4 dagen later.

Ik had dat alles juist geschreven toen—ja, wat denk je wel, dat er toen

gebeurde?—De meid kwam binnen met een kaartje van Jongeheer Jervie.

Hij gaat dezen zomer naar Europa, niet met Julia en haar familie, maar

heelemaal alleen. En ik zei hem, dat je me hadt uitgenoodigd om onder

de hoede van een oudere dame met een heele troep jonge meisjes ook

naar Europa te gaan. Ik heb hem al eens over jou gesproken, lieveling,

d.w.z., hij weet, dat mijn Vader en Moeder gestorven zijn en dat een

lieve, oude heer me naar College heeft gestuurd. Maar ik had niet den

moed hem over het John Grier Home en de rest te spreken. Hij denkt, dat

jij mijn voogd bent en een goede huisvriend. Ik heb hem nooit verteld,

dat ik je niet eens ken. Dat zou al te gek zijn.

In elk geval raadde hij me erg aan om naar Europa te gaan. Hij zei, dat

het bepaald noodzakelijk voor mijn opleiding was en dat ik het niet

mocht weigeren en ook, dat hij zoowat gelijk met mij in Parijs zou zijn

en dat ik dan wel eens onder de hoede van de chaperonne weg kon vluchten

en met hem in een aardig buitenlandsch restaurant kon dineeren.

Om je de waarheid te bekennen, het was erg verleidelijk, Vadertje. Ik

bezweek haast, en als hij niet zoo'n dictators-air had aangenomen, was

ik heel en al bezweken. Ik geef dikwijls toe wanneer iemand vriendelijk,

geduldig met me spreekt, maar ik kan het niet hebben, dat ze mij willen

dwingen. Hij zei, dat ik een dom, dwaas-romantisch, onredelijk, idioot,

onhandelbaar kind was (dit zijn een paar van zijn lieflijke benamingen,

de rest ontging me) en dat ik niet wist, wat goed voor me was. Dat moest

ik maar aan het oordeel van oudere menschen overlaten. We hebben haast

gekibbeld. Misschien deden we dat ook wel.

In elk geval, ik heb toen in alle haast mijn koffers gepakt en ben

hierheen gereisd. Ik dacht, dat het beter was, dat mijn schepen achter

mij verbrand waren wanneer ik je weer zou schrijven. En ik kan nu mijn

brief ook afmaken.

Ik zit hier nu in Cliff Top (de naam van Mevrouw Paterson's

buitenhuisje). Mijn koffers zijn uitgepakt en ik heb ook samen met

Florence—de jongste—den strijd tegen de verbuigingen opgenomen. En

dat is me een zware strijd! Zij is een buitengewoon verwend kind. Ik

zal haar eerst moeten leeren hoe ze werken moet. Ze heeft haar heele

leventje nog nooit over iets gewichtigers gedacht dan over roomijs en

spuitwater.

Wij gebruiken een rustig hoekje, op een van de rotsen, voor leerkamer

(Mevrouw Paterson wenscht, dat ik haar buiten les geef) en ik wil je

wel bekennen, dat het mij ook moeilijk valt om mijn gedachten bij het

werk te houden met de blauwe zee en de schepen voor oogen. En als ik

dan denk, dat ik ook op zoo'n schip had kunnen zijn en vreemde landen

had kunnen zien..... Maar ik _wil_ aan niets anders dan aan Latijnsche

grammatica denken.

De voorzetsels a of ab, absque, coram, cum, de, e of ex, prae, pro,

sine, tenus, subter, sub en super regeeren den ablativus.

Zoo zie je, dat ik hard kan werken, zelfs met de meest verleidelijke

beelden voor oogen. Toe, wees niet boos op me en denk nu niet, dat ik

je goedheid niet op prijs stel. Want dat doe ik wel. Altijd, altijd. De

eenige manier, waarop ik je ooit mijn dankbaarheid kan bewijzen is door

een Zeer Nuttig Burger te worden. (Zijn vrouwen ook burgers, ik geloof

het eigenlijk niet). En als je dan naar me kijkt, kun je bij jezelf

zeggen: ik schonk de wereld deze Zeer Nuttige Vrouw.

Dat klinkt als een klok, hè Vadertje, maar laat ik je niet misleiden. Ik

denk dikwijls, dat ik heelemaal niets bijzonders heb. Het is gek, nu al

zoo ver vooruit te spreken, maar toch geloof ik heusch niet, dat ik ooit

iets anders dan een heel gewone middelmatige vrouw zal worden. Misschien

zal ik een ondernemend man trouwen, en hem bij zijn werk inspireeren.

Altijd,

Je Judy.

Vadertje Langbeen · 第 83 / 103 题