Lieve Vadertje Langbeen,
Van uit mijn venster heb ik een prachtig vergezicht op de zee, niets dan
water en rotsen.
De zomer spoedt ten einde. Ik breng mijn tijd door met Latijn en
Engelsch en Algebra bij mijn uiterst domme leerlingen in te pompen. Ik
begrijp niet, hoe Marion ooit tot College toegang zal krijgen of hoe
ze er zal blijven, _als_ ze er eenmaal zit. En wat Florence betreft,
nu, dat is een erg hopeloos geval. Maar het is een schoonheidje en ik
geloof, dat het er in het minst niet op aankomt of een meisje dom is of
niet, als ze er maar mooi uitziet. Ik kan het niet helpen, ik moet er
aldoor aan denken, hoe ze later haar man wel met praten zal vervelen,
tenminste als die niet zoo dom is als zij. En ach dat zal hij wel zijn.
De wereld schijnt wel stampvol met domme menschen. Ik heb er ten minste
van den zomer weer een paar ontmoet! 's Middags maken we een wandeling
over de rotsen of we zwemmen. Je ziet, hoe nuttig mijn opleiding blijkt
te zijn.
Ik kreeg een brief van Mijnheer Jervie Pendleton uit Parijs, nogal een
korte, stugge brief. Hij heeft me nog niet heelemaal vergeven, dat ik
zijn raad niet wilde opvolgen. Maar toch komt hij nog een paar dagen
naar Lock Willow, voordat College weer opent en we zullen elkaar daar
zien. En als ik erg aardig en lief en gedwee ben, dan (dat lees ik
tusschen de regels door) wordt Judy weer in genade aangenomen.
Er kwam vanmorgen ook een brief van Sallie. Ze vraagt of ik met
September nog twee weken in het kamp kom. Moet ik je nog verlof vragen,
of is de tijd nu gekomen, dat ik zulke uitnoodigingen op eigen houtje
mag aannemen? Ja, ik weet zeker, dat ik je er nu niet meer om behoef
te vragen. Ik ben nu een senior, weet je. En nu ik den heelen zomer
zoo hard heb gewerkt, voel ik, dat ik ook behoefte aan ontspanning heb
en ik verlang er zoo naar, om Adirondacks te zien! Ik verlang naar
Sallie, naar haar moeder, naar haar broer. Hij zal me leeren roeien en
(dat geeft eigenlijk den doorslag, weet je) ik vind het prettig, dat
Jongeheer Jervie op Lock Willow komt en me er dan niet vindt. Ik moet
hem eens toonen, dat ik me niet laat dwingen. Niemand kan me dwingen,
Vadertje, alleen jij, en jij kunt het ook niet eens altijd.
Dag! Ik ga weg naar de bosschen, naar Adirondacks!
Judy.