kraaien in den ban waren gedaan. Maar toen hebben de meikevers zóó
geprofiteerd, en hunne in 't oneindige verveelvoudigde larven hebben zóó
gewerkt onder den grond, dat een grasland, dat men mij toonde, aan de
oppervlakte geheel verdroogd was. Alle worteltjes waren afgeknaagd, en
men kon het geheele weiland oprollen als een tapijt.
Het inroepen van de Natuur door den mensch veronderstelt het begrip van
de Natuurorde. Zóó is de orde, en dit is haar Wet: ~Het leven heeft
om zich heen, in zich, zijn vijand, dikwijls zijn gast, de parasiet,
die het ondermijnt en uitvreet.~ Het bewegingloos en weerloos leven,
vooral zou vernietigd worden, zonder den onvermoeiden vijand van zijn
parasieten, den ijverigen jager, den gevleugelden overwinnaar der
monsters.
[Illustratie]
OORLOG dus overal; ~oorlog~ naar buiten, in de tropen, waar alles aan de
oppervlakte komt, en oorlog naar binnen, in ons klimaat, waar het meer
in 't verborgen geschiedt, geheimzinnig en in de diepte.
In de overweldigende vruchtbaarheid van de heete zône verslinden de
insekten, die moordenaars van den plantengroei, alléén het teveel. Bij
ons stelen zij van het noodige. Dáár voorzien zij zich in de kwistige
weelde van wild opschietende planten, van verloren zaden, van vruchten,
waarmee de Natuur de wildernissen bestrooid heeft. Hier, op den
afgeperkten akker, besproeid met het zweet van den landman, oogsten
zij van zijn oogst, verslinden zij zijn werk en de vrucht daarvan; zij
vallen zijn leven aan. Men zegge niet: „maar de winter is voor ons,
hij zal den vijand dooden.” De winter doodt den vijand, die toch zou
sterven; hij doodt voornamelijk de kortlevenden, wier duur samenging
met den duur der bloemen, der bladen, waarvan zij leefden. Maar vóór
zijn bezwijken waarborgt dat voorziend atoom het leven voor zijn
nakomelingschap, en hij produceert en beveiligt, diep verborgen, vast
zijn toekomst, de kiem van zijne hernieuwing. Als eieren of larven, of
zelfs als volkomen insekt, levend, gewapend, slapen deze onzichtbaren in
den schoot der aarde en wachten er hun tijd.
De aarde zou bewegingloos zijn! Ik zie haar golven; want in haar velden
werkt die zwarte mijnwerker, de mol. En hooger in de droge gedeelten
heeft de rat zijn graankelders en zit in bespiegeling op zijn hoop
koren, wachtend zijn tijd. Dat alles gaat leven in de lente. Van hoog,
van laag, van rechts, van links komt die opeenvolging van knagers en
knabbelaars, legioenen, die elkaar afwisselen; ieder in zijn maand,
op zijn dag. En de natuur richt den marsch van deze overstelpende
onafzienbare mobilisatie op den arbeid van den mensch.
Eene volmaakte verdeeling van arbeid. Ieder vooruit op zijn post, en
geen die zich vergist. Allen gaan recht op hun doel af, op hun boom,
op hun plant. En in zulk een schrikbarend aantal, dat er legioenen
gaan op één blad. Wat zult gij nu doen, arme Mensch? Hoe zult gij u
verveelvoudigen? Hebt gij vleugels om hen te volgen? oogen om hen te
zien? Gij kunt er zooveel dooden als gij wilt; zij zijn volkomen veilig.
Maak ze af bij millioenen, zij blijven leven bij milliarden. Waar gij
denkt te zegevieren met ijzer, met vuur, vernielend ook de planten
zelve, daar hoort gij van terzij het lichte ruischen van het groote
atomenleger, dat van een zegepraal niet merkt en onzichtbaar
voortknaagt.
Luister nu: ik geef u tweeledigen raad. Onderzoek en kies de beste. Het
eerste middel, en het wordt al toegepast, is, alles te vergiftigen.
Drenk de zaden in kopersulfaat, bescherm uw koren met groenspaan. Daar
was de vijand niet op bedacht en het brengt hem in de war. Als hij er
aanraakt is hij dood, of hij zal wegkwijnen. Maar daarbij gaat het uzelf
ook niet goed; die gewaagde krijgslist kan een van de geesels worden,
die onzen tijd teisteren. Gezegende tijd! De brave landman begint met
vergiftigen; het gekoperde graan, bij den handigen bakker gebracht, gaat
gisten door het kopersulfaat; een eenvoudig handig middel; het lichte
deeg rijst, zwelt, men zal er nog om vechten!
Neen, ge kunt beter doen. Kies uw partij. Bij zóóveel vijanden is wijken
geen schande. Kruis uw armen, en laat hen begaan. Ga er bij liggen
kijken. Doe wat die dappere deed, den avond van Waterloo; gewond lag hij
neer, maar hij richtte zich nog op en keek naar den horizont. Daar zag
hij ~Blücher~ en de stofwolken van het Zwarte Regiment. Toen viel hij
weer terug. Het zijn er te veel!
En hoeveel recht hebt gij niet dat te zeggen! Alléén staat gij tegenover
die groote samenzwering, die alle leven bedreigt. Gij kunt ook zeggen
„er zijn er te veel!” Maar gij houdt vol: „dit land ziet er toch goed
uit; in dit lekkere malsche gras zou ik graag mijn beesten zien loopen.”
Kom, we zullen ze er heen brengen.
Er wordt al op hen gewacht. Wat zouden zonder hen die levende wolken
van insekten beginnen, die op enkel bloed azen. Het bloed van het
rund is goed, maar het bloed van den mensch is beter. Ga er maar heen,
er midden tusschen door, ge zult goed ontvangen worden; want gij zijt
een feestmaal voor hen. Die angels, die slurven, die tangen zullen
grasduinen in uw vleesch; het zal een bloedige orgie worden op uw
lichaam, voor den uitzinnigen dans van die uitgehongerde massa; en ze
zullen niet loslaten, tot ze niet meer kunnen. Meer dan één zult ge er
zien ronddraaien en sterven op de bedwelmende bron, die zijn angel heeft
doen wellen. En gewond, bloedend, met zwellingen en builen overal, zult
ge geen rust gelaten worden. Er komen anderen en weer anderen, altijd en
zonder einde. Want is ons klimaat ook niet zoo krachtig als de heete
zônen, daar staat tegenover de eeuwige regen, die zee van lauw en zoet
water, die eindeloos onze landen overgiet en er de vruchtbaarheid
kweekt, waarin die begonnen en wachtende levens tot rijpheid komen, die
klaar staan om op te stijgen, te groeien en zich te volmaken met de
vernietiging van het hoogere leven.
Ik heb gezien, en het was niet eens in de moerassen, maar op de hoogere
gronden van het westen op bekoorlijk groene heuvels, bedekt met bosch of
grasland, hoe daar immense poelen van regenwater bleven staan en later
toen de zonnestralen ze hadden opgezogen, bleek er de aarde bedekt met
eene overvloedige productie van dierlijk leven, slakken en insekten van
alle soorten, een hongerend volk, gewapend, geboren met verschrikkelijke
vernielingswerktuigen. Machteloos stonden wij tegenover dezen
onverwachten overval, voor die krioelende, kruipende en vliegende
wereld, die gereed was ons te overweldigen! Maar wij aanvaardden den
strijd met behulp van een paar onverschrokken en hongerige kippen, die
den vijand ongeteld en zonder praatjes verslonden. Deze Bretonsche en
Vendeesche hoenders, bezield met den dapperen geest van hun land, voeren
den krijg des te zekerder, daar zij het ieder op hare wijze deden. De
„zwarte”, de „grijze” en de „broedster” (dat waren hun strijdnamen)
rukten en corps tegen het vijandelijke leger op, en weken niet. De
„Droomer” of „filosoof” werkte liever op haar eigen houtje, en het
resultaat was er niet minder om. Een prachtige zwarte kat, hun metgezel
in de eenzaamheid, bestudeerde ijverig de sporen van veldmuizen, joeg op
hagedissen, vervolgde de wespen, en at de vliegen, altijd op eerbiedigen
afstand van de kippen.
[Illustratie]
Over die kippen nog een weemoedig woord. Aan alles komt een eind en
wij moesten vertrekken. Wat zou er van haar worden? Gaven wij ze weg,
dan zouden ze zeker worden opgegeten. Lang hebben wij beraadslaagd.
Eindelijk namen wij een kloek besluit, en in navolging van het oud
geloof der wilde stammen, dat men niet gelukkiger kan sterven, dan door
hen, die men liefheeft, en dat het eten van helden, helden kweekt,
hebben wij een maaltijd van haar aangericht, en ze niet zonder weeklagen
verorberd.
In de lente, wanneer met schrikbarend bewegen, het groote monster
ontwaakt, piepend en snorrend, en kwakend en gonzend in zijn geweldigen
honger, dan is het voor ons een grootsch schouwspel te zien, hoe van
den hemel de universeele redder komt afdalen—in velerlei vormen,
in talrijke legioenen, ongelijk van karakter en wapenen, maar alle
gevleugeld, deelende in het goddelijk privilege van den Heiligen Geest,
overal tegelijk tegenwoordig te zijn.
[Illustratie]
Aan de alomtegenwoordigheid van de insekten, wat hun aantal betreft,
beantwoordt die van de vogels door vlugheid, door het vliegen. Het
groote moment is dan, wanneer het insekt, ontwikkeld door de warmte,
den vogel tegenover zich vindt, den vogel verveelvoudigd, den vogel,
die van zog verstoken juist dàn een talrijk kroost heeft te voeden, met
jacht en levende prooi. Ieder jaar zou op nieuw de wereld in gevaar
zijn wanneer de vogel zoogen kon, of wanneer het één individu, één maag
was, die gevoed moest worden. Maar het broedsel, steeds schreeuwend,
of liever, niet te verzadigen, roept zijn prooi met tien, vijftien,
twintig, open snavels; en zóó veeleischend zijn zij, zoo vurig is de
ijver der zorgende moeder om aan die kreten gehoor te geven, dat de
mees, die twintig kinderen heeft, radeloos als zij hen niet kan stillen
met drie honderd rupsen per dag, er toe komt hen de hersenen van jonge
vogeltjes te brengen, die zij vermoordt in de nesten.
Van onze vensters, die op het Luxembourg uitzien, kunnen wij waarnemen
hoe gelijk met den winter, de nuttige krijg van den vogel met het
insekt begint. Met December beginnen de jaarlijksche werkzaamheden. Het
fatsoenlijk en eerzaam echtpaar merel—men zou hen ook de „bladkeerders”
kunnen noemen, werkt in paren. Als na regendagen de zon weer doorkomt,
ziet men hen bij de plassen, zij lichten handig en nauwgezet de bladen
op, één voor één, en geen dat niet zorgvuldig wordt onderzocht.
In die sombere maanden als de slaap van de Natuur wel haar dood
gelijkt, vertoont dus de vogel alléén, ons nog een stukje leven. Op de
sneeuw zelfs begroette ons de merel bij ons ontwaken. Op de ernstige
winterwandelingen hadden wij altijd het goudhaantje om ons heen, met
zijn rap zangetje en zijn zoet en fluitend roepen. De musschen altijd
meer familiaar, zaten op ons balkon. Heel precies op de uren als zij
zijn, wisten zij, dat tweemaal per dag de tafel voor hen gedekt was,
zonder dat hun vrijheid er bij in zou schieten.
Als fatsoenlijke werklui houden zij op met vragen zoo gauw de lente
komt! En toen hun kinderen zoover waren, dat zij vliegen konden, hebben
zij ze vroolijk naar ons venster gebracht, als in dankbaarheid.
[Illustratie]
[Illustratie: DE ARBEID.]
[Illustratie]
~DE ARBEID.~
DE SPECHT.
Er zijn vele onnoozele lasterpraatjes omtrent de vogels in omloop, en
daarvan is wel een van de onnoozelste, dat de ~Specht~, die gaten pikt
in de boomen, daarvoor de harde en gezonde uitkiest, die hem het meeste
werk geven. Voor het gezond verstand is het duidelijk genoeg, dat het
arme dier, dat zich met wormen en insecten voedt, daarvoor de zieke en
meest aangetaste boomen noodig heeft, waar hij minder weerstand zal
vinden, en die hem bovendien rijken buit beloven. En de verwoede krijg,
dien hij voert, tegen dat volk van vernielers, die anders ook de gezonde
boomen zouden bederven, is een zéér gewichtige dienst, die hij ons
bewijst. De staat moest hem beloonen, zoo niet met eene toelage dan toch
met den eeretitel van „~Behouder der bosschen~”. Maar wat doet men?
Inplaats van hem te beloonen, hebben onwetende administrateurs dikwijls
een prijs op zijn hoofd gesteld.
Maar de specht zou niet de ideale arbeider zijn, als hij niet werd
belasterd en vervolgd. Zijn bescheiden gilde, over oude en nieuwe wereld
verspreid, dient den mensch, en is hem tot leering en verheffing.
Het kleed verschilt, maar het algemeene herkenningsteeken is de
scharlakenroode kap, waarmee deze brave werkman veelal zijn hoofd tooit,
zijn dikken, stevigen schedel. Het gereedschap, dat bij zijn vak
behoort, en dat hem dient tot houweel en bijl, beitel en boor, is zijn
forsche, vierkant ingeplante bek. Zijn krachtige pooten met de sterke
zwarte nagels, die stevig grijpen, maken het hem mogelijk geheele dagen
in hoogst ongemakkelijke houding tegen een boom of tak te zitten, altijd
maar kloppend van beneden naar boven. 's Morgens alleen is hij in
beweging, dan gebruikt hij zijn ledematen op allerhande wijze, zooals
alle goede werkers doen, om op gang te komen, en daarna aan 't werk te
blijven. Met zeldzame toewijding klopt hij een heelen dag. Dikwijls
hoort men hem nog laat in den avond, hij werkt dan na, dat is dan
zooveel uur winst. Zijn geheele bouw is aangelegd op dit leven van
strengen arbeid. De spieren, altijd gespannen, geven een lederachtige
hardheid aan zijn vleesch. De bijzonder groote galblaas duidt op
hevigheid en hardnekkigen ijver bij het werken; van drift overigens
geen spoor.
De meeningen over dit merkwaardig wezen, moesten wel zeer uiteen loopen.
Men heeft den grooten werker geschat, naarmate men zijn werk schatte,
naarmate men zelf meer of minder werkzaam was, en naarmate men al of
niet, in een rustig werkzaam leven, een vloek, of een zegen des hemels,
zag.
[Illustratie]
Men heeft ook willen weten, of de specht vroolijk of ernstig is; daarop
kwamen verschillende antwoorden, misschien alle juist, in verband met
soort en klimaat. Ik wil gaarne aannemen, dat Wilson en Audubon hem
vroolijk en beweeglijk zagen. Zij bedoelen namelijk den mooien specht
met gouden vleugel, van Carolina, op de grens der tropen. Die specht
komt gemakkelijk en ruim aan den kost, in die warme landen, zoo rijk aan
insekten. Zijn sierlijk gebogen snavel, minder hard dan die van onze
spechten, schijnt er ook op te wijzen, dat hij met minder weerspannige
boomen te doen heeft. Maar de fransche en duitsche spechten, die door
het omhulsel van onze oude Europeesche eiken moeten dringen, hebben een
heel ander werktuig; hun snavel is vierkant, zwaar en sterk. Het is zeer
waarschijnlijk, dat hun dag meer werkuren heeft. Zij zijn arbeiders,
die onder slechte condities werken: meer werk en minder loon. Vóóral
in tijden van droogte zijn zij er jammerlijk slecht aan toe; de prooi
vlucht, trekt zich verder terug, zoekt de koelte. Daarom roept onze
Fransche specht den regen: „~Plieu-plieu!~” zegt het volk. In Bourgondië
noemen zij den specht „procureur van den molenaar”[2]. Want als er geen
water valt, moeten specht en molenaar stop zetten en hongerlijden. Maar
is het geen vergissing van Toussenel, onzen grooten vogelkenner, den
voortreffelijken en vernuftigen waarnemer, als hij den specht vroolijk
noemt? Wáárop grondt hij die meening? Op de koddige buigingen, waarmee
hij het wijfje denkt welgevallig te zijn?
[2] Men moet hier aan watermolens denken: een rad dat door stroomend
water in beweging wordt gebracht.
Maar wie van ons, ook de meest ernstige, doet in hetzelfde geval niet
hetzelfde. Hij noemt hem ook guit en potsemaker, omdat eens een specht,
toen hij hem zag, vlug rond ging draaien. Voor een vogel, die maar zeer
middelmatig vliegt, was dat misschien het wijste, wat hij doen kon,
vooral tegenover zulk een uitstekend schutter. En dit bewijst voor zijn
gezond verstand. De specht met zijn ongewild vleesch, had een gewoon
jager rustig laten naderen. Maar van zulk een kenner, zulk een vurig
vogelminnaar, had hij grootelijks te vreezen; zeker zou hij zijn
opgezet, ter opluistering van een of ander museum.
Ik verzoek den beroemden schrijver, er nog eens goed over na te denken,
hoe zulk een leven van onafgebroken arbeid moet werken op humeur en
gedrag. De lengte van zulke werkdagen gaat verre de aangename maat te
buiten van wat Fournier noemt: „aantrekkelijk werk.” De specht werkt
op zichzelf, voor eigen rekening, en zeker beklaagt hij zich daarover
niet; hij voelt het als zijn eigen belang, veel en zoolang mogelijk te
werken. Stevig op zijn sterke pooten, in een lastige houding, blijft hij
een dag waar hij is, en er nog over. Is hij gelukkig? Ik denk het wel.
Vroolijk? Dat betwijfel ik. Treurig? In 't geheel niet. Het ingespannen
arbeiden, maakt ons ernstig; maar het verbant ook de somberheid.
Hij echter, die onintelligent werk verricht, of de ongelukkigen, die
moeten overwerken, zij zien slechts geluk in een leven zonder arbeid;
het ingespannen bestaan van den specht, moet hun wel een vloek van het
lot schijnen. De Duitsche handswerkman verzekert, dat het een bakker is,
die zelf luierende op zijn kantoor, het arme werkvolk bedroog met slecht
gewicht, en hen liet honger lijden. Nu moet hij voor zijn straf al maar
werken, doorwerken tot het laatste oordeel, levend van insekten.
Een onnoozele en zonderlinge verklaring. Ik houd meer van de oude
Italiaansche fabel: Picus, zoon van den tijd—Saturnus—was een held van
strenge zeden, hij versmaadde de liefde en de begoochelingen van Circé.
Om haar te ontvluchten, nam hij vleugels en ging zich verbergen in de
bosschen. En nu heeft hij ook het menschelijke wezen verloren. Maar
hij kreeg er meer voor terug: een goddelijk inzicht, voorspellend en
voorziend; hij weet, wat nog komen moet, hij ziet wat nog niet is.
Een zeer belangrijk oordeel over de spechten hebben de Indianen van
Noord-Amerika. Deze helden hebben wel ingezien, dat ook de specht een
held is. Zij dragen graag den kop bij zich van de soort, die zij „de
specht met den ivoren snavel” noemen, en gelooven dan, dat zijn moed
en ijver in henzelf zal varen. Een zéér gegrond geloof, zooals de
ondervinding bewijst. Zelfs het krachtigste gemoed voelt zich nog
versterkt, met dat sprekend symbool steeds onder de oogen; „zoo wil
ik zijn, in moed en volharding.”
Maar dit moet men in het oog houden, dat de specht, al is hij een held,
altijd de vreedzame held van den arbeid is. Hij heeft geen andere
eischen. Zijn vervaarlijke bek, zijn sterke klauwen, zijn voor heel
andere dingen bestemd, dan voor den krijg. Hij is zoo geheel en al
ingenomen door zijn werk, dat geen naijver hem ooit tot een gevecht zou
verleiden. De arbeid absorbeert hem en vraagt de inspanning van al zijn
vermogens.
Zijn werk is zéér samengesteld en vol afwisseling. Eerst onderzoekt de
ervaren houtvester met zijn hamer, d. i. zijn snavel, taktvol zijn boom.
Hij luistert, hoe het geluid klinkt; wat de boom zegt, wat hij in zich
heeft. Het ausculteeren, in de medicijnen nog betrekkelijk nieuw, was al
sedert duizend jaren het voornaamste procédé van den specht. Hij vroeg,
peilde, zag met het gehoor, de leemten en holten in het weefsel van den
boom. Een boom, soms uiterlijk gezond en krachtig, om zijn reusachtigen
bouw al aangewezen door den hamer van de marine, wordt door den specht,
oneindig bekwamer beoordeelaar, rottig en aangestoken bevonden; in het
gebruik zal hij op noodlottige wijze te kort schieten: het hout zal
onder de constructie bezwijken, of het schip zal een lek krijgen. Als
de boom grondig onderzocht is, eigent de specht hem zich gerechtelijk
toe, en vestigt er zich. Het hout is voos, dus slecht, dus bevolkt, er
woont een insektenstam. Er moet aangeklopt aan de poorten der stad. De
bevolking vlucht in wanorde, òf over de muren òf door de zijwegen. Er
hadden schildwachten moeten zijn. Bij ontstentenis daarvan, betrekt
de éenige belegeraar de wacht, van tijd tot tijd het hoofd wendend
om voorbijtrekkende vluchtelingen in te rekenen; daartoe dient hem
voortreffelijk, een buitengewoon lange tong, die hij uitschiet zooals
een slang dat doet. Die jacht geeft hem een grage maag en de inspanning
windt hem op. Hij begint te zien door schors en hout heen; hij ziet de
ontsteltenis van den vijandigen stam, en woont hun volksvergaderingen
bij. En soms daalt hij heel gauw van den boom naar beneden, als vreesde
hij een geheimen uitgang, die de belegerden in veiligheid brengt.
[Illustratie]
Een boom, uiterlijk gezond, van binnen rottig en aangevreten, welk een
beeld van verschrikking voor den patriot, die nadenkt over het lot der
volkeren! Toen in Rome de republiek begon te verzwakken, voelde het
Romeinsche volk zich zulk een boom gelijk en er kwam een dag, dat het
sidderend den specht zag neerkomen op het Forum zelf, op het tribunaal,
letterlijk den praetor in de hand. Toen was er ontroering en sombere
gedachten. Men zendt om de waarzeggers, zij komen: als de vogel
ongestraft vertrekt, zal de Republiek sterven, blijft hij dan bedreigt
hij alléén hèm, die hem in de hand heeft, den praetor. Deze magistraat,
het was Aelius Tubero, doodde den vogel onmiddellijk, hij stierf zelf
spoedig daarop, en de Republiek duurde nog twee eeuwen.
Dat is niet belachelijk, maar groot, want zij duurde door dit nobel
beroep op de toewijding van een harer burgers. Zij duurde door het
zwijgend antwoord van een groote ziel. Deze handelingen zijn vruchtbaar,
zij kweeken mannen en helden; zij bestendigen den duur der volken.
Om op onzen specht terug te komen: deze werker, deze eenzame, deze
groote profeet moet ook aan de universeele natuurwet gehoorzamen.
Tweemaal op een jaar verloochent hij zijn aard, werpt hij zijn
strengheid af en helaas! dat ik het zeggen moet: hij wordt belachelijk.
Gelukkig, wie van het menschenras het niet meer dan tweemaal in het jaar
is!
Belachelijk, niet omdat hij verliefd is; maar omdat hij zijne liefde op
zoo kluchtige wijze uit. Op zijn Zondags uitgedost en prachtig in de
veêren, de sombere tinten opgehaald met het mooie scharlaken, draait
hij om het wijfje heen, en zijn medeminnaars doen hetzelfde.
Maar deze eenvoudige werklui, aangelegd op ernstige bezigheid, zijn
vreemd aan wereldsch kunstvertoon en aan de gracelijke bewegingen der
kolibri's, en zij zien geen kans hun hulde anders te betoonen dan door
vrij linksche buigingen. Echter linksch voor ons, menschen, niet voor
het voorwerp, dat zij er mee huldigen. Zij behagen er mee, en dat is het
eenig noodige. Heeft de uitverkorene haar keus bepaald, dan volgt er
geen gevecht. Bewonderingswaardige zeden van deze eerzame en waardige
arbeiders! De andere druipen teleurgesteld af, maar met fijne en
vrome kieschheid blijven zij de vrijheid eerbiedigen. Maar gij denkt
misschien, dat de gelukkige en zijn schoone nu hun herdersuurtje
gaan genieten, zwervend in de bosschen? In 't geheel niet! Zij gaan
onmiddellijk aan het werk. „Toon je talenten,” zegt zij, „en bewijs, dat
ik mij niet bedrogen heb.” Welk een gelegenheid voor een kunstenaar! Zij
vuurt zijn genie aan. Van timmerman wordt hij schrijnwerker en draaier,
van schrijnwerker wiskunstenaar. De regelmaat der vormen, het goddelijk
rhytme wordt hem geopenbaard door de liefde. En dit is nu juist de mooie
geschiedenis van den beroemden Antwerpschen smid, Quintijn Matsys, die
de dochter van een schilder liefhad; om hare liefde te winnen werd hij
zelf de grootsche schilder van het XVIde-eeuwsch Vlaanderen.
„_Zoo werd een zwart Vulkaan door Liefde een Appel._”
Dus gebeurt het op een goeden dag, dat de specht beeldhouwer wordt.
Met de strenge nauwkeurigheid, de volkomen ronding die men alleen met
den passer verkrijgt, holt hij een sierlijk gewelf uit, zuiver half
bolvormig. Het wordt glad gepolijst als marmer of ivoor. Ook ontbreken
hygiënische en strategische voorzorgen niet. Een bochtige nauwe ingang,
die naar buiten af helt, dat de regen er niet kan binnendringen,
begunstigt de verdediging; kop en snavel van den moedigen inwoner
volstaan om de opening te sluiten.
En welk hart zou nu zoo iets kunnen weerstaan? Wie zou zulk een
kunstenaar, zulk een kloek verdediger niet aannemen; een die met zoo
grooten ijver voorziet in de behoeften van het gezin? Wie zou niet met
volkomen gerustheid achter dat nobel bolwerk van dezen toegewijden
kampioen, het teeder mysterie van het moederschap volbrengen! Er
is dus geen weerstand, en zij nestelen zich: slechts een hymne
ontbreekt.—„Hymen! O Hymenaee”!—Het is niet zijn schuld, dat de Natuur
aan het genie van den specht de muze der melodie ontzegd heeft; maar in
zijn schelle stem herkent men ten minste de noot van den hartstocht.
[Illustratie]
Mogen zij gelukkig zijn! Moge een lief jeugdig geslacht onder hunne
oogen ontluiken en groeien. De roofvogels kunnen hier niet gemakkelijk
binnendringen. Maar de slang! de vreeselijke zwarte slang! als die het
nest maar niet vindt! En laat er geen kinderhand komen om den ouders
hun kroost te ontrukken! En dan blijve de ornitholoog, de groote
vogelvriend, vooral ver van hier.