opgemerkt, dat in 't algemeen de vogels niet van zwart houden: zij zijn
er bang voor. Maar ik was naar zijn zin uitgedoscht: een wit met blauw
kleedje en een strooien hoed met korenbloemen.
„Ieder oogenblik zag ik zijn zwart oog op mij gericht, met een
verwonderlijke beweeglijkheid; schuw maar zacht, en ook met wat
fierheid; en duidelijk zeide het: „Ik ben vrij en ik heb vleugels; ge
hebt niet de minste macht over mij; maar ik wil wel voor je zingen.”
„Wij hadden geweldige onweersdagen gedurende den broedtijd; en ééns
sloeg de bliksem vlak bij ons in. Aangrijpend is de aanblik van de
natuur, op het oogenblik dat vóóraf gaat: er is geen lucht; de visschen
komen aan de oppervlakte om adem te halen; de bloem hangt en kwijnt;
alles lijdt en de tranen komen. Ik zag wel, dat de nachtegaal stemde met
het geheel: zijn borstje was bedrukt zooals de mijne, en hij stiet een
soort van rauwe zucht uit, als een wilden kreet.
„Maar opeens rees de wind, en stortte zich in onze bosschen; de groote
boomen zwiepten, zelfs onze ceder. Waterstroomen plasten, alles dreef.
Wat werd er toch van het arme nestje, dat open lag, zonder andere
beschutting, dan het blad van den maagdepalm? Het bleef veilig; want
met de terugkeer van den zonneschijn, zag ik in de gezuiverde atmosfeer
mijn vogeltje rondvliegen, vroolijker dan ooit, en vol gezang.
„Heel het gevleugelde volk bezong het licht; maar hij meer dan allen.
Zijn bazuintonen waren teruggekomen. Ik zag hem onder mijn vensters,
de oogen schitterend, het borstje hoog; hij was dronken van hetzelfde
geluk, dat ook juichte in mijn ziel.
„Waarom niet overal die teere zieleband tusschen ons en onze gewiekte
broeders; tusschen den mensch en alle Leven in de Natuur!”
[Illustratie]
[Illustratie: ~BESLUIT.~]
[Illustratie]
~BESLUIT.~
Op het oogenblik, dat ik aan het slot van dit boek zou beginnen, komt de
illustre meester binnen, terug van de groote herfstjachten. Toussenel
brengt mij een nachtegaal.
Ik had hem gevraagd, mij met zijn raad bij te staan, mij te helpen bij
de keuze van een zingenden nachtegaal. Hij antwoordt niet, maar hij
komt; hij raadt niet, maar zoekt en vindt; geeft, en vervult mijn
illusie!... Dat is wèl vriendschap.
Welkom vogel! welkom, om de lieve hand die u geeft, en om onze heilige
muze, het genie dat in u woont.
Wilt ge wel voor mij zingen, en met uwe groote en vredebrengende
liefdemacht, de harmonie teruggeven aan een hart, verslagen door het
wreed geschiedverhaal der menschheid?
Het was een familie-gebeurtenis. Wij zetten den armen gevangen
kunstenaar in het raamkozijn, maar zoo, dat hij achter een gordijn
verborgen was. Nu was hij alleen en tòch in gezelschap, en hij kon zich
geleidelijk gewennen aan zijne nieuwe verplegers; het terrein verkennen,
en zich bewust worden, dat het hier een veilig, goedgezind en vreedzaam
tehuis voor hem was.
Er was geen andere vogel in de kamer. Maar ongelukkig wist het
huis-roodborstje, dat vrij in mijn studeerkamer rondvliegt, er binnen
te dringen. Ons gaf dat geen zorg, omdat hij den heelen dag, zonder
het zich aan te trekken, velerlei vogels ziet: sijsjes, bloedvinken
en puttertjes; maar het zien van den nachtegaal ontstak in hem eene
uitzinnige woede.
In de onverschrokkenheid van zijn blinde drift, zonder te zien, dat het
voorwerp van zijn haat tweemaal zoo groot is als hijzelf, gooit hij zich
met snavel en klauwen op de kooi; hij had hem willen vermoorden. Maar
de nachtegaal in doodsangst, stoot rauwe kreten uit en roept om hulp in
jammertonen. De andere, teruggehouden door de tralies, maar vlakbij, met
zijn nagels vast in de lijst van een schilderij, knarst en blaast met
schel gepiep, en doorboort den vijand met zijn blik.
Woord voor woord, zei hij het volgende: „Koning van den zang, wat
wilt ge hier!... Is het niet genoeg, dat in de bosschen uw zang alles
overstemt en beheerscht; onze zangen doet zwijgen, onze geneuriede
wijsjes onderdrukt, en alléén, de eenzaamheid vult?... Neemt ge mij nu
ook nog het bestaan dat ik mij hier maakte, dit kunstboschje, waar ik
mij in den winter ophoud? Dit boschje, waarvan de takken boekenplanken
zijn, en boeken de bladeren!... Nu komt ge u indringen in wat het mijne
is, deelen in de gepeinzen van mijn meester, den glimlach van mijne
meesteres!... Wee mij—ik had liefde gevonden!”
[Illustratie]
In waarheid bereikt het roodborstje een intieme verstandhouding met den
mensch. De ondervinding van een geheelen winter heeft mij bewezen, dat
hij verre het bijzijn van den mensch verkiest boven het gezelschap van
zijn soort. Als wij afwezig zijn, mengt hij zich in het gebabbel van de
volière-vogels; maar komen wij terug, dan verlaat hij die onmiddellijk
en zet zich nieuwsgierig vóór ons; hij blijft waar wij zijn en schijnt
te zeggen: „Zoo, zijn jelui daar? Waar ben je toch geweest?... En waarom
laat je het huis zoolang alleen?”
De woedende aanval van het roodborstje, die wij al gauw vergeten
waren, bleef zijn schuw slachtoffer nog bij. De nachtegaal bleef nog
altijd angstig fladderen; hij was niet tot rust te brengen. Men paste
goed op, dat niemand in zijne nabijheid kwam. Zijne meesteres had
de allernoodigste zorg op zich genomen. Het bijzondere mengsel, het
uitsluitend voedsel, waarmede men deze vurige levensenergie kan
onderhouden, een mengsel van bloed, hennep en maanzaad, werd zorgvuldig
door haar bereid: vleesch en bloed zijn de grondstoffen, hennep is het
kruid, dat de zinnenroes kweekt; het maanzaad neutraliseert die. De
nachtegaal ís het éénige wezen, dat men onophoudelijk slaap en droomen
moet bijbrengen.
Maar het was alles nutteloos. Drie dagen bracht hij door in hevige
onrust, en in zijn wanhoop weigerde hij het voedsel. Het deed mij pijn,
en ik gevoelde wroeging. Ik, die zóó de vrijheid liefheb, ik had een
gevangene gemaakt en een gevangene die ontroostbaar was!.... Toch had
ik mij lang bedacht, toen ik wenschte een nachtegaal te bezitten; voor
mijn genoegen alleen zou ik er nooit toe besloten hebben. Ik wist heel
goed, hoe drukkend het gezicht van zulk een gevangene op den geest moet
werken: een gevangene, die zoo intens het verlies van de vrijheid voelt.
Maar hoe hem vrijheid te geven? Het vraagstuk van de slavernij is een
der moeilijkste vraagstukken; de verdrukker wordt gestraft, door de
onmacht zijne fout weer goed te maken. Mijn gevangene, die, vóór hij bij
mij kwam, al twee jaar in de kooi had geleefd, kon niet meer vliegen
en was niet meer in staat zijn voedsel te zoeken, en al ware hem beide
mogelijk, tusschen vrije vogels kon hij niet meer wezen. Hun fiere
gemeenschap veroordeelt en doodt onmiddellijk wie gekerkerd is geweest
en niet van smart daarover bezweek.
Wij zouden niet gemakkelijk een weg uit dit dilemma gevonden hebben,
als de zang ons niet was te hulp gekomen. Een zacht, weinig gevariëerd
lied op een afstand, en vóóral tegen den avond gezongen, scheen zijne
zinnen te vangen. Als men naar hem keek, luisterde hij minder aandachtig
en werd onrustig; maar sloeg men geen acht op hem, dan kwam hij heel
vooraan in de kooi en strekte zijn slanken nek (van een bekoorlijk
muisgrijs); ook richtte hij nu en dan het kopje op en zijn oog stond
levendig en nieuwsgierig. Het was duidelijk, dat hij gretig deze
onverwachte verkwikking genoot, en hij genoot met waardigheid en met
fijne, gevoelige aandacht.
Een oogenblik later nam hij met diezelfde gretigheid zijn voedsel. Hij
wilde weer leven en verslond het maanzaad—de vergetelheid....
Vrouwenzang—Toussenel heeft het gezegd—trekt hen in 't bijzonder
aan. Niet het luchtige liedje van een fleurig jong meisje, maar een
zachte, weemoedige melodie. Het „Ständchen” van Schubert had een groote
aantrekkelijkheid voor den onze. Hij schijnt zijn eigen wezen te voelen
en te herkennen in de teederheid en diepte van de Germaansche ziel.
Toch is zijn stem niet teruggekomen. Toen hij bij ons gebracht werd,
was juist zijn Decemberzang begonnen. Maar al die verschillende
aandoeningen: het transport, de verandering van omgeving, plaats en
personen, de onrust van dien geheel anderen toestand, en vóóral de
woeste aanval van het roodborstje, hadden hem te zéér aangegrepen.
Hij is rustiger geworden en heeft ons vergeven; maar de muze, die zoo
dikwijls werd onderbroken, blijft zwijgen. Zij zal eerst met de lente
weer ontwaken.
Hij is nu overtuigd, dat zij die zingt, hem zeker geen kwaad wil; hij
begrijpt haar, denk ik, ongeveer als een ander type van nachtegaal. Zij
mag hem vrij dichtbijkomen en zelfs haar hand in zijn kooi steken. Hij
volgt heel aandachtig haar bewegingen, maar hij verroert zich niet.
Ik, die in geen muzikale verhouding tot hem sta, was er nieuwsgierig
naar, of hij mij ook zou aannemen. Ik drong mij niet onbescheiden
op, wetende dat op sommige oogenblikken, een blik alléén, hem zelfs
verontrust. Ik bleef dus heele dagen verdiept in oude boeken en
middeneeuwsche schrifturen, zonder naar hem om te zien. Maar hij keek
wel naar mij, en heel nieuwsgierig ook, als ik ten minste alleen was;
want was zijn meesteres tegenwoordig, dan vergat hij mij geheel, dan
was ik een niets voor hem.
Zoo was hij gewoon mij te zien, zonder dat het hem onrust gaf, als een
vreedzaam onschadelijk wezen, dat rustig en bedaard zijn gang ging.
De haard met het vuur, en bij dat vuur die stille lezer, dat was zijn
beschouwingskringetje, in de stille, haast eenzame uren, als zijn
uitverkoren gezelschap niet aanwezig was.
Gisteren, toen ik alleen was, ben ik voor het eerst bij zijn kooi gegaan
en ik heb tegen hem gesproken, zooals ik het tegen mijn roodborstje doe;
hij maakte geen beweging en scheen niet angstig; hij bleef stil zitten
kijken met een zachtzinnige expressie. Toen zag ik, dat de vrede was
gesloten en dat hij mij had aangenomen.
Van morgen heb ik het maanzaad in de kooi gelegd, en hij verschrikte
niet. Nu zal men hierop zeggen, dat de gever altijd welkom is. Maar ik
leg er nadruk op, dat ons verbond pas een dag oud is, en gesloten werd
vóórdat ik ooit iets gegeven had, en dus geheel belangeloos.
Zoo is dan in minder dan een maand, de meest sensitive van onze
kunstenaars, het schuwste en vreesachtigste van alle wezens, verzoend
geworden met het menschdom.
Wel een treffend bewijs, dat er een natuurlijke band bestaat, een oeroud
verdrag, tusschen ons en de instinctive wezens, die wij onze minderen
noemen.
Dit verdrag, dit eeuwig verband, dat zelfs onze ruwheid en de wreedheid
van ons verstand niet konden verbreken; dit verbond, waartoe die arme
onnoozelen zoo gemakkelijk terugkomen, en waartoe ook wij zullen komen,
als wij éénmaal in waarheid menschen zullen zijn,—juist hiermede wilde
ik mijn boek besluiten; het was het slot, dat ik zou gaan schrijven,
toen de nachtegaal mij werd gebracht.
[Illustratie]
De vogel zelf is mijn levend slot geworden, in zijne
verzoeningsgezindheid tot ons, zijne tyrannen.
* * * * *
De reizigers, die het eerst hun voet gezet hebben in de landen, nog
nooit door menschen betreden, hebben éénstemmig verzekerd, dat geen
dier: noch zoogdier, noch amphibie, noch vogel, ooit voor hen gevlucht
was. Zij kwamen integendeel naderbij, om hen te bezien, met een soort
van welwillende nieuwsgierigheid—waarop wij dan antwoordden met een
geweerschot.
En zelfs nu, na al de wreedheden, die de mensch hun aandeed, aarzelen
zij nooit, in gevaar zich tot hem te wenden.
Dè oude en natuurlijke vijand van de vogels, is de slang; van de
viervoeters, de tijger. En hun beschermer is de mensch. Als de wilde
hond maar in de verte de lucht krijgt van leeuw of tijger, drukt hij
zich tegen ons aan.
En in zijn doodsangst voor de slang, vóóral wanneer zijn nog veêrloos
broed wordt bedreigd, weet ook de vogel een roerende taal te vinden,
waarmee hij onze hulp inroept, en ons dankt als wij den vijand hebben
gedood.
Dat is de reden waarom de kolibri zoo gaarne nestelt in de nabijheid van
den mensch. En waarschijnlijk is het dezelfde oorzaak, die in den tijd
dat de aarde wemelde van reptielen, de zwaluwen en ooievaars er toe
bracht, bij ons te komen wonen.
[Illustratie]
Nòg een belangrijk punt: de angst van de vogels voor de hand van den
mensch wordt dikwijls aangezien voor wantrouwen. Dat wantrouwen zou
zeker niet ongegrond zijn. Maar al ware het ongegrond, dan is toch in
ieder geval de vogel een uiterst fijn georganiseerd wezen, dat geen
aanraking verdragen kan.
Mijn roodborstje, dat tot een tamme vogelsoort behoort, dat altijd om
mij heen is en zoo dichtbij mogelijk, en dat zeker in 't allerminst niet
bevreesd is voor zijne meesteresse, siddert er voor door haar hand
gegrepen te worden. Het gevoel, dat er langs zijne veêren gestreken
wordt, het ontredderen van zijn dons, dat overeind gaat staan, als men
hem pakt, het is alles even onaangenaam. En vóóral die hand, die naar
voren komt en hem gaat grijpen, maakt hem zenuwachtig en hij wijkt
instinctmatig terug, hij kan niet anders.
Als het 's avonds wat laat wordt en hij nog niet in zijn kooi is,
weigert hij niet er in te worden gebracht. Maar liever dan zich te zien
grijpen, draait hij zich om, en kruipt in een plooi van een gordijn of
van een japon, waar hij weet, dat hij onfeilbaar gepakt moet worden.
Dat alles is geen wantrouwen!
* * * * *
De kunst van het tam maken zou niet ver gaan, als zij zich alléén maar
bezig hield met het nut dat de mensch kan trekken van de tamme dieren.
Zij moet integendeel in hoofdzaak uitgaan van de beschouwing, welk nut
de dieren kunnen trekken van den mensch.
Maar plicht is het, al de bewoners dezer aarde te gewennen aan een
samenleven van hooger orde, dat zachtmoediger en vreedzaam is.
In de barbaarschheid, waarin wij nog altijd leven, kennen wij voor het
dier eigenlijk maar ~twee~ toestanden: absolute vrijheid of absolute
slavernij. Maar er zijn ook allerlei vormen van halve slavernij, die de
dieren zelve heel gaarne aannemen.
De kleine Chileensche valk (cerviculo) b. v. woont heel graag bij
zijn meester. Hij gaat alléén op jacht, en komt trouw iederen avond
zijn vangst brengen en ze in den familiekring oppeuzelen. Hij vindt
het prettig, als dan de vader hem prijst, de vrouw des huizes hem
vriendelijk toespreekt en vóóral als de kinderen hem liefkoozen.
De mensch, die vroeger, toen hij nog slecht gewapend was, door de dieren
werd beschermd, heeft zich langzamerhand in staat gesteld hun beschermer
te worden, vóóral sedert hij kruit heeft en op een afstand de meest
gevreesde schepsels neerbliksemt.
[Illustratie]
Hij heeft den vogels den onschatbaren dienst bewezen, het getal der
luchtroovers aanmerkelijk te verminderen.
Hij kan hun nog een anderen dienst bewijzen, niet minder belangrijk:
de onschadelijke soorten 's nachts te beschermen, te beveiligen. De
nacht! Slapen! Ganschelijk overgeleverd te zijn aan de vreeselijkste
mogelijkheden!....
O! wreede natuur!.... Maar gerechtvaardigd weer, omdat zij hier op aarde
een plaats gaf aan het voorziend en nijvere schepsel, dat meer en meer
voor de anderen een tweede Voorzienigheid zal worden.
„Ik weet een huis aan de Indre,” zegt Toussenel, „waar de open serres
's avonds alle welgezinde vogels opnemen, die er veiligheid komen zoeken
voor de gevaren van den nacht; en wie zich verlaat heeft, meldt zich aan
in goed vertrouwen, door tikken met den snavel. Zij vinden het goed in
den nacht te worden opgesloten, want zij vertrouwen den mensch volkomen;
en 's morgens vliegen zij vroolijk uit en vergelden de gastvrijheid met
het schouwspel van hun vreugde, en met hun vrije zangen.”
* * * * *
Ik zal mij wel wachten het maken van huisdieren te bespreken, sedert
mijn vriend Isidore Geoffroy Saint-Hilaire op zoo prijzenswaardige wijze
die geheel vergeten weg weer opende. De oudheid heeft ons een prachtige
nalatenschap vermaakt, en het menschelijk geslacht heeft er al dien tijd
op geleefd: de hond, het paard, de ezel, de dromedaris, de olifant, de
os, het schaap, de geit en de hoenderachtigen.
En welke vorderingen maakten wij in die twee duizend jaar? Welke nieuwe
aanwinst van huisdieren? Maar twee, en niet eens heel belangrijk: de
invoering van den kalkoen en van den goud-faisant!
[Illustratie]
Geen direkte arbeid van den mensch heeft zóóveel voor het welzijn op
onze aarde gedaan, als het nederige werk van deze bescheiden helpers der
menschen.
En om af te dalen tot datgene, waarvan men zoo dwaselijk gewoon is met
minachting te spreken: tot den hoenderhof—als men de millioenen eieren
ziet, die in Egypte worden uitgebroed, of waarmee Normandië geheele
vloten bevracht, die jaarlijks het Kanaal oversteken, dan begint men
eerst goed te begrijpen, hoe in de huishouding van den Staat met kleine
middelen groote uitkomsten worden verkregen.
Als er in Frankrijk nog geen paarden waren, en iemand zou ze er
invoeren, dan zou het daarmede méér veroveren dan met den Rijn, België
en Savoye; het paard is zeker drie koninkrijken waard.
En nu is er een dier, dat alléén paard, ezel, koe en geit is, dat al
hunne nuttige eigenschappen heeft en bovendien een zeldzaam mooie wol
levert; een forsch sterk dier, dat uitstekend groote koude verdraagt;
men begrijpt wel, dat ik den ~lama~ bedoel, die Geoffroy Saint-Hilaire
met zulk een prijzenswaardige volharding zoekt in te voeren. Maar alles
schijnt daar tegen samen te spannen; de prachtige kudde van Versailles
is bezweken door slechte oppassing, die van den „Jardin des Plantes” zal
omkomen door beperkte localiteit en vocht.
Het bezit van den Lama is tienmaal belangrijker dan de verovering van de
Krim.
Maar het zij nóg eens gezegd: voor zulk eene overbrenging is een ruim
gebruik van middelen noodig en zeer zeker ook eene groote toewijding en
teederheid waar het de opvoeding betreft; en dat alles vindt men niet
dikwijls vereenigd.
En nu nog een woordje over een nietig feit, maar van vèr-strekkende
beteekenis.
Een groot schrijver—maar die geen geleerde was—Bernardin de St.
Pierre—had gezegd, dat men er nooit in slagen zou eenig dier over
te brengen, wanneer men niet te gelijk de plant importeert, die het
bijzonder sympathiek is. Dit gezegde had het lot van vele andere: de
geleerden haalden hunne schouders op en spraken van poëzy.
Maar het was niet vergeefs gesproken voor een intelligenten liefhebber,
die te Parijs een verzameling van levende vogels had bijeengebracht.
Hij had een zeer zeldzame papegaai, die ondanks alle zorg hardnekkig
steriel bleef. Toen heeft hij onderzocht op welken boom die soort haar
nest maakt en gaf in Hâvre orde, hem dien boom te bezorgen. Levend kon
hij niet worden overgebracht; hij kwam zonder blad of twijg, niets dan
een levenlooze tronk. Geen bezwaar: de vogel vond in den hollen stam
zijn gewone plaatsje en maakte er toen haar nest. Zij vond een maat
en grondde er een gezin; kreeg eieren, broedde ze uit, en nu zijn er
jongen.
[Illustratie]
De omgeving voor den banneling na te bootsen: de uiterlijke
omstandigheden, de voeding, de plantenwereld, al de bijzonderheden van
zijn bestaan dáár, en dat zóó bedriegelijk mogelijk, dat hij er het
vaderland door vergeet, daarvoor is het niet genoeg te _weten_, daartoe
is vernuft noodig en de gave der vinding. Maar eene van de moeielijkste
opgaven, een van de ernstigste punten van onderzoek en nadenken voor
ons, is te bepalen de maat van vrijheid en van onderwerping, van
verband en van samenwerking met ons, die ieder wezen kan verdragen.
Dit is een nieuwe kunst, en men zal er niet in kunnen doordringen,
zonder diepgaand moreel onderzoek, en een fijnheid en kieschheid van
begrip, die nog nauwelijks in den mensch aanwezig zijn, en die er
misschien nooit geheel zijn zullen, als niet de vrouw tot de wetenschap
wordt toegelaten.
Deze kunst vraagt eene oneindige ~teederheid~ bij het oordeelen en het
begrijpen.
[Illustratie]
[Illustratie: TOELICHTING.]
[Illustratie]
TOELICHTING.
De voornaamste toelichting, die aan een boek moet worden toegevoegd, is
ongetwijfeld de formule, waarin men den inhoud samenvat.
Dit boek heeft den vogel beschouwd, ~op zich zelf~, en maar weinig in
verband met den mensch.
De vogel, van lager geboorte dan de mensch—~ovipare~—uit het ei
geboren—heeft toch op hem drie dingen vóór, die zijn bijzonder gebied
zijn.
I. De ~vleugel~, het ~vliegvermogen~: een vermogen bij hen alléén
aanwezig en dat steeds de illusie was van den mensch. Bij de vogels
vergeleken, zijn alle wezens langzaam; bij den valk en de zwaluw is het
arabisch paard niet meer dan een slak.
II. Het vliegen volgt niet alleen uit de aanwezigheid van vleugels, maar
bovendien uit een weergaloos vermogen van ~ademhaling~ en ~gezicht~. Men
kan met recht van den vogel zeggen, dat hij is: „het kind van licht en
lucht.”
III. Een electrisch zeer gevoelig wezen, voelt en vóórziet de vogel de
dampkringsverschijnselen, den tijd, de seizoenen. Hetzij doordien hij
in zéér nauw verband staat met de aarde, of een verwonderlijk-sterk
geheugen heeft in betrekking tot plaats en richting, is hij altijd
georiënteerd en vindt altijd zijn weg.
Hij bereikt door intuïtie wat nooit de mensch zou bereiken; dat is
vóóral voelbaar in dien verwonderlijken krijg tegen reptiel en insekt.
Daarbij gevoegd de immense arbeid van het eeuwig zuiveringsproces, door
sommige soorten verricht: het opruimen van alle gevaarlijke onreinheden.
Indien die krijg en dat werk één dag verzuimd werden, ware voor den
mensch het bestaan op aarde onmogelijk.
Deze dagelijksche overwinning van den zoon des lichts op den dood, op
wat in het duister op het leven aast, is het waardig onderwerp voor den
zang, voor de ~hymne~ van immense vreugde, waarmede de vogel altijd weer
den dageraad begroet.
Maar de vogel heeft nog andere talen behalve den zang. Zooals de mensch
kan hij spreken en uitspreken en praten. Met ons zijn de vogels de
eenige wezens die een taal hebben. De mensch en de vogel zijn de spraak
van de wereld.
De vogel, die het vermogen van voorspellen heeft, nadert altijd tot
den mensch en de mensch wil hem altijd kwaad. Het is niet onmogelijk,
dat hij den mensch vóórziet, zooals hij zeker ééns wezen zal als hij
uitgetreden is uit de barbaarschheid, waarin wij hem nu nog kennen.
De vogel herkent in den mensch het eenig, heilig en gezegend wezen, dat
de scheidsrechter zal zijn van allen; dat de bestemming van deze wereld
moet volmaken met een opperste weldaad: ~De aaneensluiting van alle
wezens, en hunne verzoening~.
Dit vreedzaam tot elkaar komen, kan eerst na lengte van tijd gebeuren,
en er is toe noodig van onzen kant, een kunst van opvoeden en inwijden,
waarvan wij nu eerst beginnen den omvang te beseffen.
[Illustratie]
~INHOUD.~
Bladzijde
VOORAF 5
~EERSTE DEEL.~
HET EI 9
DE POOL. De Vogel-visch 19
DE VLEUGELS 29
EERSTE POGEN DER VLEUGELS 41
TRIOMF VAN DEN VLEUGEL. De Fregatvogel 51
VOGELS DER WATERKANTEN 63
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA 73
DE STRIJD. De tropen 83
HET ZUIVERINGSWERK 97
DE DOOD. De roofvogels 109
~TWEEDE DEEL.~
HET LICHT. De nacht 129
STORM EN WINTER. De trek 141
VERVOLG VAN DEN TREK. De Zwaluw 155
HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK 167
DE VOGEL, ARBEIDER VAN DEN MENSCH 177
DE ARBEID 189
DE ZANG 203
HET NEST 215
VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN 227
DE OPVOEDING 237
DE NACHTEGAAL. DE KUNST EN HET ONEINDIGE 251
VERVOLG VAN DEN NACHTEGAAL 263
BESLUIT 275
TOELICHTING 291
#In de Afdeeling „Natuurkennis” van de Wereld-Bibliotheek werden o. a.
opgenomen:#
W. B. 63/66
#CHARLES DARWIN, De Reis om de Wereld,# vertaald door J. Brandt (met
afbeeldingen) ƒ 0.80; 0.95; 1.10
Dr. ~A. J. C. Snijders~, deze vertaling van den heer ~Brandt~
aankondigend in _De Tijdspiegel_, wijst er op, dat het werk nog
steeds actueel is, „en vooral daardoor merkwaardig, dat het niet
uitsluitend beteekenis heeft voor den natuur-onderzoeker van
beroep. Ook elke leek, die belang stelt in de natuur, zal bij de
lezing veel genieten, en men verzuime dus niet, nu het voor een
spotprijs in het Nederlandsch verkrijgbaar gesteld wordt, van deze
aanbieding gebruik te maken en zich dat genot te verschaffen—-—-
„Nog steeds neemt het verhaal van ~Darwin's~ Wereldreis eene
eerste plaats in onder de beste reislectuur.”
W. B. 13
#Prof. HUGO DE VRIES, Het Yellowstone Park—Experimenteele Evolutie.#
(Met 4 autotypiën), 2e druk, 7e en 8e duizend ƒ 0.20; 0.30; 0.40