een groot deel heel erg hun gevangenschap voelen; slaven, die de koopman
vertoont, en verkoopt, en meer of minder handig aanprijst: het doet
indirect denken aan de Oostersche markten, waar menschelijke slaven
verkocht worden. De gevleugelde slaven, al spreken zij onze talen niet,
geven toch niet minder duidelijk den indruk van slavernij; sommigen,
in gevangenschap geboren, hebben zich geschikt in hun lot; maar de
anderen zijn stil en somber, zij droomen altijd van de vrijheid. Er
zijn er die zich tot de voorbijgangers schijnen te wenden, alsof zij
ze wilden aanhouden; zij verlangen niets anders dan een goeden meester.
Hoe dikwijls zagen wij niet een klein slim puttertje, een aardig
roodborstje, die ons droevig aanzagen; hun blik zeide heel duidelijk:
„Koop mij toch!”
Op een Zondag van dezen zomer, hebben wij er een bezoek gebracht, dat
wij niet licht zullen vergeten. De markt was niet rijk bezet, ook niet
harmonieus; want de ruitijd, de stille tijd, was begonnen. Maar wij
werden getroffen, en onze belangstelling werd in 't bijzonder opgewekt,
door de naïeve houding van sommige vogels. Gewoonlijk trekken zang en
vedertooi, de hoogste attributen van de vogels, alle aandacht, en men
vergeet te letten op hun levendige en origineele pantomine. Er is er
één, de Amerikaansche spotvogel, die een echt tooneelspelersgenie heeft,
en al zijn zangen begeleidt met een zeer gemarkeerde mimiek, die hun
karakter volgt, en dikwijls ironisch is getint. Onze vogels zijn in die
eigenaardige kunst niet thuis; maar eenvoudig en onbewust, geven ze door
hunne bewegingen duidelijk, en dikwijls op roerende wijze, te kennen wat
er in hen omgaat.
Dien dag was een zwartkop grasmusch de koning; hij was een kunstenaar
van hooge waarde, die van de anderen was afgezonderd in de uitstalling;
hij stond boven de andere kooien, als een kleinood zonder weerga. Hij
bewoog zich licht en sierlijk; een allerbekoorlijkst diertje één en al
gratie. In gevangenschap groot gebracht betreurde hij geen vrijheid, en
de indruk, dien hij gaf was enkel lieftalligheid en geluk. Het was
blijkbaar een allerliefst en zacht wezen, en zóózeer scheen het mij, dat
de zang in harmonie moest zijn met de beweging, dat ik vóór hem staande,
meende hem te hooren zingen.
Lager, veel lager, een vreemde en geheel tegenovergestelde indruk: een
klein kooitje, waar een iets grootere vogel, onmenschelijk nauw was
ingesloten. Het was een vink; de eerste blindgemaakte, dien ik zag. Geen
pijnlijker schouwspel denkbaar. Het kan alléén een natuur, aan alle
harmonie vreemd, de ziel van een barbaar zijn, die zich den zang van
dat slachtoffer koopt voor zulk een aanblik. Zijn verwrongen houding,
het werken van zijn lichaampje, maakten zijn zang allersmartelijkst
voor mij; en het ergst was, dat het menschelijke bewegingen waren: zij
herinnerden aan bijzienden, of menschen op later leeftijd blindgeworden,
zooals die met hun hoofd draaien of ongracelijk de schouders bewegen.
Zoo doet nooit een blindgeborene. Met een wanhopig pogen, door gewoonte
tot een vasten trek geworden, zocht hij, het kopje naar rechts gewend,
met zijn doode oogen het licht.
De verdraaide hals, dien hij opzwol, als om meer kracht te kunnen
zetten, dook weg in de hoog opgetrokken schouders. Deze rampzalige
mismaakte virtuoos, die al maar bleef zingen, had een bewijs kunnen
zijn van de leelijkheid van den kunstenaarslaaf, indien het beeld niet
veredeld ware geworden, door dat wanhopig pogen het licht te vinden, al
zoekend naar boven, en puttend zijn zang uit de onzichtbare zon, die hij
in zich bewaard heeft.
Deze vogel, dien men niet veel leeren kan, herhaalt in 't oneindige met
zijn verwonderlijken metaalklank, de bijzondere melodie van zijn
geboorteplaats.
De verscheidenheid van vinken-dialekten is zoo groot als de
verscheidenheid van hun woonplaatsen. Hij blijft altijd zichzelf,
zingt zijn geboortegrond; altijd dezelfde phrase op denzelfden toon;
maar met hartstocht en in een voortdurenden wedstrijd. Zet men een
mededinger bij hem, dan zal hij het honderdemalen na elkaar herhalen,
tot hij er misschien aan sterft. Het verwondert mij niet, dat de Belgen
hartstochtelijke liefhebbers zijn van de wedstrijden tusschen die helden
van den nationalen zang: hun zangers uit de Ardennerwouden; dat zij
prijzen geven, zelfs kronen, zelfs eerepoorten, aan die toegewijden,
die voor een overwinning het leven laten.
[Illustratie]
Nog lager dan de vink, in een allerakeligst-klein kooitje, in een
gemengd gezelschap, tusschen een half dozijn vogels van verschillende
grootte, toonde men mij een gevangene, dien ik niet opgemerkt zou
hebben: een jongen nachtegaal, dienzelfden ochtend gevangen. De
vogelaar, sluw machiavellist, had den droeven gevangene in een vroolijk
gezelschap slaafjes gezet, die al lang aan opsluiting gewoon waren:
jonge winterkoninkjes, nog niet lang geleden in de kooi geboren. Hij had
listig berekend, dat het zien van kinderlijk spel en vreugde, dikwijls
het groote leed doet vergeten. En het was een groot, een immens leed,
aangrijpender dan alle smart, die wij door tranen uitdrukken. Een
stomme opgesloten smart, die niet anders verlangde dan duisternis.
Hij had zich in het verste hoekje van de kooi, waar het donkerder was,
teruggetrokken, half verborgen in een etensbakje; daar zat hij dik, de
veeren bol en los bijna overeind staande, de oogen gesloten; hij opende
ze niet eens, als hij een duw kreeg van die kleine woelwaters, die in
hun dolle, onbescheiden pret, soms tegen hem aandrongen. Hij wilde
niets zien, niets hooren, niet eten en niet getroost worden, dat was
duidelijk. Het willens de duisternis zoeken, was in die wreede smart,
een ~trachten niet te zijn~, een opzettelijke zelfmoord, dat voelde ik.
In zijn geest zocht hij den dood, en hij deed zijn best te sterven, door
de werking zijner zinnen te schorsen, en alle uitwendig leven stop te
zetten.
En weet, dat in die houding, geen haat, geen bitterheid, geen toorn
was; niets dat herinnerde aan zijn buurman, den heftigen vink, wien
men een wanhopig, worstelend pogen kon aanzien. Zelfs de zorgelooze
onbescheidenheid van die kindervogeltjes, die zich zoo ruw tegen
hem aangooiden, dwong hem geen beweging van ongeduld af. Het was
onmiskenbaar, dat hij zeide: „Wat deert hem, die niet meer is!”
Al waren zijn oogen gesloten, ik las in hem. Ik voelde in hem een
kunstenaarsziel, al zachtheid en licht, zonder gal noch hardheid tegen
de barbaarschheid der wereld en de wreedheid van het lot. En dáárop
leefde hij, dáárdoor kon hij niet sterven. Want tegelijk met die groote
rouw, leefde in hem het alvermogend geneesmiddel hem ingeboren: ~het
innerlijk licht~, ~de zang~. Die twee woorden hebben gelijke beteekenis
in de taal van den nachtegaal.
Ik begreep dat hij niet sterven zou; want zelfs nu, ondanks hemzelf,
ondanks dat verlangen, niet meer te zijn, hield hij niet op te zingen.
Hij zong een stommen zang; maar ik hoorde dien duidelijk:
~Lascia ch' io pianga~!....
~La Libertà~....
(Laat mij klagen!.... De Vrijheid!....)
Ik had niet verwacht, daar dien zang terug te vinden, dien ik vroeger
gehoord had uit een anderen mond, (een mond, die zich nooit meer zal
openen) die toen in mijne ziel een wonde brandde, waarvan nooit de tijd
het lidteeken zal heelen.
Ik vroeg aan zijn cipier of hij te koop was. De sluwe koopman
antwoordde, dat hij nog niet alleen kon eten. Dat was een tastbare
leugen, want hij was niet van hetzelfde jaar; maar hij wilde hem houden,
om hem 's winters te verkoopen, als hij zijne stem weer terug zou hebben
en een hoogen prijs waard zijn. Zulk een in vrijheid geboren nachtegaal,
heeft een oneindig hooger waarde, dan een die in de kooi geboren werd;
héél anders klinkt zijn zingen; want hij kende de vrijheid en de natuur,
en betreurt wat hij verloor. Bij den waarachtigen kunstenaar is het
beste deel van het genie: de ~smart~.... ~Kunstenaar~, ik heb het
woord gezegd, en ik trek het niet terug. Het is niet bij vergelijking
gesproken, zooals men twee dingen naast elkaar stelt, die veel van
elkaar hebben, maar het is absoluut hetzelfde.
Naar mijne meening is de nachtegaal niet de éérste van het gevleugde
volk, dien men dien naam van kunstenaar verschuldigd is, maar de éénige.
Waarom? Omdat hij de éénige is, die schept; de éénige, die zijn zang
verrijkt en aanvult en afwisselt; hij voegt er nieuwe zangen aan toe.
Hij alléén, heeft dien rijkdom en afwisseling in zichzelf, bij de
anderen is het aangeleerd en nagevolgd. Hij vat ze allen samen; zijn
zang houdt ze bijna allen in. Ieder van hen, van de schitterendste
zangers, levert een couplet voor den nachtegaal. Één enkele vogel
bereikt als hij de hoogste effecten, maar in het naïeve, eenvoudige: dat
is de leeuwerik, het kind van de zon. En ook de nachtegaal wordt bezield
door het licht, en dat zóó sterk, dat in gevangenschap, als hij eenzaam
is en zonder liefde, het licht alléén genoeg is om hem te doen zingen.
Wordt hem, als hij eenigen tijd in het donker is gehouden, op eens het
licht hergeven, dan wordt zijn opwinding een delirium: hij barst uit in
hymnen.
Maar er is altijd dit verschil, dat de leeuwerik geen nachtzanger is.
Zijn melodie wordt nooit een nocturne, die de avondstemming zingt, de
groote effecten en de diepe poëzie van schemering en duister; het
plechtig zwijgen van middernacht, de bezieling van den dageraad; een
groot rijk gedicht, dat ons een hart vol teederheid ontsluiert, en het
openbaart in al zijn diepten.
De leeuwerik heeft het lyrisch genie; maar de zang van den nachtegaal is
het heldendicht, het drama, het woelen van innerlijken strijd. Vandaar
een eigen licht: in zwarten nacht, ziet hij in zijn ziel en in zijn
liefde; en soms schijnt het wel, nog boven individueele liefde uit, in
den oceaan der Oneindige Liefde.
Waarom hem geen kunstenaar te noemen? Hij heeft het temperament in
den hoogsten graad; zoo sterk als de mensch het zelden heeft. Alle
eigenschappen, alle fouten van het temperament heeft hij te over. Hij is
vreesachtig; wantrouwend maar zonder de minste sluwheid. Aan zijne eigen
veiligheid denkt hij niet; en hij trekt altijd alléén. Hij is hevig in
zijn jaloezie, en in wedstrijd met een mededinger staat hij gelijk met
den vink. „Hij zou zich dood zingen,” zegt één van zijn beschrijvers.
Hij luistert naar zichzelf en vestigt zich bij voorkeur waar een echo
is, om te kunnen hooren en antwoorden. Tot in 't uiterste nerveus, ziet
men hem in gevangenschap soms lang slapen op den dag, met onrustige
droomen; of wakend, oproerig en als een razende. Hij is onderhevig aan
zenuwtoevallen en epilepsie.
[Illustratie]
Hij is goed, en hij is roofzuchtig; ik kan dat verklaren. Zijn hart is
teeder voor wat zwak is en klein: geef hem weesjes op te voeden; hij zal
er voor zorgen en die opvoeding zeer ter harte nemen. Zelfs als hij een
mannetje is, en al oud, zal hij ze voeden en opkweeken. Maar van den
anderen kant is hij heftig op zijn prooi, gulzig en begeerig; het is
die altijd brandende inwendige vlam, die steeds om voedsel vraagt, om
hernieuwing. En dat is ook de reden, waarom hij zich zoo gemakkelijk
laat vangen. In den vroegen morgen, bij voorkeur in de maanden April
en Mei, als hij zich heeft uitgeput met zingen den heelen langen nacht
door, vangt men hem zonder moeite. Hij is dan moe, zwak en uitgehongerd,
en werpt zich in blinde begeerigheid op het lokaas. Bovendien is hij
zéér nieuwsgierig, en als er voor hem iets nieuws te zien is, is hij ook
een gemakkelijke buit.
Maar is hij gevangen, dan moet men zijne vleugels binden of hem in een
van binnen gevoerde en van boven gewatteerde kooi zetten, of hij zou
zich den dood aandoen door de uitzinnige woestheid van zijn gefladder.
Maar die hevigheid is alléén uiterlijk. In den grond is hij zacht en
meegaande. En dáárdoor staat hij zoo hoog en is hij een werkelijk
kunstenaar. Hij is niet alleen de meest bezielde, maar ook de
leerzaamste, de ijverigste, de beschaafdste.
Het is een zeldzaam aardig tafreel, zooals de kleintjes aandachtig
om den vader heen staan en oplettend luisteren en profiteeren; hun
stemmetjes oefenen, gaandeweg hun fouten verbeteren en hun ruwheid van
beginnelingen; hoe zij hun jonge organen lenig maken.
[Illustratie]
Maar nog veel merkwaardiger is het, hem bij zijn eigen vorming waar te
nemen; te hooren hoe hij zijn zang kritiseert en volmaakt; hoe hij een
nieuw thema beoordeelt en instudeert. Die volharding, die ernst, hebben
hun oorsprong in den eerbied voor zijn kunst, en in eene innerlijke
vroomheid; zij zijn het zedelijksgevoel van den kunstenaar, zijn
heiligdom. En daarom staat hij op zichzelf en kan niet verward worden
met den eenvoudigen improvisator, wiens onbewust zich geven, niet
anders is dan de echo van de natuur. Liefde en Licht zijn zeker de
onmiddellijke aanleiding tot zingen; maar de kunst zelf, en het
schoonheidsgevoel, vaag begrepen, maar zéér levendig gevoeld, zijn
hem een ander voedsel, dat zijn hart sterkt en hem op nieuw bezielt.
En dit zonder grens: een licht dat voert naar het oneindige.
De kunstenaar is eerst waarlijk groot wanneer hij zijn doel voorbij
streeft, meer doet dan hij verwachtte; en dan ook nog iets geheel
anders: wanneer hij stijgt boven zijn doel uit, het mogelijk overtreft,
en nóg verder ziet. Vandaar de eeuwige weemoed, een steeds opwellende
bron van melancholie; vandaar de sublieme dwaasheid, rampen te beweenen
die hij nooit kende. De andere vogels verbazen zich, en vragen dikwijls
wat hij toch heeft, wat hij zoo betreurt. En hij, gelukkig in de
vrijheid van zijn bosschen, antwoordt hen met hetzelfde, wat mijn
gevangen nachtegaal (maar zwijgend) zong:
„Lascia ch' io pianga!” (Laat mij het klagen!)
[Illustratie]
[Illustratie: VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.]
[Illustratie]
VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL.
De perioden zonder zang hebben toch hun vruchtbaarheid voor den
nachtegaal; hij keert tot zichzelf in en overdenkt. Hij bestudeert de
zangen, die hij gehoord heeft, of die hij zelf probeerde; hij wijzigt
en verbetert ze met volkomen smaak en takt. De valsche noten van den
onbekwamen meester, vervangt hij door harmonische varianten, vernuftig
gevonden. Een onvolledige melodie, die men hem geleerd heeft, die hij
nog niet nazong, herhaalt hij; maar nu is zij zijn eigene; aangepast aan
zijn genie, werd zij tot een echte nachtegaalszang.
„Laat u niet ontmoedigen,” zegt een oud en naïef schrijver, „als de
jonge vogel de les niet herhaalt, en maar blijft doorkweelen; ge zult
spoedig merken, dat zijn geheugen de lessen, in herfst en winter
ontvangen, heeft vastgehouden; ~de lange nachten zijn de rechte tijd
tot overdenken~; in de lente zal hij zijn lessen herhalen.”
Het is een boeiende bezigheid, in den winter de gedachten van den
nachtegaal te volgen. In zijn donkere kooi, met een groen kleed
omhangen, voelt hij zich misschien aan zijn bosschen herinnerd. Tegen
December begint hij hardop te droomen, te praten; hij beschrijft in
bewogen klanken, wat in zijn geest voorbijtrekt; de dingen van vroeger,
die hij lief had. Misschien vergeet hij dan, dat hij niet heeft weten
weg te trekken: hij meent in Afrika, in Siberië te zijn, in de landen
met sterker zonlicht. Misschien ziet hij die zon; hij ziet ook weer de
rozen bloeien. Voor hààr begint hij zijn hymne—de Perzische dichters
zeggen: „De hymne van de liefde, die niet zijn kon.”
O Sonne, o Meer, o Rose!....
RÜCKERT.
Ik geloof vast, dat die nobele, pathetische zang, met zijn verheven
accent, niet anders is, dan hijzelf; zijn leven van liefde en
tweestrijd, zijn nachtegalendroom. Hij ziet zijn bosschen, zooals de
geliefde ze voor hem herschept; hij ziet haar levendig, teeder wezen, en
al de sierlijkheid en gratie van het gevleugelde leven, die wij in het
onze missen. Hij spreekt tot haar; zij antwoordt. Hij zingt een dubbele
partij: op den vollen, sonoren, mannelijken toon, volgt het antwoord in
teedere geluidjes. En wat dan verder nog? Ik betwijfel niet, dat ook de
extase van zijn leven hem voorzweeft: de innigheid van het nest, de
kleine woning, die zijn zaligheid geweest zou zijn.... Hij voelt zich
dáár; hij sluit de oogen om het visioen te doorleven. Het ei breekt
open, zijn Kerstwonder is geboren. Zijn zoon, de toekomstige nachtegaal
is volwassen en vol melodie. Hij luistert in de somberheid van zijn
donkere kooi in verrukking naar het toekomstige lied van zijn zoon.
Dat alles, wel te verstaan, in eene poëtische verwarring, waarbij
allerlei hindernissen en gevechten, het liefdefestijn komen verstoren en
onderbreken. Geen volmaakt geluk op deze aarde: er komt een derde. De
gevangene in zijn alléén-zijn, begint zich op te winden, te ergeren; hij
is duidelijk in een tweegevecht met den onzichtbaren tegenstander, met
den _anderen_, den onwaardigen mededinger, dien hij ziet, dien zijn
geest hem voorspiegelt.
Dit tooneel speelt zich af in zijn geest, zooals het gebeurd zou zijn in
het voorjaar, als de mannetjes terugkomen, vóór de komst van de wijfjes.
Zij zijn dan besloten, het groote liefdeduel onder elkaar vast uit te
vechten. Als de wijfjes komen moet het rustig zijn en kalm, enkel vrede,
liefde en teederheid.
Deze strijd duurt veertien dagen, en komen de wijfjes vroeger dan wordt
de inspanning doodelijk. Dan is het eene herhaling van de geschiedenis
van Roeland, die in zijn ivoren horen, kracht en leven uitblies. Zoo
ook zij: zij zingen zich hun laatsten adem, hun leven uit; zij willen
overwinnen of sterven.
Als het waar is, wat men zegt, dat de minnaars, twee, driemaal talrijker
zijn dan de minnaressen, dan wordt de brandende hartstocht, waarmede die
geweldige tweekamp gevoerd wordt begrijpelijk; en mogelijk ligt dáár de
eerste vonk en het geheim, van hun genie.
Het lot van den overwonnene is vreeselijk, erger dan de dood. Hij is
gedwongen te vluchten, die streek te verlaten; hij komt in verval,
vergeet zichzelf bij dit volk van minder allooi, wordt één van hen, en
kent nòch zijn eigen taal, nòch de hunne meer, geen enkele taal. Soms
komt men zulk een banneling tegen; hij is alleen nog maar uiterlijk een
nachtegaal.
Maar het verbannen van dezen verslagene is pas een voorspel. Men moet
behagen, men moet hare neiging winnen. Een schoon moment, als de
teederheid een nieuwen zang inspireert, die het fiere, schuwe hartje
moet roeren, tot het om liefde, de vrijheid offert. De proeven, die bij
andere soorten het wijfje vraagt, hebben betrekking op den nestbouw; men
moet zijn kunstvaardigheid weten te bewijzen en toonen hart te hebben
voor het gezin. En de uitkomst is dikwijls schitterend. Men denke aan
den specht, die van ambachtsman, kunstenaar wordt; van timmerman,
beeldhouwer. Van dat alles kan de nachtegaal niets! hij mist alle
behendigheid. De minste van de vogels is handiger met snavel of vleugel
of poot. Hij heeft alléén zijn stem. Dat hij die dus gebruike! Dáár ligt
zijn kracht, daarmee zal hij onweerstaanbaar zijn. Anderen mogen hun
werk toonen, zijn werk, dat is hijzelf. Hij geeft zich, hij openbaart
zijn wezen, hij toont zich hoog en groot. Nooit hoorde ik hem in dit
gewijde uur, of ik was er zeker van, dat hij haar hartje zou treffen,
en dat niet alléén; maar dat die zang haar zou kunnen veranderen,
veredelen, verheffen, haar een hoog ideaal geven en haar den wondren
droom doen droomen, van den subliemen nachtegaal, die uit hun liefde zou
geboren worden.
Laat ons even herhalen: wij telden tot nu toe drie zangen:
Het drama van den krijgszang, met zijn wisselingen van ergernis, trots,
uitdaging, en woeste uitbarstingen van jaloezie.
Het werven: een teeder smeekend lied, maar gemengd met uitingen van
ongeduld en trots; alsof het genie zich verwondert, dat het miskend
blijft; een geèrgerd klagen ook, over den verloren tijd; maar dat weer
gauw overgaat in een schuchter vragen.
Dan komt eindelijk het ~triomflied~: Ik heb overwonnen, ik word bemind,
ik ben de koning, de god, de éenige Schepper!.... In dit laatste woord
ligt al de intensiteit van leven en liefde. Want ~haar~ schepping zal
de weergave zijn van _zijn_ genie, dat hij overbrengt op haar; zoodat
iedere beweging, iedere aandoening, de geringste vleugeltrilling van
haar, een melodie zal zijn voor hem, zichtbaar geworden in de gratie van
haar zielsverrukking.
Vandaar het nest, het ei, het kind. Dat alles is het in leven herschapen
lied. En dáárom ook, dat hij zich niet van het nest verwijdert als
eenmaal het heilig werk van het broeden is aangevangen. Hij blijft
niet in het nest, maar op een tak die iets hooger ligt. Hij is er zich
volkomen van bewust, dat de stem op een afstand grooter werking doet. En
van zijn hoogen post, gaat deze machtige toovenaar voort haar te boeien,
en haar werk vruchtbaar te maken; met haar samen volbrengt hij het
groote mysterie; leggende in zijn zang al zijn wezen, zijn hart, zijn
teederheid, zijn wil: een tweede bevruchting. En op dat moment moet men
hem hooren, hem beluisteren, in het loover van zijn bosch; meêvoelen al
de zielsbewegingen van die bevruchtende macht, de naaste misschien om
ons te openbaren, te doen vatten, den verborgen God, die ons ontvlucht.
Bij iedere schrede van ons, wijkt hij terug, en de wetenschap kan niet
anders dan alleen nog den afstand vergrooten tusschen ons, en den
sluier, waarin Hij zich aan ons oog onttrekt.
„Ziet, Hij gaat voorbij,” zeide Mozes, „ik zag Hem van achteren.”—„Is
Hij het niet die voorbijgaat?” sprak Linnaeus.... „Ik zag Hem van ter
zijde.” En ik sluit de oogen: ik voel Hem, en mijn ziel is bewogen, ik
voel Hem mij doordringen in het tooverschoon van den nacht, met den zang
van den nachtegaal.
Treed hem nader: gij hoort een minnaar; verwijder u: het is een god.
Wat men hiér hoort als de trillingen van een gloeiend werven, als een
zinnenbedwelmende melodie, wordt, gedragen door de lucht, vergroot en
verruimd, tot een heilige zang, die het geheele bosch vervult.
Dichtbij bezingt hij het nest, de geliefde, den zoon, die moet geboren
worden. Uit de verte wordt het eene andere geliefde, een andere
zoon; het is dan de Natuur, tegelijk moeder en dochter, geliefde in
eeuwigheid, die bezongen wordt en gehuldigd. Het is de oneindige Liefde,
die in allen liefheeft, in allen zingt. Het zijn de lofzangen, de vrome
en dankbare aandoeningen, die van de aarde gaan naar den Hooge.
* * * * *
„Toen ik nog maar een kind was, voelde ik dat al in de Natuur van
ons Zuiden, in de schitterende sterrennachten, in de omgeving van
mijn vader's huis. Later voelde ik het beter, vóóral in dien eenzamen
boomgaard bij Nantes, waarvan ik hierboven sprak. Niet zoo schitterend
waren daar de nachten; maar door het wazige, luwe nevelfloers, blikten
er zacht en bescheiden de sterren. Op den grond nestelde een nachtegaal,
op een maar heel weinig verborgen plekje, onder mijn ceder, tusschen
de maagdepalm. Hij begon om middernacht, en zong door tot aan den
morgenstond, en hij scheen gelukkig en trotsch, dat hij alléén waakte,
en met zijn stem die groote stilte vulde. Niets verstoorde zijn zang,
dan alléén tegen den ochtend de haan: een wezen uit een andere wereld,
die vreemd is aan den zang der ziel; maar een nauwgezet schildwacht is
hij, die zich verplicht voelt met nauwgezetheid het uur te roepen, dat
de werkman zijn tijd weet.
[Illustratie]
„De Nachtegaal bleef zingen; hij scheen te zeggen als Julia tot Romeo:
„Neen het is de dag nog niet...”
„De plaats, die hij zich gekozen had, zóó dicht in onze nabijheid,
bewees, dat hij ons niet vreesde; dat hij zich volkomen veilig voelde.
En dat kon hij ook bij ons, twee kluizenaars van den arbeid, die altijd
bezig waren en altijd welgezind; en die evenals die andere gevleugelde
kluizenaar, vervuld waren van hun zangen en hun droomen.... Wij konden
hem op ons gemak waarnemen, als hij rondvloog met zijn gezin, of een
zingend duel had met een hoogmoedigen buurman, die hem soms kwam
trotseeren. Ik geloof, dat hij op den duur ons bijzijn op prijs stelde,
als zijn trouwe toehoorders, liefhebbers en misschien wel kenners. De
nachtegaal heeft behoefte aan waardeering en bijval; hij voelt blijkbaar
achting voor het oplettend oor van den mensch, en begrijpt heel goed
zijn bewondering.
„Ik zie hem nog: hij was niet meer dan tien of vijftien pas van mij
af en wipte van tak tot tak voor mij uit; maar altijd hield hij zijn
afstand, dat hij niet binnen mijn bereik kwam, en ik hem toch kon hooren
en bewonderen.