
onder Karel V (die bij gelegenheid van zijn huwelijk met donna
Isabella, infante van Portugal, den Alcazar overigens niet door zijne
in grieksch romeinschen stijl aangebrachte vergrootingen verfraaide)
heeft nog een deel der azulejos van aardewerk, die de muren ongeveer
twee ellen hoog van den grond af bedekten, bewaard; deze azulejos,
volmaakt gelijk aan die, welke in de zalen der Alhambra worden
aangetroffen, vormen evenredige, maar tevens zeer grillige teekeningen,
en bezwaarlijk zou men zich een grooter kleuren-harmonie kunnen denken.
Ongelukkiglijk heeft men op de plekken, waar de azulejos verdwenen
zijn, ze vervangen door teekeningen in waterverf, die niet de minste
begoocheling te weeg brengen. In het midden ontspringt uit een bekken
van moorschen stijl een hooge waterstraal, die weder in het bekken
nedervalt en de marmeren zerken besproeit, waarmede de patio is
geplaveid. Om de bovenverdieping loopt een door bogen ondersteunde
galerij, waar boven de wapens van Kastilië en Leon prijken, door de
zuilen van Hercules vergezeld, tusschen welke men, op een lint, de
eerzuchtige spreuk van Karel V: Non plus ultra leest. Na een aantal
zalen bezocht te hebben, waaronder de sala de Embajadores in de eerste
plaats vermelding verdient, brachten wij een bezoek in de oude gewelfde
baden, waaraan men den naam van los Baños de Padilla geeft. Het waren
moorsche baden, die Peter de Wreede had laten herstellen voor de
beroemde Maria van Padilla, een adellijke jonkvrouw van uitstekende
schoonheid en beschaving; pater Mariana geeft van haar in zijne
geschiedenis van Spanje een verleidelijk portret, hetgeen voor een
gedeelte de buitengewone heerschappij verklaart, die zij over den
koning van Kastilië uitoefende; de openbare meening beschuldigde Maria
van Padilla hem betooverd te hebben, en de volkslegende stelde haar als
de koningin der tooverheksen voor. Zeker is het, dat Peter de Wreede,
daags na zijn huwelijk met Blanche van Bourbon, zijne gemalin verliet,
om zich weder bij Maria van Padilla te voegen, die hem op het kasteel
Montalvan afwachtte.
De meeste spaansche geschiedschrijvers zijn van oordeel dat de koning
van Kastilië Maria van Padilla in het geheim had getrouwd; hoe dit zij,
in den Alcazar van Sevilla bekleedde zij den rang eener souvereine. De
overlevering zegt dat de koning zijnen gunstelingen toestond zijne
maitresse naar het baño te vergezellen, en dat deze, geloovende
daardoor hun meester te behagen, de vleierij zoo ver dreven, dat zij
van het nog lauwe badwater dronken. Op zekeren dag vroeg de koning,
nadat hij bemerkt had dat een hunner zijne lippen niet aan het water
gebracht had, wat hem belet had het voorbeeld der andere hovelingen te
volgen, waarop hij ten antwoord ontving:
Señor, despues de haber cortado la salsa, yo quisiera tambien catar la
perdiz.
Het blijkt niet dat Peter de Wreede hem voor zulk een kloek antwoord
het hoofd voor de voeten liet leggen.
Toen Maria van Padilla stierf, liet de koning van Kastilië haar met al
de praal eener koningin begraven. Nog ziet men in de Capilla real, de
hoofdkapel der kathedraal, haar graf naast dat van den heiligen
Ferdinand.
Na op de eerste verdieping van den Alcazar nog eenige vertrekken
bezichtigd te hebben, die door de prinsen van de koninklijke familie,
als zij te Sevilla verblijf houden, betrokken worden, en in een van
welke men ons vier op den muur geschilderde doodshoofden wees, [1]
doorliepen wij ook een oogenblik de heerlijke tuinen, wier plantengroei
die der keerkringsgewesten herinnerde; onder anderen zagen wij daar
bananen vol rijpe vruchten, die, volgens het zeggen van den tuinman,
voor de koningin bewaard worden; reusachtige oranje- en granaatboomen,
tijdgenooten misschien van Peter den Wreede, zijn langs de muren als
leiboomen geplant; te midden van citroenboschjes verheffen zich
kiosken, die onder Karel V gebouwd en met azulejos van allerhande kleur
bekleed zijn.
Den bezoekers is hier ook een ondeugende verrassing bereid, waarvan de
Arabieren de eerste uitvinders zijn. De lanen zijn met steenen
geplaveid, die verschillende teekeningen vormen, en in een groot
gedeelte van dat plaveisel heeft men microscopische gaatjes, die met
een onnoemelijk aantal koperen pijpjes in verband staan, waar het water
doorheen dringt; men draait aan een kraantje en eensklaps springen er
duizenden allerfijnste straaltjes op; gij voelt u ter linker, ter
rechterzijde, voor en achter u door een fijnen regen besproeien, die,
in plaats van uit de lucht, uit den grond te voorschijn komt. Deze
water-aardigheid, die in een brandende luchtstreek volstrekt geen
nadeel kan berokkenen, was bij de Arabieren en spaansche Mooren zeer in
zwang. Op Majorka hadden wij reeds in een oude alqueria of lusthuis uit
de dagen der Arabieren soortgelijke fonteintjes gezien, die nog in
volmaakt goeden staat waren.
Na den Alcazar is de Casa de Pilatos een der voornaamste
merkwaardigheden van Sevilla: het is een omstreeks het begin der
zeventiende eeuw gebouwd paleis, op dit oogenblik het eigendom van den
hertog van Medina-Celi, die het niet bewoont. Geen enkele bijzondere
woning van Sevilla haalt in rijkdom en bevalligheid bij dit paleis,
waarvan de moorsche stijl allergelukkigst met dien eigenaardig
weelderigen stijl is vereenigd, welke den overgang van de gothiek tot
de renaissance kenmerkt. De patio of binnenplaats is ongemeen rijk; de
overdekte galerij, wier bogen door wit marmeren zuilen worden
onderschraagd, is bekleed met azulejos, die even schoon als volmaakt
bewaard zijn, en arabesken en geslachtswapens voorstelden: eenigen
daarvan zijn met metaalachtige tinten overdekt, die een buitengewonen
glans bezitten. Deze azulejos zijn de schoonste in hun soort, die wij
ooit gezien hebben.
De Casa de Pilatos of huis van Pilatus wordt dus genoemd, omdat zij,
zoo men wil, gebouwd is naar hetzelfde plan als de woning van Pontius
Pilatus te Jeruzalem: hetgeen ons voorkomt geheel uit de lucht te zijn
gegrepen. Een zwart kruis, dat men nog in de patio ziet, was eertijds
het aanvangspunt van een Kruisweg, welks door de stad verdeelde staties
naar de Cruz del campo voerden, niet verre van de Caños de Carmona
gelegen.
Bij het verlaten van de Casa de Pilatos begaven wij ons naar de
Juderia, het jodenkwartier, het oude Ghetto van Sevilla, waar de joden,
voor hunne uitdrijving, in de middeleeuwen waren opgesloten; er zijn
weinig steden in Spanje, waarvan de een of andere wijk niet nog den
naam van Juderia draagt; ook had men er de Moreria of het
moorenkwartier, een naam die nog op verscheidene plaatsen is bewaard
gebleven. In de Juderia bezochten wij een huis dat er zeer eenvoudig
uitzag. Het was dat van Bartolomeus Esteban Murillo, den grooten
schilder van Sevilla; dit huis heeft aan de straat den naam van Calle
de Murillo gegeven.
Een ander zeer weinig bekend monument, en dat toch verdient bezocht te
worden, is de kerk van het klooster van Santa Paula, Las Monjas de
Santa Paula genaamd. Het bovenste gedeelte van het portaal is geheel
met alleruitstekendste azulejos bekleed; het is het meesterstuk van
Niculoso Francisco, dezen italiaanschen te Sevilla gevestigden
porcelein-schilder, wiens werk wij reeds in den Alcazar hebben
bewonderd. De schilderkunst alleen zou een denkbeeld kunnen geven van
de verwonderlijke uitwerking door dezen gevel teweeg gebracht, wiens
geschilderde tegels de beste werken van Faenza en Caffagiolo evenaren;
in het midden van dit plateelwerk zijn zeven basreliefs van gebakken
steen gevoegd, die aan het werk van Lucca della Robbia doen denken. Een
aantal azulejos van groote afmeting stellen het naamcijfer van Christus
in gothische letters van zeer bijzonderen vorm voor, gelijk aan die
welke men dikwijls op de spaansch-moorsche schotels uit het einde der
vijftiende eeuw aantreft.
Men kan zeggen dat het museum van Sevilla het eenige is, buiten dat van
Madrid, hetwelk dien naam verdient; het bevindt zich in het oude
klooster van la Merced, dat op een pleintje uitkomt, waarop men voor
eenige jaren het standbeeld van Murillo heeft opgericht.
De sevillasche school is zeker de belangrijkste van geheel Spanje: het
is voldoende de namen van Murillo en Velasquez op te noemen. De eerste
vormt, om zoo te zeggen, een museum op zich zelf, het museum van la
Merced, waarin geen enkel stuk van Velasquez wordt aangetroffen. Deze
afwezigheid van schilderstukken des grootsten meesters, die Spanje
heeft voortgebracht, komt u op het eerste gezicht vreemd voor; maar die
bevreemding wijkt spoedig wanneer men zich herinnert, dat Velasquez het
grootste gedeelte van zijn leven aan het hof van Filips IV heeft
doorgebracht.
Men weet dat Murillo drie verschillende genres had; door de Spanjaarden
frio, calido, vaporoso (koud, warm en nevelig) geheeten: de schilderij
in de zaal aanwezig, die men El salon de Murillo heet en waarin alleen
zijne werken prijken, de heilige Justina en Rufina voorstellende, is in
het warme genre; de beide patronessen van Sevilla, dochters van een
pottebakker van Triana, zijn afgebeeld met vazen, zooals men ze
tegenwoordig nog in die voorstad vervaardigt.
Een andere schilderij van kleiner omvang, de Maagd en het Kind Jezus
voorstellende, is, naar men beweert, door Murillo op een servet
geschilderd, waarom men het in de wandeling la servilleta heet.
De meeste andere schilderijen van Murillo zijn even merkwaardig,
ofschoon niet zoo kostbaar; van de werken der overige spaansche
schilders zullen wij slechts een heilige Thomas van Aquino, het
meesterstuk van Zurraban aanhalen; een heilige Hermenegilde, van
Herrera el vièjo, en een doek van Fr. Pacheco, den schoonbroeder van
Velasquez, een heilige voorstellende die zich den buik opensnijdt; een
onderwerp dikwijls door spaansche schilders behandeld.
Als men Sevilla door de Puerta de Jerez uitgaat en rechts van zich de
Pasco de Cristina laat liggen, komt men aan het paleis San Telmo, door
den hertog van Montpensier bewoond. Bij het binnentreden van deze
gastvrije woning, wier zalen welwillend voor de bezoekers openstaan,
staat men verbaasd over den daar heerschenden smaak; terwijl men niet
minder de tuinen van San Telmo bewondert, die zich tot aan den
Guadalquivir uitstrekken en in pracht die van den Alcazar niets
toegeven, en nog uitgebreider zijn. De zeldzaamste planten worden er
gekweekt, en men telt er niet minder dan vijfduizend vijfhonderd voet
oranjeboomen.