10 Juni.

Liefste Vadertje,

Dit is de moeilijkste brief, dien ik je ooit heb geschreven, maar ik

heb bij mezelf ernstig overlegd, wat me te doen staat en nu kan ik niet

meer van mijn plan afwijken. Het is allerliefst en heel edelmoedig van

je, dat je me dezen zomer naar Europa wilt sturen. Toen ik je brief pas

kreeg, was ik half dronken van geluk. Maar daarna.... daarna wist ik

ook, dat ik het niet mocht aannemen. Het zou al te onlogisch van me

zijn, om je geld voor de Universiteit te weigeren, maar het wel voor

mijn plezier aan te nemen. Je moet me niet te veel een weeldeleventje

willen geven. Als je iets nooit hebt gekend, mis je het ook niet, maar

het is vreeselijk hard en moeilijk je later dingen te ontwennen, waarvan

je al dacht, dat ze je gewoonweg toekwamen. Het is al moeilijk om in het

samenleven met Sallie en Julia mijn stoïcijnsche onverschilligheid te

bewaren. Zij hebben van kind af aan alles gekregen en aanvaarden het

geluk als iets wat hun toekomt. Zij denken dat het Leven hun alles

verschuldigd is, wat ze maar wenschen. Misschien is dat ook wel zoo.

In elk geval schijnt het Leven zijn schuld te kennen en geeft het hun

alles. Maar mij is het niets verschuldigd en het heeft mij dat ook al

van jongs af aan duidelijk gemaakt. Ik heb hoegenaamd geen recht op

crediet, want er zal een tijd komen, waarin het Leven mijn aanspraken

zal verwerpen.

Ik praat er nu eigenlijk zoo'n beetje om heen, maar toch begrijp je

zeker wel, wat ik ermee wil zeggen. In elk geval voel ik duidelijk, dat

het voor mij het beste is om dezen zomer lessen te geven en te beginnen,

voor mijn eigen onderhoud te zorgen.

Magnolia.

Vadertje Langbeen · 第 82 / 103 题