Als de wreede mensch, dat hard en gestadig werken, die teedere liefde

voor het gezin en dat heldhaftig verdedigen van de vrijheid wist te

eerbiedigen, dan zou zeker geen jager dezen waardigen vogel te na

komen. Een jong natuurkundige, die er een had geworgd om hem te kunnen

opzetten, heeft mij gezegd, dat hij den heelen dag ziek en vol wroeging

geweest was, van die hardnekkige worsteling, hij voelde zich een

moordenaar.

Wilson schijnt hetzelfde ondervonden te hebben: „Den eersten dag, dat ik

dezen vogel in Noord-Carolina observeerde,” vertelt hij, „heb ik hem

licht aan den vleugel gekwetst; en toen ik hem in mijn hand nam, gaf

hij een schreeuw als een kind, maar zoo schel en akelig, dat mijn

paard schichtig werd en mij bijna had afgeworpen. Ik nam hem mee naar

Wilmington, en in de straten brachten zijn aanhoudend schelle kreten de

menschen aan deuren en vensters, vooral doodelijk verschrikte vrouwen.

Ik reed door; in de cour van het hôtel zag ik den eigenaar naar mij toe

komen met allerlei verschrikte menschen, die niet begrepen wat er gaande

was. En denk nu eens aan wat een alarm, toen ik opgaf wat ik voor mijn

kind en mijzelf noodig had. De hôtelhouder stond daar bleek en suf,

en de anderen waren stom van verbazing. Nadat ik mij een oogenblik

met hunne ontsteltenis had vermaakt, vertoonde ik mijn specht, en er

volgde een algemeen geschater. Ik nam hem mee naar mijn kamer, en ging

even mijn paard verzorgen. Na een uurtje kwam ik terug, en toen ik de

deur opende, hoorde ik dienzelfden akeligen schreeuw, nu denkelijk

veroorzaakt door de teleurstelling, gesnapt te worden, in zijn poging

tot vluchten.

Hij was langs het venster naar boven geklommen, bijna tot aan de

zoldering. Vlak daaronder was hij aan het sloopen gegaan. Het bed was

bezaaid met groote brokken pleister; de latten van het plafond lagen

bloot, wel vijftien vierkante decimeters, en er was al een gat zoo groot

als een vuist in het zonnescherm, zoodat misschien na nog een uurtje,

hij zich een weg gebaand zou hebben. Ik maakte een touw vast aan zijn

bek en bond hem aan de tafel, toen ging ik weg om voedsel voor hem te

halen; want ik wilde hem in het leven houden. De trap opgaande, hoorde

ik hem weer aan 't werk, en toen ik binnen kwam, was hij bezig om de

tafel te vernielen, waar hij aan vast was gelegd. Hij scheen daarop

zijn woede te koelen. Hij pikte mij verscheidene malen met zijn snavel,

toen ik er een teekening van wilde maken, en zijn moed en ontembare

vrijheidszin maakten zulk een indruk op mij, dat ik een aanvechting

kreeg hem aan zijn bosschen terug te geven. Hij bleef nog drie dagen in

leven, maar weigerde alle voedsel. Met leedwezen zag ik hem sterven.”

[Illustratie]

[Illustratie: DE ZANG.]

[Illustratie]

~DE ZANG.~

Het zal weinigen ontgaan zijn, dat kamervogels, wanneer er gasten zijn

en het gesprek levendig wordt, daaraan op hun manier gaan deelnemen en

beginnen te kweelen en te zingen.

Dat is hun universeel instinkt, zelfs in vrijheid. Zij zijn de echo van

God en van den mensch. Zij vereenigen zich met geluiden en stemmen, en

paren daaraan hun poëzie en hun wilde naïeve rhytmen. In onbewuste

verwantschap, ook als contrast, verhoogen zij de groote effekten in de

natuur en vullen die aan: De zeevogel stelt zijn hooge schrille kreten

tegenover het zware doffe slaan der golven. Met het eentonig ruischen

der bladeren, die de wind beweegt, stemt zacht, het klagend koeren der

tortelduiven en het kweelen van tallooze vogels; en aan de glorie der

ontwakende velden beantwoordt het luid jubelen van den leeuwerik, die de

vreugde der aarde meevoert ten hooge. Zoo klinkt overal vocaal-muziek

uit, boven het immens instrumentaal concert der Natuur, boven die zware

zuchten, die sonore geluidsgolven van dat goddelijk orgel; het is de

vogelzang, die zich losmaakt van die zware basaccoorden; en de veelal

vlugge, schelle tonen snijden op dien ernstigen grond, als streek een

vurig violist de snaren.

Gewiekte stemmen van vuur, engelstemmen! uitingen van een intens

leven, van een hooger leven dan het onze, een leven van zwerven en

beweeglijkheid! In den arbeider, den eeuwig gebondene aan zijn akker,

wekken zij sereenere gedachten en een droom van vrijheid.

Zooals het plantaardig leven in de lente herboren wordt met het komen

der bladeren, vernieuwt zich het dierlijk leven door de terugkomst der

vogels, hun liefde en hun zangen. Van dit alles weet men niet op het

Zuidelijk halfrond; díe wereld is nog jong en in een staat van wording;

zij moet haar stem nog vinden. De hoogste bloei van de ziel en van het

leven, de zang, is haar nog niet gegeven.

Het mooie en grootsche verschijnsel op dit hooger levend deel der

aarde is, dat, wanneer de Natuur haar zwijgende harmonie van bloemen en

bladeren schept, haar lied van Maart en April, haar symphonie van Mei,

dat wij allen dan, menschen en vogels, meetrillen in die akkoorden en

het rhytme opnemen. Dan worden de kleinsten zelfs dichters, sublieme

zangers soms. Zij zingen voor hun genooten, wier liefde zij verlangen...

Zij zingen voor wie naar hen luisteren wil, en die eerste wedstrijd

eischt van velen een ongehoorde inspanning. De mensch geeft den vogel

antwoord. De zang van den een, roept den zang van den ander. Dat

samengaan is ongekend in de heete zône. De schitterende kleurenweelde,

die er de harmonie vervangt, schept niet zulk een band. De vogels dáár

in hun juweelentooi, zijn er niet te minder eenzaam om.

Wel zéér verschillend van die uitgelezen schepsels in hun fonkelende

pracht, is de vogel van onze landen, zoo simpel van kleed, zoo rijk

van hart: hij leeft met de armen. Zeer weinigen maar, zoeken de mooie

tuinen, de aristokratische lanen, de schaduw der trotsche parken.

Allen leven met den landman. God gaf hen overal een plaats. Wouden en

boschjes, lichtingen, akkers en wijngaarden, vochtige weiden en het riet

der plassen, de bosschen van het gebergte en zelfs de besneeuwde toppen,

iedere plaats gaf Hij zijn gevleugelde bevolking; geen plek is misdeeld

van deze harmonie; en zoo is het, dat de mensch nergens gaan kan; niet

zóó hoog stijgen, niet zóó laag dalen, of hij vindt er den vreugdezang,

den zang der vertroosting.

[Illustratie]

Als de dag tenauwernood is begonnen, en in de stallen het klokje

luidt voor de kudden, dan is ook de gele[3] kwikstaart klaar om hen te

geleiden, en trippelt vroolijk om hen heen. Zij mengt zich onder het

vee, en zoekt het bijzijn van den herder. Zij weet dat dier en mensch

haar gaarne zien, en dat zij hen beveiligt voor de insekten. Zij zet

zich rustig op den kop der runderen en op den rug der schapen. Zelden

verlaat zij hen over dag en zij brengt ze getrouw weer thuis. Niet

minder vast op haar post is de bergkwikstaart[4]; waar gewasschen wordt,

vliegt zij om de vrouwen heen, loopt op haar hooge pootjes in het water

en vraagt om kruimeltjes brood; en als met een zonderling mimisch

instinct, wipt zij haar staartje op en neer met de beweging van de

waschborden, alsof zij met meewerken haar loon wilde verdienen.

[3] In het fransch ~bergeronne~—herderinnetje.

[4] In het fransch ~lavandière~—waschvrouw.

De akkervogel, de vogel van den landbouwer bij uitnemendheid, is de

leeuwerik; hij is zijn trouwe gezel; waar hij moeitevol de vore trekt,

vindt hij de leeuwerik om hem aan te moedigen en te steunen, en een lied

van hope voor hem te zingen.

HOOP, dat is het aloude devies van onze Galliërs, daarom hebben zij voor

hun nationalen vogel den leeuwerik verkoren, den leeuwerik met zijn

armelijk kleedje, maar zoo rijk van hart en zang!

Het schijnt of de natuur de leeuweriken misdeeld heeft. De stelling

van hun nagels maakt hen ongeschikt om zich op een tak te zetten.

Zij nestelen op den grond, vlak bij het arme haasje, en hun eenige

beschutting is de vore. Welk een gevaarlijk, zorgvol leven, als zij

gaan broeden! Wat een angst en bekommernis! Niet veel meer dan een

graspolletje onttrekt den schat der moeder aan het oog van hond, van

wouw en valk. Haastig moet zij broeden, haastig moet zij haar angstig

kroost opkweeken. Wie zou niet gelooven, dat het arme schepsel de

melancholie moet deelen van haar droeven nabuur de haas?

„Dit dier is somber, hem verteert de angst.” (La Fontaine).

[Illustratie]

Maar het tegendeel is waar: door eene wondere vroolijkheid en

luchthartigheid, misschien wuftheid, en fransche zorgeloosheid,

herwint onze nationale vogel, als tenauwernood het gevaar geweken is,

onmiddellijk zijn zielsrust, zijn zang, zijn ontembare levensvreugd. En

nog een wonder: al de gevaren, die hun leven steeds bedreigen, al die

wreede beproevingen verharden hun hartje niet; zij blijven trouwhartig

en vroolijk, gezellig en vertrouwelijk, en zij geven een, bij de vogels

zeldzaam, voorbeeld van broederlijke liefde; de leeuwerik zal evenals de

zwaluw, wanneer het noodig is, zijn gelijken verzorgen.

Maar zij hebben tweederlei steun en prikkel: het ~licht~ en de ~liefde~.

In liefde leven zij het halve jaar; tot driemaal toe soms, doen zij

zichzelf het zorgelijk geluk aan van het ouderschap, en den moeitevollen

arbeid van een opvoeding vol onzekerheden. En wanneer er geen liefde

voor hen is, dan blijft hun het licht tot opwekking. Een enkele

zonnestraal is voldoende om hun den zang te hergeven. Zij zijn de

kinderen van den dag. Als de morgen komt, als de horizont zich met

purper kleurt en de zon verschijnt, dan gaat de leeuwerik op uit de

vore, als een pijl, en draagt zijn vreugdehymne ten hemel.

Heilige poëzie, frisch als de dageraad, rein en blij als een kinderziel!

Deze machtige vèrklinkende zang geeft het teeken aan de maaiers. „Het is

tijd!” zegt de vader, „hoor je de leeuwerik niet?” De vogel volgt hen,

wekt hen op tot den arbeid; op de heete middaguren noodigt hij hen te

gaan slapen en houdt de insekten weg. Over het rustend hoofdje van het

halfsluimerend meisje giet hij stroomen van harmonie.

„Geen orgaan,” zegt Toussenel, „kan het tegen den leeuwerik opnemen,”

wat rijkdom en verscheidenheid in den zang betreft; geen vogel heeft die

soepele toon, dat fluweelig timbre; geen zang draagt zóó ver en houdt

zóó aan, en verwonderlijk is de buigzaamheid en kracht der stembanden.

De leeuwerik zingt een uur lang aan één stuk door, zonder ook maar den

duur van één seconde af te breken; en hij zingt terwijl hij verticaal

naar boven stijgt tot een hoogte van duizend meter, stijgt door de

wolken heen; en er gaat geen enkele noot verloren gedurende dit immens

trajekt. Zou één nachtegaal dat kunnen?

[Illustratie]

Deze zang van het licht is een weldaad voor de wereld, en men vindt

den leeuwerik bijna in ieder land, dat de zon verlicht. Zooveel

verschillende streken, zooveel verscheidenheid in de soorten:

huisleeuwerik, akkerleeuwerik, boomleeuwerik, bergleeuwerik,

woestijnleeuwerik zelfs; leeuweriken in de zoutsteppen van Midden-Azië

en leeuweriken op de door den Noordenwind gezengde vlakten van het

afschuwelijk Tartarije. Het is als eene vergoeding, door de vriendelijke

natuur gegeven; een teedere vertroosting van God's vaderzorg.

Maar de herfst is gekomen. Terwijl de leeuwerik achter de ploeg zijn

oogst van insekten binnenhaalt, komen de gasten uit de Noordelijke

landen. De lijsters zijn juist op tijd voor den wijnoogst; en trots op

zijn kroon, komt ook het onzichtbaar-kleine goudhaantje. Het komt uit

Noorwegen, uit de nevels, en onder een reusachtigen denneboom zingt

de kleine toovenaar zijn mysterieus liedje, totdat de geweldige koude

hem noopt af te zakken en zich te mengen onder het lagere volk, de

„Klein-Jantjes,” die bij ons thuis hooren, en ons bekoren met hun licht

vlietend zangetje.

Het wordt guurder, de vogels zoeken de menschen. De brave bloedvinken,

zachtmoedig en steeds trouw gepaard, vragen met zacht en droevig gekweel

om onderstand. De heggemusch verlaat haar boschjes en waagt het tot aan

de huisdeur te komen, met een klagelijk trillend, eentonig stemmetje.

„Als in de eerste Octobernevels, even voordat de winter begint, de arme

zijn schamele provisie van dood hout komt sprokkelen, vliegt een klein

vogeltje op hem af, aangetrokken door het geluid van den bijl. Hij

vliegt om hem heen, als om hem te verwelkomen, al maar zachtjes kweelend

een zoet liedeke. Dat is het roodborstje, afgezonden door een goede

fee tot den eenzamen arbeider om hem te zeggen, dat er nog zijn in de

Natuur, die belang in hem stellen.

„Als de houthakker de sintels, die hij den vorigen dag met asch bedekte,

heeft bijeengezocht, als dan de spaanders en doode takken knappen en

sprankelen in de vlam, dan komt ook het roodborstje gevlogen, en viert,

al zingend, het vuurtje en de vreugd van den houthakker.

„Als de Natuur den slaap ingaat, en zich dekt met den mantel van sneeuw,

als men geen stemmen meer hoort, dan soms den schreeuw van de vogels uit

het Noorden, die hoog in de lucht hun snelle driehoeken trekken; of

misschien den Noordenwind, hoe hij loeit en in de schoorsteenen buldert

van de hutten op het veld, dan komt er weer een fluitend wijsje, een

zacht moduleerend gekweel, dat in naam van den scheppenden arbeid

protesteert tegen die geluidloosheid, den rouw en stilstand.”

[Illustratie]

Open uw venster! och, geef hem wat kruimpjes, een paar korreltjes zaad!

Als hij vriendelijke gezichten ziet zal hij binnenkomen; hij is gevoelig

voor een vuurtje; dan gaat het arme schepseltje door dien korten zomer

heen, weer versterkt, den winter in.

Toussenel ergert zich met reden, dat geen dichter nog het roodborstje

bezong. Maar het vogeltje is zijn eigen dichter; als men zijn liedje

kon opschrijven, zou het heel juist de poëzie van zijn nederig bestaan

weergeven. Het roodborstje, dat ik nu bij mij heb en dat in mijn

studeerkamer vrij rondvliegt, gaat bij ontstentenis van toehoorders

voor den spiegel en kweelt daar zacht, zonder mij te storen, al zijn

gedachtetjes voor het illusoir roodborstje, dat tegenover hem verschenen

is.

[Illustratie: HET NEST.]

[Illustratie]

~HET NEST.~

ARCHITEKTUUR DER VOGELS.

IK heb, terwijl ik dit schrijf, eene belangrijke verzameling nesten van

fransche vogels voor mij, door een vriend bijeengezocht. Dit stelt mij

in staat te beoordeelen wat anderen over dit onderwerp schreven; het te

waardeeren of misschien te verbeteren; konde maar onze begrensde taal

een denkbeeld geven van die zeer bizondere kunst, veel minder verwant

aan de onze, dan men op het eerste gezicht geneigd is te gelooven.

Daarom is het alles waard, de voorwerpen zelf in handen te hebben, te

zien en te betasten; dán pas begrijpt men hoe verkeerd het is, te willen

vergelijken; men wordt daarbij onjuist en onwaar. Het zijn dingen uit

een wereld, die op zichzelf staat; moet ik zeggen ~boven~ of ~beneden~

de werken der menschen? Het één noch het ander; maar absoluut

verschillend; de verwantschap is een uiterlijke.

Bedenken wij eerst, dat dit allerbekoorlijkst voorwerp, het fijnste

en subtielste wat men zich denken kan, alléén bestaat door kunst,

behendigheid en berekening. Het materiaal is gewoonlijk zeer rustiek

en niet altijd datgene, wat de kunstenaars het liefst gebruikten.

De gereedschappen zijn gebrekkig. De vogel heeft niet het behendig

pootje van den eekhoorn, of de tanden van den bever. Hij heeft niets

anders dan snavel en poot, en een poot is heel iets anders dan een

hand.—Het moet ons dus wel schijnen, of het nest een onoplosbaar

vraagstuk voor hem is. Degenen, die ik vóór mij heb, zijn meest alle

gemaakt van dooreengewerkte stukjes mos, kleine buigzame takjes,

of lange plantenvezels; maar het is nog minder dooreengewerkt dan

saamgedrukt; een soort van vilt; een samenstel van allerlei materiaal,

met volharding en inspanning dicht saamgeperst; een groot werk, dat veel

vlijt en energie vereischt en waarbij snavel en poot onvoldoende zijn.

Het eigenlijke werktuig, is het lichaam zelf van het vogeltje, zijn

borstje waarmeê het perst en drukt, tot het materiaal dicht en soepel

is en zich voegt in het geheel. En het lijfje van het vogeltje is weer

het werktuig, dat van binnen aan het nest de ronding geeft; door zich

aanhoudend te draaien en te wenden, en van alle kanten den wand terug te

drukken, slaagt het er in het nest zijn cirkelvorm te geven. Het nest is

dus het individu zelf, zijn vorm, en zijn onmiddellijk overgebrachte

inspanning; ik zou hier wel ~lijden~ willen zeggen, want het resultaat

kon alléén verkregen worden, door een onafgebroken herhaalde drukking

van de borst. Ieder enkel grassprietje is, om zijn buiging aan te nemen

en te houden, duizendmaal en duizendmaal gedrukt moeten worden door het

borstje; zeker met een pijnlijke beklemming van de ademhaling en

mogelijk hartkloppingen.

[Illustratie]

Hoe anders de woonplaats van den viervoet. De meesten worden behaard

geboren, waartoe zouden zij een nest behoeven?[5] Degenen, die bouwen

of holen graven, doen het dan ook meer voor zichzelf dan voor hun

jongen. De marmot is een handig mijnwerker in haar schuins hellende,

onderaardsche gang, die haar beveiligt voor den wind. De eekhoorn richt

zich behendig zijn aardig torentje op, dat hem voor den regen zal

vrijwaren. De groote waterbouwkundige, de bever, die het wassen van het

water voorziet, bouwt zich meerdere verdiepingen, die hij naar willekeur

kan bewonen: alles voor het individu.

[5] Een van de uitzonderingen hierop is het konijn, dat naakte,

hulpelooze jongen voortbrengt. (_Noot van den V._).

Maar de vogels bouwen voor het gezin; zorgeloos hebben zij geleefd,

tusschen de bladeren gewoond, gemakkelijke buit voor hun belagers; maar

zijn zij niet meer alléén, dan maakt het vooruitzicht en de hoop op het

ouderschap hen tot kunstenaars. Het nest is eene schepping der Liefde.

[Illustratie]

Ook is het werk duidelijk de uiting van een buitengewone en

hartstochtelijke wilskracht met zeldzaam doorzettingsvermogen. En dat

blijkt vooral dááruit, dat het niet als onze bouwsels, is voorbereid

door een getimmerte, dat het plan vaststelt en het werk ondersteunt en

regelt. Hier is de ziel van den kunstenaar zóó van het plan doortrokken;

het beeld staat hem zóó zuiver en levendig voor oogen, dat zonder

geraamte of getimmerte, zonder voorafbereid steunsel het luchtscheepje

stuk voor stuk wordt opgetrokken; en geen stuk verstoort den gang van

het geheel. Alles komt op zijn plaats, symmetrisch en in volkomen

harmonie, een zéér moeielijke arbeid, bij zóó gebrekkig gereedschap, en

bij de primitieve wijze van samenpersing door drukking met de borst.

Dit werk vertrouwt de moeder het mannetje niet toe; maar zij gebruikt

hem als leverancier. Hij zoekt het materiaal, grasjes, mos, stukjes

wortel, of kleine takjes. Maar als het bouwsel klaar is, als het op het

binnenste aankomt, het bed, het meubilair, dan wordt het een moeilijk

geval. Men moet bedenken, dat dit leger een eitje moet bergen, dat

oneindig gevoelig is voor koude; ieder plekje, dat te koud wordt, kost

een lid aan het jonge vogeltje. Het wordt naakt geboren. Het buikje

tegen de moeder gedrukt is voor kou beveiligd; maar het vederloos

ruggetje moet warm gehouden worden door het nest. Daarom is de moeder

zoo angstvallig in haar voorzorgen en zoo veeleischend, dat zij

nauwelijks te bevredigen is. Het mannetje brengt b.v. paardenhaar mee;

het is te hard en kan alléén dienen voor onderlaag, als een soort

springveeren bed. Hij brengt hennep; dat is te koud; alleen zijde, of

het zijdeachtige pluis van sommige planten, wol en katoen, worden

aangenomen; en nog beter: zij trekt haar eigen donsveeren uit en legt

die onder haar jonkjes. Het is treffend, het mannetje naar materiaal

te zien zoeken, heimelijk en slim; hij is bang, dat wie hem opmerkt,

den weg naar het nest zal uitvinden. Daarom neemt hij, als hij bespied

wordt, dikwijls een anderen weg. Met allerlei kleine diefstallen kan hij

de moeder helpen. Soms volgt hij de schapen om een paar pluisjes wol te

krijgen.

[Illustratie]

In den hoenderhof neemt hij de donsveertjes van de leghennen. En in zijn

overmoed houdt hij er zelfs een oogje op, of misschien de vrouw haar

kluw of haar spinrokken onder de veranda vergeet; dat is dan al weer een

paar draadjes winst.

De nestenverzamelingen bestaan nog niet lang; zij zijn ook zeldzaam,

en nog niet rijk. Toch kan men bij sommigen, in die van Rouaan b.v.,

die uitmunt door rangschikking, en in die van Parijs, die een paar

bijzondere exemplaren bezit, al de industrieën nagaan, waardoor

dat uitnemende kunststuk, het nest, wordt gewrocht. Wat is er de

ontwikkeling, de voortgang van? Niet van de eene kunst op de andere

(niet van metselen naar vlechten b.v.); maar in ieder vak gaan de

vogels, die het beoefenen, met meer of minder kunst te werk, naarmate de

soort intelligent is, het materiaal meer of minder voegzaam, en naar het

klimaat het eischt.

[Illustratie]

Van de grovere vogels hebben de vetganzen, de pingouïns, bij wien het

jong onmiddellijk na de geboorte te water gaat, genoeg aan een gat in

den grond. Maar de bijeneter, de oeverzwaluw, die hun jongen moeten

grootbrengen, hollen zich een woning uit, van zéér goede en min of meer

wiskunstige verhoudingen, die behoorlijk wordt uitgerust en van zachte

stoffen voorzien, zoodat de jongen geen last hebben van den harden en

vochtigen grond.

Van de metselende vogels, vergenoegt de flamingo zich met een pyramide

van opgehoogde klei, waarop hij zijn eieren beveiligt tegenover

strooming, om ze daar, rustig, staande op zijn lange beenen, uit te

broeden. Dit is grof Werk, en hij is nog maar een opperman. De ware

metselaar is de zwaluw, die haar huis hecht aan het onze.

Maar het wonder van de soort is wellicht het vernuftig kartonwerk van

den lijster der wijngaarden. Zijn nest, dat in die vochtige atmosfeer

veel te lijden zou hebben, is van buiten van mos, en ontsnapt aan het

oog, door éénheid van kleur met het loof; maar als men er in kijkt, is

het een prachtig glanzend gepolijste kom, haast zoo zuiver als glas; men

kon er zich in spiegelen. De rustieke kunst, eigen aan de bosschen: het

timmeren, schrijnwerken, beeldhouwen, heeft zijn eenvoudigste specimen

in het nest van den toekan; zijn snavel is enorm, maar zwak en dun; hij

gebruikt alleen vermolmde boomen. De specht, beter gewapend, kan veel

meer, dat weet men: hij is de ~ware~ timmerman, en, komt de liefde, dan

wordt hij beeldhouwer.

Oneindig rijk aan geslachten en soorten, is het gilde der wevers en

mandenmakers. Het zou een werk van langen adem zijn, bij hun punt van

uitgang beginnende, die industrie vol verscheidenheid, in zijn loop en

tot het einde na te gaan.

De vogels der waterkanten vlechten al, maar ruw en onhandig. Waarom

zouden zij er ook veel werk van maken? Zoo doeltreffend door de natuur

gekleed, met een vetachtig gevederte, nagenoeg ondoordringbaar, hebben

zij minder rekening te houden met de elementen. Hun kunst is de jacht;

altijd krap gevoed, worden zij beheerscht door een veeleischende maag.

Het zeer elementaire vlechten, van reigers en ooievaars, wordt al,

hoewel in geringer mate, voorbijgestreefd door de vlechtwerkers der

bosschen: de gaai, de bloedvink. Hun talrijker familie, noopt hen tot

solied werken. De onderlaag is ruw, maar daarop vlechten zij een meer

of minder sierlijk korfje, een samenstel van stevig verbonden takjes en

worteltjes. De karkiet verbindt kunstig eenige rietstengels, waaraan de

bladen door het weefsel heen gewerkt, een stevige beweeglijke basis

vormen, die de bewegingen volgt van het riet. De buidelmees bevestigt

haar beursvormig nest maar aan één kant, en laat dus haar jongen

wiegen door den wind. Het sijsje, het puttertje, de vink, zijn knappe

viltwerkers. De laatste, schuw en wantrouwig, plakt aan zijn nest als

het klaar is, heel behendig stukjes grijs korstmos, waardoor men bij het

zoeken geheel van de wijs wordt gebracht, en dit allersierlijkste, zoo

goed verstopte nest in den regel aanziet voor een soort van uitwas, iets

toevalligs en natuurlijks.

[Illustratie]

De vogel · 第 8 / 12 段