4 April.

Liefste schat van een Vadertje Langbeen,

Toen ik gisteravond tegen donker in bed opzat, naar den regen keek en

allerverschrikkelijkst het land had aan het leven hier in die groote

inrichting, kwam de verpleegster met een lange witte doos, aan mij

geadresseerd, die met de snoezigste rose rozenknopjes was gevuld. En wat

nog veel aardiger was, er zat een kaartje binnen-in, waarop een paar

vriendelijke zinnetjes met een grappig, stijl handje geschreven (maar

toch toont je schrift veel karakter). Dank je lieveling, dank je heel,

héél hartelijk. Dat is nu het eerste werkelijke cadeau, dat ik ooit in

mijn leven heb gekregen. En zoo'n kleine baby ben ik nog, dat ik stil

ging liggen en zachtjes huilde, omdat ik me zoo gelukkig voelde.

Nu ik zeker weet dat je mijn brieven wel leest, zal ik je in het vervolg

nog veel meer vertellen en ze zoo interessant maken, dat je ze nog

allemaal zult bewaren, met een rood zijden lintje er om heen gebonden.

Maar neem alsjeblieft die ééne nare er uit en verbrand hem. Ik zou het

ellendig vinden, als je die ooit weer eens te voorschijn haalde.

Dank je, Vadertje, dat je een zieke, knorrige en landerige eerste jaars

zoo gelukkig hebt gemaakt. Je zult wel een groote familie hebben en een

massa vrienden die van je houden, en je weet dus niet hoe ellendig het

is, wanneer je je zoo vreeselijk verlaten voelt.

Dàg. Ik beloof je, nooit meer naar tegen je te zijn, omdat ik nu weet,

dat je een werkelijk bestaand mensch bent en ik zal je ook nooit meer

met vragen lastig vallen.

Altijd,

Je kleine Judy.

Maandag, 8 uur.

Lieve Vadertje Langbeen,

Je bent toch niet de regent geweest, die op die pad is gaan zitten?

Ze vertelden me naderhand, dat die ongedeerd met een plof er onderuit

sprong. Het zal dus wel bij een dikkeren regent gebeurd zijn, denk ik.

Herinner je je dat kleine holletje met tralies ervoor, bij het waschhuis

van het John Grier Home? Elk voorjaar, wanneer de padden weer te

voorschijn kwamen, maakten we jacht op ze en stopten dan heele benden

in dat holletje. En af en toe sprongen ze er dan uit en kwamen ze ook

in 't waschhuisje en brachten ons zoo wat afleiding op die vervelende

waschdagen. We kregen dan natuurlijk allemaal erge straf maar toch

konden we het nooit laten, die padden telkens en telkens weer te vangen.

En op een goeden dag (ik zal je maar niet met kleine bijzonderheden

vervelen) maar in elk geval, toen kwam een van onze vetste padden in een

van de groote leeren clubstoelen in de regentenkamer terecht. En dien

middag op den Regentendag—maar ik hoef je niets verder te vertellen,

want je bent er natuurlijk ook bij geweest en herinnert je nu zeker wel

de rest.

Wanneer ik nu na langen tijd onpartijdig aan het geval terugdenk, moet

ik eerlijk bekennen, dat onze straf verdiend was en—als ik me tenminste

goed herinner—zelfs in evenredigheid met de zonde.

Ik weet niet, waarom ik juist vandaag zoo'n zin heb, al die oude

herinneringen weer eens op te frisschen. Misschien roepen het voorjaar

en de padden mijn ouden ondeugenden geest wakker. Alleen het feit, dat

hier geen enkele regel ons verbiedt er een verzameling padden op na te

houden, weerhoudt me, aan die lust toe te geven.

Na kerk, Donderdag.

Wat denk je wel, dat mijn lievelingsboek is? Op het oogenblik meen ik,

want ik verander alle drie dagen. „Wuthering Heights!” Emily Brontë

was nog heel jong toen ze het schreef, was zelfs nog nooit buiten het

kerkhof van Haworth geweest. Ze had nog nooit in haar heele leven een

man gekend. Hoe kon ze dan toch zoo'n man als Heathcliffe beschrijven?

Ik zou het niet kunnen. Soms ben ik op eens erg bang, dat ik heelemaal

geen schrijfsterstalent heb. Zou je erg teleurgesteld zijn wanneer ik

geen groote schrijfster werd? Nu het in het voorjaar zoo mooi wordt met

al dat jonge groen en die zwellende knoppen, zou ik die boeken wel den

rug willen toedraaien en naar buiten, in het veld, hollen. Daar kun je

toch zoo'n macht avonturen beleven en het is veel leuker boeken te

lezen dan ze te moeten schrijven!

Vadertje Langbeen · 第 30 / 103 题