19 Augustus.

Lieve Vadertje Langbeen,

Van uit mijn venster heb ik een prachtig vergezicht op de zee, niets dan

water en rotsen.

De zomer spoedt ten einde. Ik breng mijn tijd door met Latijn en

Engelsch en Algebra bij mijn uiterst domme leerlingen in te pompen. Ik

begrijp niet, hoe Marion ooit tot College toegang zal krijgen of hoe

ze er zal blijven, _als_ ze er eenmaal zit. En wat Florence betreft,

nu, dat is een erg hopeloos geval. Maar het is een schoonheidje en ik

geloof, dat het er in het minst niet op aankomt of een meisje dom is of

niet, als ze er maar mooi uitziet. Ik kan het niet helpen, ik moet er

aldoor aan denken, hoe ze later haar man wel met praten zal vervelen,

tenminste als die niet zoo dom is als zij. En ach dat zal hij wel zijn.

De wereld schijnt wel stampvol met domme menschen. Ik heb er ten minste

van den zomer weer een paar ontmoet! 's Middags maken we een wandeling

over de rotsen of we zwemmen. Je ziet, hoe nuttig mijn opleiding blijkt

te zijn.

Ik kreeg een brief van Mijnheer Jervie Pendleton uit Parijs, nogal een

korte, stugge brief. Hij heeft me nog niet heelemaal vergeven, dat ik

zijn raad niet wilde opvolgen. Maar toch komt hij nog een paar dagen

naar Lock Willow, voordat College weer opent en we zullen elkaar daar

zien. En als ik erg aardig en lief en gedwee ben, dan (dat lees ik

tusschen de regels door) wordt Judy weer in genade aangenomen.

Er kwam vanmorgen ook een brief van Sallie. Ze vraagt of ik met

September nog twee weken in het kamp kom. Moet ik je nog verlof vragen,

of is de tijd nu gekomen, dat ik zulke uitnoodigingen op eigen houtje

mag aannemen? Ja, ik weet zeker, dat ik je er nu niet meer om behoef

te vragen. Ik ben nu een senior, weet je. En nu ik den heelen zomer

zoo hard heb gewerkt, voel ik, dat ik ook behoefte aan ontspanning heb

en ik verlang er zoo naar, om Adirondacks te zien! Ik verlang naar

Sallie, naar haar moeder, naar haar broer. Hij zal me leeren roeien en

(dat geeft eigenlijk den doorslag, weet je) ik vind het prettig, dat

Jongeheer Jervie op Lock Willow komt en me er dan niet vindt. Ik moet

hem eens toonen, dat ik me niet laat dwingen. Niemand kan me dwingen,

Vadertje, alleen jij, en jij kunt het ook niet eens altijd.

Dag! Ik ga weg naar de bosschen, naar Adirondacks!

Judy.

Vadertje Langbeen · 第 84 / 103 题