Liefste schat van een Vadertje Langbeen,
Toen ik gisteravond tegen donker in bed opzat, naar den regen keek en
allerverschrikkelijkst het land had aan het leven hier in die groote
inrichting, kwam de verpleegster met een lange witte doos, aan mij
geadresseerd, die met de snoezigste rose rozenknopjes was gevuld. En wat
nog veel aardiger was, er zat een kaartje binnen-in, waarop een paar
vriendelijke zinnetjes met een grappig, stijl handje geschreven (maar
toch toont je schrift veel karakter). Dank je lieveling, dank je heel,
héél hartelijk. Dat is nu het eerste werkelijke cadeau, dat ik ooit in
mijn leven heb gekregen. En zoo'n kleine baby ben ik nog, dat ik stil
ging liggen en zachtjes huilde, omdat ik me zoo gelukkig voelde.
Nu ik zeker weet dat je mijn brieven wel leest, zal ik je in het vervolg
nog veel meer vertellen en ze zoo interessant maken, dat je ze nog
allemaal zult bewaren, met een rood zijden lintje er om heen gebonden.
Maar neem alsjeblieft die ééne nare er uit en verbrand hem. Ik zou het
ellendig vinden, als je die ooit weer eens te voorschijn haalde.
Dank je, Vadertje, dat je een zieke, knorrige en landerige eerste jaars
zoo gelukkig hebt gemaakt. Je zult wel een groote familie hebben en een
massa vrienden die van je houden, en je weet dus niet hoe ellendig het
is, wanneer je je zoo vreeselijk verlaten voelt.
Dàg. Ik beloof je, nooit meer naar tegen je te zijn, omdat ik nu weet,
dat je een werkelijk bestaand mensch bent en ik zal je ook nooit meer
met vragen lastig vallen.
Altijd,
Je kleine Judy.
Maandag, 8 uur.
Lieve Vadertje Langbeen,
Je bent toch niet de regent geweest, die op die pad is gaan zitten?
Ze vertelden me naderhand, dat die ongedeerd met een plof er onderuit
sprong. Het zal dus wel bij een dikkeren regent gebeurd zijn, denk ik.
Herinner je je dat kleine holletje met tralies ervoor, bij het waschhuis
van het John Grier Home? Elk voorjaar, wanneer de padden weer te
voorschijn kwamen, maakten we jacht op ze en stopten dan heele benden
in dat holletje. En af en toe sprongen ze er dan uit en kwamen ze ook
in 't waschhuisje en brachten ons zoo wat afleiding op die vervelende
waschdagen. We kregen dan natuurlijk allemaal erge straf maar toch
konden we het nooit laten, die padden telkens en telkens weer te vangen.
En op een goeden dag (ik zal je maar niet met kleine bijzonderheden
vervelen) maar in elk geval, toen kwam een van onze vetste padden in een
van de groote leeren clubstoelen in de regentenkamer terecht. En dien
middag op den Regentendag—maar ik hoef je niets verder te vertellen,
want je bent er natuurlijk ook bij geweest en herinnert je nu zeker wel
de rest.
Wanneer ik nu na langen tijd onpartijdig aan het geval terugdenk, moet
ik eerlijk bekennen, dat onze straf verdiend was en—als ik me tenminste
goed herinner—zelfs in evenredigheid met de zonde.
Ik weet niet, waarom ik juist vandaag zoo'n zin heb, al die oude
herinneringen weer eens op te frisschen. Misschien roepen het voorjaar
en de padden mijn ouden ondeugenden geest wakker. Alleen het feit, dat
hier geen enkele regel ons verbiedt er een verzameling padden op na te
houden, weerhoudt me, aan die lust toe te geven.
Na kerk, Donderdag.
Wat denk je wel, dat mijn lievelingsboek is? Op het oogenblik meen ik,
want ik verander alle drie dagen. „Wuthering Heights!” Emily Brontë
was nog heel jong toen ze het schreef, was zelfs nog nooit buiten het
kerkhof van Haworth geweest. Ze had nog nooit in haar heele leven een
man gekend. Hoe kon ze dan toch zoo'n man als Heathcliffe beschrijven?
Ik zou het niet kunnen. Soms ben ik op eens erg bang, dat ik heelemaal
geen schrijfsterstalent heb. Zou je erg teleurgesteld zijn wanneer ik
geen groote schrijfster werd? Nu het in het voorjaar zoo mooi wordt met
al dat jonge groen en die zwellende knoppen, zou ik die boeken wel den
rug willen toedraaien en naar buiten, in het veld, hollen. Daar kun je
toch zoo'n macht avonturen beleven en het is veel leuker boeken te
lezen dan ze te moeten schrijven!