Het lijmen en het viltwerken speelt trouwens ook een groote rol bij het

werk der wevers. Men doet verkeerd, die vakken te sterk af te scheiden.

Het vliegenvogeltje neemt gom van de boomen om zijn nestje goed dicht te

maken; de meeste anderen gebruiken hun speeksel. En wonderlijk, enkelen,

bij wie de liefde het vernuft verscherpt, nemen hun toevlucht tot de

kunst, waartoe hun organen het minst zijn aangelegd. Een Amerikaansche

spreeuw komt er toe de bladeren met zijn snavel aan elkaar te naaien, en

heel handig ook. Eenige knappe wevers gebruiken behalve hun snavel ook

nog hun pootje; als de ketting klaar is, houden zij die met hun pootje

vast en weven dan met hun bek. Zoo kan men hen dus met recht wevervogels

noemen. Behendigheid komt er dus niet te kort; maar de gereedschappen

zijn gebrekkig; zij zijn zeldzaam ongeschikt voor het werk. Daarbij

vergeleken, zijn de insekten verwonderlijk doelmatig toegerust. Zij zijn

de geboren arbeiders. De vogels zijn het maar tijdelijk, door den

prikkel en geestdrift der liefde.

[Illustratie]

[Illustratie: VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.]

[Illustratie]

VOGELSTEDEN EN REPUBLIEKEN.

Hoe meer ik er over denk, hoe duidelijker ik besef, dat de vogels

niet, als de insekten, nijvere dieren zijn. Zij zijn de dichters in de

Natuur, de onafhankelijkste van alle wezens; zij leiden een prachtig

avontuurlijk leven; maar over 't geheel zijn zij weinig beschermd.

Denken wij ons de Amerikaansche wouden, en laat ons nagaan welke de

beveiligingsmiddelen zijn van de alléénlevende wezens. Vergelijken wij

de veiligheidsmaatregelen van de vogels, de vindingen van hun energie,

met de uitvindingen van hun buren, de menschen, die in dezelfde streken

leven. Het verschil doet de vogels eer aan; het menschelijk vernuft

vond slechts aanvalswerktuigen. De Indiaan vond de knots en het

scalpeermes; de vogel alléén het nest.

En wat zindelijkheid, warmte, sierlijkheid betreft, wint het nest het

in alle opzichten van den wigwam, en van de negerhut, die dikwijls in

Afrika niet anders is, dan een holle baobab (apenbroodboom).

De negers hebben de deur nog niet uitgevonden; hun woning blijft open,

en om zich tegen nachtelijke aanvallen van wilde dieren te beschermen,

vullen zij den ingang op met doornen.

De vogel weet ook zijn nest niet te sluiten. Hoe zal hij zich

beveiligen? een ernstige, moeilijk te beantwoorden vraag.

Hij maakt een nauwen bochtigen ingang. Kiest hij een natuurlijk nest

in een boomholte, dan vernauwt hij den ingang door een vernuftig

metselwerk. Verscheidenen bouwen een dubbel nest met twee woonruimten;

in de alkoof broedt de moeder, in de vestibule waakt de vader als een

trouwe schildwacht, gereed den aanval af te slaan als hij mocht komen.

En wat een vijanden! slangen, menschen, apen, eekhoorns, en zelfs

vogels! Want dat volk heeft ook zijn roovers. Soms helpen de buren den

zwakke, zijn goed terug te krijgen, en de indringer wordt met geweld

verjaagd. Er is daar een zaadetende kraai, die zeer ver gaat in het

recht doen. Als er een jong paar, andere nesten gaat bestelen, om met

het eigen nest vlugger gereed te zijn, dan wordt hun dit niet vergeven.

Acht of tien vereenigen zich, en vernielen het dievennest, dat er geen

stuk van heel blijft; en de schuldigen zijn genoopt naar elders te

vertrekken en van meet af aan te beginnen.

Is dat geen gevoel voor eigendom, en het heilig recht van den arbeid?

Hoe nu veiligheid te vinden, en een soort van publieke orde? Het is

aardig na te gaan, hoe de vogels dat vraagstuk hebben opgelost.

[Illustratie]

Twee oplossingen doen zich voor: de eerste is vereeniging; het vormen

van een staat, die alle krachten in zich zou samenvatten, zoodat door

samenwerking der zwakken, een defensieve macht tot stand zou komen.

De tweede—schijnt het niet wonderbaar, onmogelijk, fantasterij?—zou

moeten zijn, eene verwezenlijking van de luchtstad van Aristofanes,

bewaakt tegen de zware roovers der lucht en ontoegankelijk voor de

roovers van de aarde, den jager en de slang.

Deze twee moeilijkheden, waarvan de eene onmogelijkheid schijnt, zijn

door de vogels tot werkelijkheid geworden.

Eerst de samenwerking, de Staat. Het koningschap staat een trap lager.

Zooals de apen een koning hebben, die iedere bende aanvoert, zoo

schijnen verscheiden vogelsoorten, vóóral wanneer gevaar dreigt, een

hoofd te volgen.

De paradijsvogels hebben een koning. De tiran, een dapper onversaagd

klein vogeltje, geeft bescherming aan grootere soorten, die hem

vertrouwen en volgen. Men verzekert ook, dat de edele sperwer zijn

roofinstinct onderdrukt, en enkele vreesachtige soorten, die op zijn

edelmoedigheid vertrouwen onder zich laat nestelen.

Maar samenwerking tusschen gelijken, is toch altijd het veiligste.

De struisvogels, vetganzen, en nog meer anderen doen dat. Vele soorten,

die zich voor den trek vereenigen, vormen bij de afreis tijdelijke

republieken. Men weet van de voortreffelijke verstandhouding, den

republikeinschen ernst, de prachtige taktiek der ooievaars en

kraanvogels. Anderen, veel kleiner en minder gewapend, en dat in

een klimaat waar de wreed vruchtbare natuur, hun zonder ophouden

de vreeselijkste vijanden baart, durven zich niet van elkander te

verwijderen, en bouwen hunne woningen dicht bij elkander zonder ze nog

te laten samensmelten. En zoo leven zij onder een gemeenschappelijk dak

in afzonderlijke cellen, als de bijen in hun korf. De beschrijving, die

Paterson daarvan geeft doet denken aan een fabel. Maar het geval wordt

door Levaillant bevestigd, die dikwijls in Amerika die zeldzame kolonies

vond en bestudeerde. Het is de beschrijving van een immense parapluie,

die aan een boom is vastgehecht, en onder zijn gemeenschappelijk dak

meer dan driehonderd woningen bergt. „Ik liet hem bij mij brengen,”

zegt Levaillant, „en verscheiden mannen waren noodig om hem op een wagen

te zetten. Ik sloeg hem door met een bijl, en ik zag, dat de massa

uit bosman gras bestond, maar zoo dicht gevlochten, dat de regen er

onmogelijk door kon dringen. Deze massa is het eigenlijke geraamte van

het gebouw, iedere vogel maakt zich een nest onder het gemeenschappelijk

dak. De nesten zijn alle aan den rand; het bovengedeelte blijft vrij,

zonder daarom nutteloos te zijn; want daar het hooger is dan de rest,

krijgt hierdoor het geheel een voldoende helling, zoodat de kleine

woninkjes alle goed beschermd zijn. Kort genomen, moet men zich dus een

groot, onregelmatig, schuin afloopend dak voorstellen, waarvan de rand

inwendig opgevuld is met dicht aanééngesloten nesten. Zoo krijgt men het

juiste begrip van dit eigenaardig bouwsel.

[Illustratie]

Ieder nest heeft 3 tot 4 duim middellijn, wat voor het vogeltje

voldoende is; en daar ze aan elkaar stooten het geheele dak rond,

schijnen zij voor het oog een geheel te vormen; zij zijn gescheiden door

een kleine opening, tegelijk de ingang; en dikwijls dient ééne opening

voor drie nesten, waarvan het eene naar bínnen ligt en de twee andere

ieder aan een kant. Er waren 320 cellen hetgeen 640 bewoners maakt,

als tenminste in iedere cel een paartje was, waarvan ik niet heelemaal

zeker ben. Toch heb ik iedere keer, dat ik op een zwerm schoot een

gelijk aantal mannetjes en wijfjes gevonden.” Lofwaardig voorbeeld! hoe

verdient het navolging!—Maar zou dat broederlijk zich vereenigen van

die kleine wezentjes, wel een voldoende waarborg zijn? Zeker zullen ze

soms met hun aantal en luidruchtigheid het monster verschrikken en van

zijn weg doen afwijken; maar als de boa, sterk in zijn schubbig pantser,

en doof voor hun kreten, hardnekkig blijft voortschuiflen en hun burcht

aanvalt, op een tijd misschien dat de jongen nog niet vlug zijn, dan wil

hun aantal niet anders zeggen dan, meer slachtoffers.

Blijft nog, de ~luchtstad~ van Aristofanes: afgezonderd van aarde en

water, te bouwen in de lucht; een wonder dat alléén de twee sterkste

machten op de wereld kunnen scheppen: de ~Liefde~ en de ~Vrees~, de

meest intense vrees, die het bloed doet stollen. Als uit een hollen boom

de donkere platte kop van een kil reptiel zich opheft en u aansist, dan

siddert ge, niet waar, gij een sterke man?

Moet dan niet dat weerloos schepseltje van angst vergaan, als het zoo

overvallen wordt in zijn nestje en de schrik zijn vleugels verlamt?

De luchtstad ontstond in het land der slangen. In Afrika, het land der

monsters, met zijn afschuwelijke droogten, bedekken zij letterlijk den

grond. In Azië, op de verschroeide kusten van Bombay, in de bosschen,

waar het rottig slijk gaat gisten, krioelen zij, en groeien, opgeblazen

van venijn. De Molukken zijn er vol van.

Vandaar de vinding van de ~Loxia pensilis~ (grootsnavel der

Filippijnen), zòo heet die groote kunstenaar. Hij kiest een boom uit,

dicht aan het water. Aan de takken hecht hij behendig afhangende

plantenvezels. Hij meet het gewicht van het nest vooruit, en vergist

zich nooit. Aan de vezels bevestigt hij één voor één, vrij harde grassen

en doet dit, zonder steunsel, los in de lucht werkend. Het is een

lastig werk en van langen duur, niet anders te volbrengen dan met

oneindig veel geduld en energie.

De vestibule alleen, is al een cylinder van niet minder dan twaalf of

vijftien voet lengte, die boven het water hangt met de opening naar

beneden, zoodat men stijgende moet binnengaan. Het bovenste gedeelte

heeft den vorm van een pompoen of opgeblazen zak, iets als de retort

van een scheikundige. Soms hangen er vijf of zes van die nesten aan één

bamboe.

Dit is dus mijn luchtstad. Geen verbeeldingsdroom, zooals die van

Aristofanes, maar echt en werkelijk, en die voldoet aan de drie

voorwaarden: veiligheid van de waterzijde en ook van den landkant en

bovendien ontoegankelijk te zijn voor de roovers der lucht, door de

nauwe toegangen, die met veel moeite beklommen worden.

En nu zoudt gij misschien tegen den sluwen vogel over zijn nest zeggen,

wat men tegen Columbus zeide, toen hij zich sterk had gemaakt een ei

rechtop te zetten: „Maar dat is dood eenvoudig.” En dan zou de vogel,

als Columbus, antwoorden: „Waarom vondt ge 't dan zelf niet uit?”

[Illustratie]

[Illustratie: DE OPVOEDING.]

[Illustratie]

DE OPVOEDING.

Het nest is nu gereed, beschermd door alle voorzorgsmaatregelen, die

de moeder kon uitdenken. Zij zet zich neer op haar voleindigd werk en

verbeeldt zich den nieuwen gast, dien het morgen zal herbergen.

En moeten ~wij~ ook niet nadenken, op dit voor haar zoo heilig

oogenblik, en ons afvragen wat er in dat moederhartje omgaat?

Zouden wij durven spreken van een ziel? durven zeggen, dat deze

vindingrijke architekte, deze teedere moeder een ziel heeft?

Vele, zelfs zeer gevoelige en sympathieke menschen, zouden daarop een

uitroep van verontwaardiging doen, en die zoo ~natuurlijke~ gedachte,

als een schandelijke hypothese verwerpen.

Hun gevoel zou hen er wel toe brengen; maar hun geest, hun opvoeding ten

minste, opvattingen, die men hun al vroeg heeft ~ingegoten~, verwijderen

hen er van.

De dieren zijn maar machines, een soort van automaten, en denkt men in

hen een vonk van gevoel of rede te zien, dan is dat niet anders dan de

werking van het ~instinkt~. Maar wat is het instinkt? Een soort van

zesde zintuig, waarvan geen bepaling te geven is; dat in hen is, en niet

door hen zelf verkregen; een blinde kracht, die handelt, konstrueert en

duizend intelligente dingen doet, buiten hun bewustzijn om, en buiten

hun persoonlijkheid?

Als dat zoo is, dan moet het instinkt iets onveranderlijks zijn, en

de uitwerking er van regelmatig dezelfde, noch door tijd, noch door

omstandigheden gewijzigd.

Onverschillige geesten, menschen, die slecht waarnemen of van iets

anders zijn vervuld, zullen dit grif aannemen. Waarom ook niet? Op

het eerste gezicht schijnen verschillende handelingen van vogels,

verschillende feiten, ~bijna~ regelmatig terug te komen.

Om juister te oordeelen, ware er misschien langer en nauwkeuriger

waarneming, meer tijd en studie noodig, dan de zaak waard is.

Een dispuut daarover zullen wij verdagen, en liever de voorwerpen zelve

bestudeeren. Beginnen wij met een eenvoudig en op zichzelf staand

voorbeeld; daarbij alléén vertrouwend op onze oogen, op onze eigen

waarneming; dat kan ieder, ook de meest gewone geest.

Ik geef hier in allen eenvoud, het dagboek van mijn sijsje „Jonquille,”

zooals het geregeld gehouden werd bij de geboorte van haar eerste kind;

een zeer nauwkeurig dagboek, en zoo goed als een authentieke

geboorteakte.

„Eerst dient men te weten, dat Jonquille in de kòoi geboren was, en

nooit een nest had zien maken. Toen ik bemerkte, dat zij onrustig werd

onder den invloed van haar komend moederschap, zette ik dikwijls haar

deurtje open, en liet haar vrij uitgaan, om in de kamer het materiaal te

zoeken voor het leger van haar kleintje. Zij ging ook aan 't zoeken,

maar wist het blijkbaar niet te gebruiken. Ze deed alles bij elkaar,

en duwde en stopte het in een hoekje van de kooi. Het bleek dus heel

duidelijk, dat de kunst van nesten bouwen haar niet was aangeboren, en

dat evenmin als de mensch, de vogel iets weet, dat hij niet geleerd

heeft.

„Ik gaf haar toen het nestje heelemaal klaar, d. w. z. het kleine

mandje, dat er den ondergrond en de wanden voor levert. Zij zorgde toen

voor het matrasje en bekleedde zoo goed het ging de wanden. Toen heeft

zij zestien dagen lang haar eitje bebroed, met een volharding, een vuur,

een moederlijke toewijding, verwonderlijk te zien; een paar minuten maar

per dag verpoosde zij zich van haar vermoeiende taak, en dan nog maar

alléén als het mannetje haar wilde vervangen.

„Den zestienden dag op den middag, brak de schaal van het eitje door

midden, en men zag in het nestje kleine vleugeltjes zonder veeren,

kleine pootjes, en iets, dat bezig was zich heelemaal los te werken uit

het omhulsel. Het lichaampje was een groote buik, rond als een bal. Met

wijd open oogen, uitgestrekten hals en trillende vleugels, zat de moeder

op den rand van het nestje naar het kind te zien; en ook naar mij keek

zij, alsof zij zeide: „~Kom niet dichtbij!~”

[Illustratie]

„Behalve een beetje lange donsjes aan de vleugeltjes en het kopje, was

het diertje heelemaal naakt.

„Dien eerste dag gaf zij het alléén maar te drinken: het gaapte al met

een flinken bek.

„Van tijd tot tijd ging de moeder een beetje op zij om de ademhaling

vrij te laten; dan nam zij het weer onder hare vleugels en wreef het

heel voorzichtig.

„Den tweeden dag heeft het gegeten, maar niet meer dan een hapje groen

door den vader meegebracht, door haar ontvangen en zorgzaam bereid, en

met kleine geluidjes aan het jonkje gegeven. Waarschijnlijk was het

minder voeding, dan purgatie. Zoolang het kind verzorgd is, laat zij

den vader aan zijn bezigheden: uitvliegen, gaan en komen. Maar zoo gauw

het begint te vragen, roept de moeder met haar liefste stemmetje den

verzorger; hij vult zijn bekje en komt haastig haar het hapje brengen.

„Den vijfden dag puilen de oogen al minder uit, en den zesden

's morgens, komen de veeren door langs de vleugels, en het rugje

verdonkert. Den achtsten doet het kind zijn oogjes open als het geroepen

wordt, en begint te stamelen. De vader durft het nu aan, het zelf

te voeren. Nu kan de moeder vacantie nemen en blijft vrij lang weg.

Dikwijls zet zij zich op den rand van het nestje en beschouwt liefdevol

haar kind. En dat begint zich te roeren, krijgt behoefte aan beweging.

„Arme moeder, binnen kort zal hij je willen verlaten!

„Bij deze eerste verzorging van het beginnende en nog lijdzame leven,

evenals bij de latere opvoeding, de aktieve—het vliegen—waarover ik

nog spreken zal, was het zeer in 't oogvallend en aan alles duidelijk,

dat er steeds en met groote voorzichtigheid rekening werd gehouden, met

het meest onvoorziene, het onberekenbare: de individueele krachten van

het jonkje. De hoedanigheid, de hoeveelheid van het voedsel, verwarming,

wrijving, zindelijkheid, dat alles werd met zorg en nauwgezetheid

behandeld, al naar de omstandigheden het eischten; de verstandigste en

teederste vrouw, had het nauwelijks zoo kunnen doen.

„Toen ik zag hoe hevig haar hartje klopte, haar oogje schitterde, als

zij haar schat bekeek, heb ik gedacht: „Zou ik anders doen bij de wieg

van mijn zoontje?””

O, als dit eene machine is, wat ben ik zelf dan? en wat bewijst dan,

dat ik een persoonlijkheid ben? Waarnaar zich dan te richten? En is

deze wereld niet een droom, een goochelspel, wanneer men uit de meest

persoonlijke handelingen, die duidelijk het gevolg zijn van rede en

berekening, besluiten moet, dat er niet anders is dan redeloosheid,

mechanisme en automatisme; een soort van klok die het leven speelt, en

het denken!

Bedenkt, dat onze waarnemingen betrekking hadden op een wezen in

gevangenschap, genoodzaakt te handelen in ongunstige omstandigheden,

en zéér beperkt wat keuze van verblijf en voeding betreft. Hoeveel

meer zou er voor haar te handelen zijn, te kiezen en te overleggen,

in de vrijheid der bosschen, waar voorzorgen en voorzichtigheid zouden

vereischt worden in gevangenschap overbodig. Ik denk hier vooral aan de

veiligheid, voor de vogels in natuurstaat het eerste belang, dat boven

alles hen in staat stelt hun vrijwerkend vernuft te oefenen, en het

tegelijk te bewijzen.

Deze eerste inwijding in het leven, waarvan ik hier een voorbeeld gaf,

wordt gevolgd door wat ik ~vakopleiding~ zou willen noemen: iedere vogel

heeft een beroep.

[Illustratie]

Een opleiding, die meer of minder werk vereischt, naar plaats en

omstandigheden. De opleiding tot visscher is b.v. heel eenvoudig voor de

vetgans, die slecht ter been, met moeite haar jong in de zee brengt; die

opperste Moeder wacht hem, heeft zijn voedsel klaar; hij heeft den bek

maar te openen. Bij de eend is die opleiding veel meer samengesteld.

Ik zag dezen zomer op een vijver ergens in Normandië, een eend met

haar broed, die bezig was met de eerste les. De eendjes dicht bijeen

gedrongen, waren begeerig naar voedsel en vroegen maar om te leven.

De moeder, gehoorzaam aan hun roepen, dook telkens naar den bodem, en

bracht een wormpje of vischje mee boven, dat zij onpartijdig uitdeelde;

zij gaf nooit tweemaal achtereen aan dezelfde.

Het aandoenlijkste van dit tooneel was de moeder, wier maag toch zeker

ook haar eischen had; zij behield niets voor zich en scheen blij in haar

offer. En het was blijkbaar haar bedoeling de kinderen te leeren doen

wat zij deed: flink onder te duiken en in de diepte hun prooi te zoeken.

Met een, haast lief, stemgeluid vroeg zij van hen dat bewijs van moed en

vertrouwen. En ik had de voldoening te zien, hoe de één voor den ander,

de kleintjes—misschien in angstig beven—onderdoken naar den duisteren

afgrond. De les was afgeloopen, die opvoeding voltooid. Een hoogst

eenvoudige opleiding en in een ondergeschikt vak. Nu blijft nog die

hoogere school, die van het vliegen, het zingen, het bouwen. Niets

zóó ingewikkeld als de opleiding van sommige zangvogels: de geduldige

volharding van den vader, de leerzaamheid van de kinderen, hebben recht

op ieders bewondering.

Ook strekt die opleiding zich verder uit dan het gezin. Nachtegalen

en vinken, die nog jong zijn of minder geoefend, weten te luisteren en

te profiteeren, als men hun een knappen meester geeft. In Rusland, in

sommige paleizen, ziet men wel eens dergelijke zangscholen; men heeft

daar nog den nobelen oosterschen smaak voor het gezang van den Bulbul.

De kooi van den meester-nachtegaal, hangt midden in de zaal; hij is

omringd door zijne leerlingen in hun respectieve kooien. Men betaalt

zóóveel per uur, voor de les en het toehooren. Vóórdat de meester

begint te zingen, tjilpen en kweelen zij onder elkaar: een herkennen en

groeten. Maar zoodra de illustere dokter, met een krachtigen aanzet,

als van een zuiver gestemde metalen klok, stilte heeft geboden, ziet

ge hen eerst eerbiedig luisteren, daarna schuchter nazingen. De meester

komt welwillend op de voornaamste passages terug, en verbetert zachtjes

de fouten. Dan komen er enkelen, die zich vermannen, en met een paar

gelukkige accoorden zich trachten aan te sluiten aan die heerlijke

melodie.

Eene opvoeding, zóó subtiel, zóó samengesteld, kan die komen van eene

machine, een redeloos wezen, dat alléén gedreven wordt door instinkt?

Wie zou hier de ziel miskennen?

Laat ons zien, wat zichtbaar is! Laat ons, wat aangeleerd en overgenomen

is, alle vooroordeelen, overboord gooien. Van welk vooropgesteld begrip,

van welk dogma men uitgaat, nooit kan men God beleedigen, wanneer men

een ziel toekent aan de dieren. Hoeveel grooter wordt Hij, wanneer Hij

het individu, de ziel, den wil, geschapen heeft, dan wanneer Hij alléén

machines construeerde!

Laat varen dien trots, en neem een maagschap aan waarvoor geen vrome

ziel zich te schamen heeft. Wie zijn zij? Zij zijn uw broeders!

Wat zijn zij? Zielen in ontwikkeling, zielen nog beperkt tot enkele

levensverrichtingen, maar aangelegd op een meer algemeen, en in

zuiverder zin harmonisch leven, dan den mensch geworden is.

Zullen zij het bereiken? en hoe? Dit zijn God's mysteriën.—Dit ìs

alleen zeker, dat Hij ook hen oproept naar hooger.

De dieren zijn—en ik spreek hier niet overdrachtelijk,—de kinderen van

de Natuur, voedsterlingen van de Voorzienigheid; in Haar licht pogen zij

te handelen en te denken, tastend nog, maar tastend gaan zij vooruit.

„Arm kind, nog is zij niet ontward,

„De streng van uw gedachtendraad....”

Kinderzielen zeker, maar meer dan de zielen der menschenkinderen,

zacht, berustend en geduldig. Zie maar, hoe in zwijgende lankmoedigheid

de meesten—en ik denk vóóral aan de paarden,—een slechte behandeling

verdragen, slagen en kwetsuren; ziekten dragen zij allen; allen dragen

zij den dood. Zij zonderen zich af en leggen zich neer in 't verborgen.

Die stille berusting werkt dikwijls meer uit dan de krachtigste

geneesmiddelen. En gebeurt dat niet, dan berusten zij ook in 't sterven,

en verscheiden als in slaap.

[Illustratie]

Hebben zij zoo lief als wij? Hoe zouden wij daaraan twijfelen, als wij

zien hoe de vreesachtigsten plotseling tot helden worden, om hun kroost

te verdedigen. De toewijding van den mensch, die voor zijn kinderen den

dood trotseert, is dagelijks waar te nemen bij den tyran, en bij den

ijsvogel, die niet alléén zich weert tegen den arend, maar hem zelfs

onverschrokken vervolgt, als een held.

Wilt ge twee wonderbaar verwante feiten zien? Beschouw dan de vrouw, als

haar kind den eersten stap zal doen, en de zwaluw, als haar jong gaat

vliegen. Dezelfde angstige onrust, dezelfde aanmoedigingen, voorbeelden,

raadgevingen; voorgewende zekerheid bij innerlijke angst: „Wees toch

niet zoo bang... het is dood gemakkelijk”...

Maar in werkelijkheid trillen beide moeders van angst.

De lessen zijn vermakelijk. De moeder richt zich op, op haar vleugels;

het jonkje let goed op, en probeert het ook te doen; dan ziet ge haar

fladderen: het jonkje kijkt, en beweegt zijn vleugeltjes... Dat is alles

nog niets, want het gebeurt in 't nest... De moeilijkheid begint, als

het nest moet verlaten worden. Zij roept hem, toont hem een lekker

hapje; ze belooft eene belooning, en lokt hem met een vliegje.

[Illustratie]

Hij aarzelt nog! Stel u in zijne plaats; er is hier geen sprake van een

stap te doen in een kamer, tusschen de moeder en de kindermeid, en een

val op kussens. De gierzwaluw, die haar eerste les geeft van af den

hoogen toren, kost het veel moeite haar zoon aan te moedigen; zij

verliest misschien zelf den moed op het laatste oogenblik. Ik ben er

zeker van, dat beide meer dan eens met hun oog den afgrond meten, van

hun toren naar het plaveisel. Voor mij was het altijd een grootsch en

treffend schouwspel. Hij moet in zijne moeder gelooven; zij moet

~vertrouwen~ op de vleugeltjes van het kleine beginnelingetje. God

verlangt van beide kanten een bewijs van geloof en moed. Dit is een

grootsch uitgangspunt... En hij gelooft, hij gooit zich in de ruimte,

en hij zal niet vallen. Bevend zweeft hij, gesteund door den adem der

lucht, de bemoedigende kreten der moeder. Het is voorbij... Van nu af

aan zal hij vliegen, onverschillig voor wind en orkaan, sterk door zijn

eerste proeve: toen hij gevlogen heeft, steunende op zijn geloof.

[Illustratie: DE NACHTEGAAL.

DE KUNST EN HET ONEINDIGE.]

[Illustratie]

DE NACHTEGAAL.

DE KUNST EN HET ONEINDIGE.

De beroemde „~pré-aux-Clercs~,” tegenwoordig „Marché Saint-Germain,” is

's zomers de vogelmarkt van Parijs. Een merkwaardige plek, om meer dan

één reden. Het is als een groote menagerie, die steeds wordt vernieuwd,

een eigenaardig beweegbaar museum van de fransche ornithologie.

De vogel · 第 9 / 12 段