Liefste Vadertje,
Dit is de moeilijkste brief, dien ik je ooit heb geschreven, maar ik
heb bij mezelf ernstig overlegd, wat me te doen staat en nu kan ik niet
meer van mijn plan afwijken. Het is allerliefst en heel edelmoedig van
je, dat je me dezen zomer naar Europa wilt sturen. Toen ik je brief pas
kreeg, was ik half dronken van geluk. Maar daarna.... daarna wist ik
ook, dat ik het niet mocht aannemen. Het zou al te onlogisch van me
zijn, om je geld voor de Universiteit te weigeren, maar het wel voor
mijn plezier aan te nemen. Je moet me niet te veel een weeldeleventje
willen geven. Als je iets nooit hebt gekend, mis je het ook niet, maar
het is vreeselijk hard en moeilijk je later dingen te ontwennen, waarvan
je al dacht, dat ze je gewoonweg toekwamen. Het is al moeilijk om in het
samenleven met Sallie en Julia mijn stoïcijnsche onverschilligheid te
bewaren. Zij hebben van kind af aan alles gekregen en aanvaarden het
geluk als iets wat hun toekomt. Zij denken dat het Leven hun alles
verschuldigd is, wat ze maar wenschen. Misschien is dat ook wel zoo.
In elk geval schijnt het Leven zijn schuld te kennen en geeft het hun
alles. Maar mij is het niets verschuldigd en het heeft mij dat ook al
van jongs af aan duidelijk gemaakt. Ik heb hoegenaamd geen recht op
crediet, want er zal een tijd komen, waarin het Leven mijn aanspraken
zal verwerpen.
Ik praat er nu eigenlijk zoo'n beetje om heen, maar toch begrijp je
zeker wel, wat ik ermee wil zeggen. In elk geval voel ik duidelijk, dat
het voor mij het beste is om dezen zomer lessen te geven en te beginnen,
voor mijn eigen onderhoud te zorgen.
Magnolia.