Dat was een noodkreet, die Sallie en Julia en (o schrik!) zelfs de
Senior vierde jaars, met den bril op, in mijn kamer deed stormen. Hij
werd veroorzaakt door een ongedierte, dat er zoo uitzag:
[Illustratie]
Alleen nog wat griezeliger! Juist toen ik mijn laatsten zin af had en er
over nadacht, wat ik je nu wel zou vertellen, viel dat dier, plof, op de
bladzij naast me neer. Ik heb twee kopjes van de theetafel gegooid in
mijn angst om weg te komen. Sallie smeet er met mijn haarborstel naar,
(die zal ik nu nooit meer durven gebruiken) en doodde het kopstuk, maar
het achtereind kronkelde over mijn schrijftafel weg en ontsnapte.
Door den klimop en omdat onze toren zoo oud is, wémelt het hier van
duizendpooten. Ik vind het vreeselijke dieren, ik vond heusch nog liever
een tijger onder mijn bed!
Vrijdag, 9.30 n.m.
Ik had vandaag toch zoo'n pechdag! Vanmorgen hoorde ik de bel niet en
heb ik me verslapen. Ik trok mijn schoenveter stuk terwijl ik me in
alle haast aankleedde en liet het knoopje van mijn boord in mijn hals
glijden. Ik kwam te laat aan het ontbijt en ook op het eerste uur.
Ik vergat mijn vloeipapier, en mijn vulpenhouder lekte. Onder de
trigonometrie hadden de leerares en ik een klein meeningsverschil
in verband met de logarithmen; ik heb de zaak nagegaan en zij had
natuurlijk gelijk.
Bij de lunch hadden we gestoofd schapenvleesch en rijstenbrij. Ik heb
aan alle twee het land—het ruikt naar het John Grier Home! Met de post
kwamen er niets anders dan rekeningen voor me (hoewel ik moet bekennen,
dat dit niets bijzonders is want er komt voor mij nooit iets anders:
mijn familie houdt nu eenmaal niet van schrijven). Dan hadden we vandaag
nog onverwachts een schrijfles. Kijk, dat moesten we overschrijven:
„I asked no other thing,
No other was denied.
I offered Being for it;
The mighty Merchant smiled.
Brazil? He twirled a button
Without a glance my way:
But, madam, is there nothing else
That we can show to-day?”
Dat moet een gedicht voorstellen! Ik weet niet wie het in elkaar
prutste en nog veel minder wat het beteekent! Toen we vanmorgen in
de klas kwamen, stond het al op het bord en wij moesten het allemaal
overschrijven. Na het eerste couplet dacht ik, dat ik het begreep. De
machtige Koopman was een godheid, die zegeningen in ruil voor goede
daden uitdeelde, maar toen ik bij het tweede couplet hoorde, dat hij een
knoop ronddraaide, leek me dat wel een heel profane voorstelling en nu
weet ik niet meer, wat ik er van denken moet. De anderen verkeerden in
hetzelfde geval en zoo zaten we drie kwartier met een wit papier voor
ons en een doezelig hoofd. Een goede opleiding te krijgen is toch soms
een gruwelijk vervelend proces!
Maar daarmede was mijn pechdag nog niet teneinde. Er kwam nog iets veel
ergers!
Het stortregende zoo, dat we geen golf konden spelen, maar naar het
gymnastieklokaal moesten. Het meisje naast me sloeg me bij het schermen
op mijn elleboog. Ik ging naar mijn kamer en zag daar, dat mijn nieuwe
lichtblauwe voorjaarsjapon was gekomen. De rok is zoo verknipt, dat ik
niet kan zitten. Vrijdags wordt hier schoongemaakt en de meid had alle
papieren op mijn lessenaar door elkaar gesmeten. Voor dessert hadden
we vanavond vanillevla, dat is melk en gelatine met wat vanillesuiker
er bovenop. We moesten twintig minuten langer dan anders in de kerk
blijven om er een preek over Vrouwelijke Vrouwen aan te hooren. En toen
ik op mijn kamer eindelijk met een zucht van verlichting. „The Portrait
of a Lady” van het rek haalde, kwam daar een kind, dat Ackerly heet,
een dom schaapachtig wurm, dat met Latijn naast me zit omdat haar naam
ook met A begint (Ik wou, dat Juffrouw Lippett me maar Zabriski had
gedoopt). Ze vraagt me of de les voor Maandag bij Par. 69 of 70 begint
en _blijft me daar liefst een heel uur plakken_. Nu net is ze weggegaan.
Heb je ooit zoo'n rits vervelende dingen bij elkaar gezien? Het zijn
werkelijk niet de groote lasten in het leven, die veel van je karakter
vergen. Iedereen kan een verpletterende tragedie met moed in de oogen
zien, maar om de kleine onaangename dagelijksche ongelukjes met een
glimlach over je heen te laten gaan—daar is heusch heel wat kracht voor
noodig.
Zoo'n karakter zou ik wel willen hebben. Ik oefen me dagelijks. Dan stel
ik me voor, dat het heele leven maar een spel is, dat je zoo handig en
zoo mooi mogelijk moet spelen. Wanneer ik verlies, zal ik mijn schouders
ophalen en lachen—en als ik win ook!
In elk geval wil ik me harden. Je zult me niet meer hooren klagen,
hoor oude lieveling, wanneer Julia zijden kousen draagt en duizenden
duizendpooten van den muur naar beneden vallen.
Altijd, Je Judy.
Antwoord me eens gauw.