Ik stel mij dan den armen kleinen zanger voor, die zijn stem verloren

heeft maar niet zijn fijne intuïtie, hoe hij zonder raad of steun,

verloren in die eenzaamheid, zich neerzet en wacht, om nog eens te

overleggen voor hij zich begeeft in dien valstrik, de lange engpas

van Savoye. Hij wacht aan den ingang, zet zich neer op een bevriend

huis, dat ik wel ken, of op een boom in het geheiligde bosch van de

~Charmettes~ en hij peinst en zegt: „Ga ik over dag, dan zijn ze er

allen; zij weten van onzen trek; de arend grijpt mij, 't is met mij

gedaan. Ga ik 's nachts dan komt de Uhu, de uilen, het heele leger van

die vreeselijke nachtspoken met oogen, die wijd opengaan in den nacht;

zij pakken mij, brengen mij aan hun jongen.... Ik stakker, wat zal ik

doen! Ik zal den nacht vermijden èn den dag. In de grauwe vochtige

morgenuren, als de groote roofvogel, die geen nest kan bouwen,

doortrokken is van den kouden, natten nevel, dan vlieg ik voorbij,

onopgemerkt.... En al zou hij mij zien, ik ben al lang voorbij, vóórdat

hij het zware toestel van zijn natte vleugels in beweging kan brengen”.

Goed berekend; maar toch—er kan nog zooveel gebeuren; hij kan in dat

lange Savoye den Oostenwind ontmoeten, die op hem neer komt vallen en

zijn kracht breekt, en zijn vleugels.... God! het is al dag geworden....

Die duistere reuzen, in October al gehuld in hun witten mantel,

vertoonen op hun eindeloos sneeuwkleed een zwart punt, dat voortschiet

als een pijl. Hoe dreigend en somber zien die bergen onder dat immense

lijkkleed in zijn lange plooien. Die toppen zoo onbewegelijk, scheppen

om en onder zich een eeuwige beweging, geweldige tegengestelde stroomen,

die tegen elkander inwerkend zich woest bevechten; daar moet hij

wachten. „Als ik lager ga, dan zullen die woest neerschietende

bergstroomen daar in het donker, mij door hun wervelwinden meesleepen.

En stijg ik naar de koude en lichte streken, dan ben ik verloren: de

rijp zal mijn vleugels verlammen.”

Een uiterste inspanning heeft hem gered; het kopje naar omlaag, duikt,

valt hij in Italië. Te Susa of bij Turijn blijft hij, om zijn vleugels

rust te geven en te versterken. Hij is midden in de reusachtige

Lombardische bloemkorf, een nest van bloemen en vruchten, waar eens

Virgilius hem hoorde. Die grond is niet verouderd; nu, als toen, is

de Italiaan de ~durus arator~—de moeizame ploeger,—die het land van

anderen bebouwt; en nòg vervolgt hij er den nachtegaal. De nuttige

insektenverdelger wordt vervolgd als een zaadeter. Laat hem dus de Adria

oversteken, van eiland tot eiland, ondanks de gevleugde zeeroovers, die

op diezelfde klippen uitkijken; misschien komt hij dan nog op den, voor

vogels, heiligen grond, in het goede, gastvrije en weelderige Egypte,

waar allen worden gespaard, gevoed, gezegend zelfs, en goed ontvangen.

[Illustratie]

Maar nog zooveel beter zou het zijn, indien niet daar in blinde

gastvrijheid ook de moordenaars werden gekoesterd. Nachtegalen en

tortelduiven worden er ontvangen, zeker, maar ook de arend. Op de

terrassen van de Sultana's, op de balkons van de minarets—arme

reiziger! Ik zie wreede schitterende oogen, die zich hierheen wenden....

en ik zie dat ge zijt opgemerkt. Blijf er niet. Het goede seizoen zal

niet lang duren. De vernielende woestijnwind zal gaan blazen, en dat

beteekent dood, en dorheid en het ophouden van uw schraal voedsel.

Straks geen vliegje meer om kracht te geven aan wiek en stem. Denk aan

het oude nest, dat ge in onze bosschen hebt achtergelaten, aan uw liefde

in Europa. De hemel was er somberder, dat is zoo, maar gij schept er u

een hemel. Liefde was er om u heen; zij trilden bij uw zang; en de

liefste had u verkoren.... Dat is de ware zon, het schoonste Oosten.

Het ééne Licht is, waar men liefheeft.

[Illustratie: VERVOLG VAN DEN TREK.

DE ZWALUW.]

[Illustratie]

VERVOLG VAN DEN TREK.

DE ZWALUW.

De zwaluwen hebben zich zonder vragen van onze woningen meester gemaakt.

Zij huizen onder onze vensters, onder onze daken, in onze schoorsteenen;

en zij zijn in het minst niet bang voor ons. Men zou kunnen zeggen, dat

zij vertrouwden op hunne onvergelijkelijke vleugels. Doch dat is het

niet; want zij vertrouwen ons ook hun nest, hunne kinderen toe. En dàt

is juist de reden, dat zij baas werden in onze woningen. Zij namen niet

alleen ons huis maar tegelijk ons hart.

Onze grootvader had in het buitenverblijf, waar hij zijn kinderen

opvoedde, een serre, die hij voor leerkamer gebruikte. Dáár nestelden de

zwaluwen, zonder zich om de gangen der familie te bekommeren, vrij in

hun in- en uitgaan, opgaand in de zorg voor hun broedsel; zij vlogen

door het venster en kwamen door het dak, en babbelden luide met hun

kameraads, luider dan de onderwijzer zelf, zoodat hij, als de heilige

Franciscus, soms moest zeggen: „Zuster zwaluw, zou je niet een beetje

kunnen zwijgen?”

Het nest bleef in hun bezit; waar de moeder nestelde, nestelde de

dochter en de kleindochter. Ieder jaar komen zij weer; hunne generaties

volgen elkaar geregelder op dan de onze. Het gezin sterft uit,

verspreidt zich, het huis komt aan anderen, maar de zwaluw keert

geregeld weer, zij houdt vast aan haar recht van eigendom.

En zoo is die trekster het symbool geworden van de trouw aan eigen

haard. Zóó heeft zij zich daaraan gehecht dat, wordt het huis zelf

gedeeltelijk gesloopt, gerepareerd door metselaars, het toch weer wordt

teruggenomen en bewoond door die trouwe vogeltjes, met hun vasthoudende

herinnering.

Het is de vogel, die _keert_. En niet alleen noem ik hem zoo om zijn

geregelden jaarlijkschen terugkeer, maar ook om zijne bewegingen, en de

richting van zijn vlucht, die zoo sterk wisselt, maar toch cirkelvormig

blijft, en altijd tot het uitgangspunt terugkeert.

De zwaluw draait en zwenkt voortdurend; zij zweeft onvermoeid in

kringen over dezelfde ruimte, met de sierlijkste wendingen, die in het

oneindige wisselen, maar zich nooit verwijderen. Is het om haar prooi te

vangen, het mugje dat op en neer danst, zwevend op de lucht? Is het om

zich te uiten in de kracht van die onvermoeibare vleugels, zonder zich

van het nest te verwijderen? Om 't even, die cirkelvlucht, die eeuwig

terugkeerende beweging heeft ons steeds oogen en hart geboeid, bracht

ons in een droom en een wereld van gedachten.

[Illustratie]

Haar vliegen zien wij, maar bijna nooit haar zwart gezichtje. Wie zijt

ge tóch, die u altijd aan onzen blik onttrekt, die slechts de lucht

klievende vleugels laat zien, rappe zeisen, als die van den tijd?

Maar hij gaat, gaat; gij keert, keert altijd. Ge nadert mij: gaf ik

u ergernis? raakt mij bijna, wilt ge mij treffen? Ge streelt mij zóó

dicht, dat ik de luchtbeweging voel en bijkans den vleugelslag.... Een

vogel? een geest?.... O, als ge een geest zijt, zeg het vrij en vertel

mij dan: wat is het toch dat leven scheidt van dood? Morgen zijn wij

dood; zal het ons gegeven zijn op vleugels terug te keeren naar het

lieve thuis, waar wij werkten en beminden? Zullen wij nog een enkel

woord kunnen zeggen in zwaluwentaal, aan hen, die ook dàn nog ons hart

zullen vervullen? Maar wáárom willen we vooruitloopen, waarom onzen

dorst lesschen aan die bittere bron? Laat ons aan dezen vogel denken,

zooals het volk zich hem dacht in de goede oude volkswijsheid, die zeker

dichter de natuur nadert.

Het volk zag in de zwaluw een natuurlijke klok, die de seizoenen

verdeelde, de twee groote perioden van het jaar. Met Paschen en met

Sint Michiel, als de kermissen zijn en de jaarmarkten, de huur ingaat

en afloopt, dan komen de zwaluwen zwart en wit, en zeggen ons den tijd.

Zij sluiten een tijdperk af en openen een nieuw. Men komt dan bij

elkaar, maar vindt elkaar niet altijd terug; na die zes maanden wordt

deze en gene gemist. De zwaluwen keeren, maar niet voor allen, want

verscheidenen zijn er vertrokken op een reis, veel langer nog dan de

„tour de France.” Nog verder dan „Duitschland in.”

Onze handwerksgezellen volgden het leven van de zwaluwen, maar bij hun

terugkeer vonden zij niet als deze, het nest terug. De voorzichtige

vogel waarschuwt hen daarom in een oude, Duitsche spreuk; de

volkswijsheid wil hem terughouden bij den huiselijken haard. De dichter

Rückert maakte van die spreuk een liedje: „~Aus der Jugendzeit~” en

als dacht hij zichzelf een zwaluw, volgde hij daarin haar rhytmische

cirkelvlucht, haar steeds terugkomen. Een weemoedig liedje, dat, mogen

enkelen er om lachen, velen tot tranen zal roeren.

De zwaluw, als men haar in de hand neemt en van dichtbij bekijkt is

eigenlijk een vreemde en leelijke vogel, maar dat komt juist dáárvan,

dat zij de vogel „~par excellence~” is, uitverkoren uit alle wezens

voor de vlucht. Aan deze bestemming, heeft de natuur bij haar alles

opgeofferd, den vorm heeft zij verwaarloosd voor de beweging; en zij is

daarin zóózeer geslaagd, dat deze vogel, zoo leelijk in rust, de mooiste

van allen is, wanneer hij vliegt. De vleugels zeisvormig, uitpuilende

oogen, geen hals (om de kracht te verdubbelen), weinig of geen poot:

alles is vleugel. Dit zijn de hoofdtrekken. Voeg daarbij nog een zéér

wijden bek, altijd happend, die zich opent, sluit, en weêr opent in de

vlucht. Zij eet vliegend, drinkt, baadt zich vliegend, en voedt vliegend

haar jongen.

Haalt zij, in de rechte lijn, niet bij den valk, die door de lucht

schiet als het bliksemlicht, zij is daarvoor veel vrijer van vlucht: zij

draait en zwenkt, cirkelt, zigzagt, trekt een wirwar van vage figuren,

een doolhof van wendingen, die zij kruist en overkruist in 't oneindige.

De vijand, verward en verdwaasd, weet geen weg meer; zij vermoeit hem,

put hem uit: hij geeft het op en verlaat haar, de steeds onvermoeide.

Zij is met recht de Koningin van de vlucht; de ruimte behoort haar,

door haar onvergelijkelijke lichte bewegelijkheid. Wie kan als zij op

het hoogtepunt van snelheid, inhouden en wenden? Niemand! De oneindig

gevariëerde jacht op een onophoudelijk bewegelijke prooi, vlieg, mug,

kever, duizend insecten, die snorrend en zwevend nooit een rechte lijn

beschrijven, is zeker de beste vlieg-cursus, en daardoor is de zwaluw

de meerdere van alle vogels. Om dàt te bereiken, dat onovertroffen

vliegvermogen voort te brengen, heeft de Natuur tot een ander uiterste

moeten komen: het onderdrukken van de pootjes. Bij de groote kerkzwaluw,

die gierzwaluw genoemd wordt, is het pootje tot niets geworden. De

vleugel wint er bij; men gelooft dat de gierzwaluw tot tachtig mijlen in

het uur aflegt. Door deze ongelooflijke snelheid wordt zij de gelijke

van den fregatvogel. De poot, die daar heel kort is, wordt bij de

gierzwaluw tot een stompje; als zij rust, doet zij het op haar buik,

maar zij rust ook niet veel.

Contrast met al zijne natuurgenooten, is voor dezen vogel, alléén

beweging, rust. Gooit zij zich van de torens, laat zij zich gaan door

de ruimte, dan is het een aangenaam wiegen en zweven; de lucht draagt,

ontspant haar. Wil zij zich vasthouden, dan zijn daarvoor haar zwakke

klauwtjes voldoende. Maar in rust is zij machteloos, verlamd, en

alles kost moeite; zij is weer het slachtoffer van de fataliteit der

zwaartekracht; de eerste der vogels, is teruggevallen tot de kruipende

dieren.

[Illustratie]

Het opvliegen van den grond is voor haar de grootste moeielijkheid;

zij moet hoog nestelen om zich weer te laten vallen in haar natuurlijk

element. In de lucht neergekomen is zij vrij, meesteres; elders slavin,

van alles afhankelijk, prooi van wien haar zou willen grijpen. Haar

wetenschappelijke soortnaam zegt alles: ~Apus~ = voetloos. Het groote

volk van de zwaluwen, met zijn zestig soorten, dat de aarde vervult,

vervroolijkt en met zijn sierlijkheid van beweging en lief gesjirp

bekoort, dankt al die aangename hoedanigheden aan de misvorming van

weinig, heel weinig poot. Zij zijn de roem van al wat vleugels heeft,

door hun volmaakt vliegvermogen; maar te gelijk de meest gebondenen aan

nest en rustplaats. Bij deze geheel op zichzelf staande familie, waar de

voet den vleugel niet steunt, bepaalt zich de opvoeding tot het gebruik

van de vleugels alleen, een langdurige leertijd. De jongen moeten

lang in het nest blijven en daardoor ontwikkelt zich in bijzondere mate

de teederheid en voorziende zorg van de moeder. De bewegelijkste der

vogels is door liefde gebonden. Het nest dient niet enkel voor een

kort huwelijksleven, maar het is een woning, een „tehuis”, en het

belangwekkend tooneel van een moeielijke opvoeding en wederzijdsche

opoffering. Er woont een teedere moeder, een trouwe echtgenoote; en

veel meer: jonge zusjes, die hun best doen om de moeder te helpen, als

kleine moedertjes en voedsters van kinderen, nog veel jonger dan zij.

Er is moederlijke teederheid, en wederzijdsche zorg en onderricht,

van kleintjes aan kleineren. Het schoonste is, dat die band blijft;

in gevaar zijn alle zwaluwen zusters; schreeuwt er een, alle komen;

wordt er één gevangen, dan jammeren alle en spannen zich in om haar

te bevrijden.

Het is bekend, dat deze bekoorlijke vogeltjes hunne belangstelling

zelfs uitstrekken tot vogels, die aan hun soort vreemd zijn. Zij hebben

met hun lichte vlucht minder dan eenig andere soort, van roofvogels

te vreezen, en zij waarschuwen dan ook den hoenderhof als er een in

aantocht is. Hoenders en duiven kruipen weg en verschuilen zich, als

zij den kreet van de zwaluw hooren, die hen waarschuwt.

Neen, het volksgeloof dat de zwaluw zoo hoog stelt, is geen dwaling.

Waarom? Zij is de ~gelukkigste~, want zij heeft de meeste vrijheid:

vrij, door haar weergalooze vlucht,

vrij, door gemakkelijke voeding,

vrij, door keuze van klimaat.

Ook heb ik, hoe ijverig ik haar taal beluisterde (het is meer babbelen

tegen haar zusters dan zingen) nooit anders er uit kunnen hooren dan een

zegenen van het Leven, en lof van God.

~Liberta! molto e desiato bene.~—„Vrijheid! onschatbaar goed, zoo zéér

verlangd!” Deze woorden gingen aanhoudend in mij om, op het groote plein

te Turijn, waar wij onze oogen niet konden afhouden van de ontelbare

zwaluwen, die daar rondvlogen, met kleine vreugdegeluidjes. Zij vonden

daar, afdalende van de Alpen, de gemakkelijkste woningen kant en klaar,

in de gaten, achtergelaten door de steigers, in de muren der paleizen.

Dikwijls, en vooral 's avonds tjilpten zij luid en schreeuwden, dat

men elkaar niet verstaan kon; en zij vlogen, hals over kop, dat zij

haast tuimelden, den grond scherend; maar zóó vlug waren zij weer op,

dat het leek een springveer hen opgooide, of een boog hen afschoot.

In tegenstelling van ons menschen, die aanhoudend naar de aarde

teruggetrokken worden, schijnen zij hun zwaartekracht naar boven te

hebben. Nooit zag ik juister beeld van wat vrijheid is. Het was een

spelen, een zich vermeien, in het oneindige.

Zelf reizigers, verheugden wij ons in deze reizigers, die zoo zorgeloos

en vroolijk het zweven opnamen. Toch was de omgeving ernstig: de Alpen,

die daar den horizont begrenzen, schenen naderbij, op dat uur; de

dennenbosschen, donkerden zwart in de avondschemering; de lichtschijn

van de gletschers verbleekte. In dubbelen rouw scheidden ons deze groote

bergen van Frankrijk, waarheen ons langzamerhand onze weg zou

terugleiden.

[Illustratie]

[Illustratie: HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.]

[Illustratie]

HARMONIEËN VAN DE GEMATIGDE LUCHTSTREEK.

Waarom plaatsen de zwaluwen en zooveel andere vogels hunne woningen zoo

dicht bij die van den mensch? Hoe komen zij zoo bevriend met ons, dat

zij ons volgen in onze werkzaamheden, ons daarbij vervroolijkend met hun

zingen? Waarom bestaat alléén in onze gematigde luchtstreek, die

harmonische band, die toch de Natuur zelve bedoelt?

Dat komt, omdat beide partijen, de vogel zoowel als de mensch, hier vrij

zijn van de drukkende fataliteit, die in de warme streken hen scheidt en

aan elkaar tegenoverstelt.

De warmte, die den mensch verslapt, prikkelt integendeel den vogel,

kweekt bij hem de drukke bewegelijkheid, de onrust en de woestheid, die

zich uit in rauwe kreten. In de tropen is er een absolute scheiding;

slaven zijn zij beide van een tyrannieke natuur, die verschillend op hen

drukt. Uit die klimaten in de onze te komen, is een overgang naar de

vrijheid.

De natuur, die wij dáár ondergingen, beheerschen wij hier. Ik verwijder

mij gaarne van daar, zonder ééns het hoofd te wenden naar dat

overweldigend paradijs, waar ik, een zwak kind, machteloos lag in den

arm van die sterke voedster, die mij dronken maakte met haar al te

krachtig voedsel, meenende mij te drenken.

Deze hier is voor mij gemaakt, zij is mijn wettige vrouw. En van te

voren gelijkt zij mij al: zij is ernstig, werkzaam als ik, zij heeft

arbeidsinstinkt, en geduld.

De wisselende jaargetijden verdeelen den grooten dag van het jaar voor

den arbeider; het werk wisselt af met den rusttijd. Geen harer vruchten

geeft onze natuur voor niets; maar zij geeft wat meer is dan vele

vruchten: nijverheid en werklust.

Met welk genot vind ik in haar mijn beeld, de sporen van mijn wil, de

scheppingen van mijn kunnen en van mijne intelligentie. Grondig door

mij bewerkt, omgewerkt, vertelt zij mij wat ik deed, herschept mij voor

mijzelven. En ik zie haar ook, zooals zij was, vóór haar menschelijk

herboren zijn, voor dat zij mensch geworden was.

Eentonig en triest voor den eersten aanblik, lagen daar bosschen en

grasvlakten, maar toch zoo verschillend van wat men in de heete

luchtstreken ziet.

Het grasland, het frisch-groene kleed van Engeland en Ierland, het

teeder fijne tapijt van een gras, dat zich altijd vernieuwt,—niet het

ruige dek van de Aziatische steppen, de vijandige, gedoornde vegetatie

van Afrika, de stekelige, wilde Amerikaansche savanna's, waar de

kleinste plant houterig is, een harde struik; de Europeesche weiden, met

hunne vluchtige jaarlijksche plantengroei, hunne bescheiden bloempjes

met een zwakken, zoeten geur, hebben een karakter van jonkheid, of laat

ik liever zeggen onschuld, dat harmonie brengt in ons denken, en de

ziel verkwikt. Op deze eerste laag van een bescheiden en smeeïg gras,

dat geen pretenties heeft naar hoogen groei, teekent zich, door de

tegenstelling, te scherper de krachtige individualiteit der forsche

boomen af; een groot verschil met den warrigen groei der tropische

wouden.

[Illustratie]

Wie kan uit die dichte massa van lianen, orchideeën, tallooze

parasieten, de boomen ontwarren—zelf van kruidachtigen aard—die er

onder zijn bedolven. In onze oude Gallische of Germaansche bosschen,

verheffen zich stoer en statig, langzaam en stevig opgebouwd, de iep of

de eik, de held van het plantenrijk, met zijn knoestige armen, zijn hart

van staal, die acht of twaalf eeuwen overwon, en die, neergeveld door

den mensch en verbonden aan zijn arbeid, de eeuwigheid der

natuurgewrochten openbaart.

Zoo de boomen, zoo de mensch. Zij het ons gegeven hem te gelijken, dien

krachtigen, rustigen eik, die met zijn machtig absorbeerings-vermogen

alle voedingselementen in zich concentreerde, en zoo zich opbouwde tot

het ernstig, nuttig, volhoudend individu, de sterke persoonlijkheid

aan wie allen in vertrouwen bescherming komen vragen; die over zooveel

dierlijk leven, zijn armen beschuttend uitstrekt, en ze veilig bergt in

de dichte massa van zijn loof!... En in hun dankbaarheid, vervroolijken

zij dag en nacht met een blij koor van geluiden, de zwijgende majesteit

van dien ouden, die van eeuwen getuigen kan. De vogels danken hem, en in

het patriarchale lommer brengen zij de bekoring van hun zangen, van hun

jeugd en hun liefde.

O! de levenswekkende kracht van het westelijk klimaat! Waarom leeft de

eik duizend jaren? Omdat hij ieder jaar weer jong is.

Hij is de lente-verkondiger. De emotie van het zich vernieuwende leven,

begint voor ons niet, wanneer de natuur zich dekt met het éénvormig

kleed van de gewone planten; maar zij begint, wanneer wij zien hoe de

eik, tusschen het harde, dorre blad van 't vorige jaar uit, zijn nieuwe

loof loswringt; wanneer de iep, die rustig het ongeduld der mindere

boomen om zich, liet voorbijgaan, met een luchtig groen zijn teedere

twijgen gaat tinten, zijn rijzige takken, die zich in hun streng

omhoog-gaan zoo fijn afteekenen tegen de lucht. Dan spreekt de natuur

tot allen; haar machtige stem beroert zelfs de ziel van den wijze.

Waarom ook niet? Is de natuur niet heilig? En dit verrassend ontwaken,

dat alle leven oproept, zoo in het starre hart van den eik, als in zijn

heerlijken hoog-opstrevenden top, waar de vogel zijn vreugde uitjubelt;

is het niet, als het wederkomen van God op aarde?

Ik heb geleefd in de klimaten, waar olijf en oranje staan in hun eeuwig

groen. Maar hoewel, van die keurboomen de schoonheid en bijzondere

distinctie beseffende, kon ik mij toch niet gewennen aan het ééntonig,

onveranderlijke kleed, dat met zijn altijd zelfde groen antwoordt op

het altijd zelfde blauw van de luchten. Ik wachtte op ~iets~, op eene

hernieuwing, die niet kwam. De dagen gingen, maar altijd gelijk. Geen

blaadje minder, geen wolkje, nog zoo klein! „Genade!” vroeg ik, „o

eeuwige natuur! Verandering voor dit veranderlijk hart, dat gij mij

gaaft! Regen, slijk, storm, ik neem alles aan; maar dat van den hemel of

van de aarde de gedachte aan beweging mij weer geworde! aan herleving!

dat ieder jaar, het zien eener hernieuwde schepping mijn ziel

verfrissche, en mij de hoop hergeve, dat er ook voor mijne ziel eene

wedergeboorte komt, en dat zij met de wisselingen van slaap, van dood

of winter zich nieuwe lente kan scheppen.” Mensch, vogel, de geheele

natuur, zij zeggen allen hetzelfde. Door wisseling zijn wij.

Die sterke wisselingen van kou en warmte, van nevel en zon, van

droefheid en blijheid, geven het karakter, het machtige eigen, aan ons

Westen. De regen verveelt ons, morgen zal het weer helder zijn. Het

schitterende oosten, de wonderen der tropen, bij elkaar geteld, komen

niet in vergelijking met het eerste Maartsche viooltje, het eerste

vogellied in April, den bloeienden meidoorn, de vreugde van het jonge

meisje, dat voor het eerst weer haar licht kleedje aantrekt.

[Illustratie]

In den morgen klinkt een heldere zang, zeldzaam frisch en zuiver; het is

de schallende metaalklank van den merel; en geen hart zoo droef, geen

ouderdom zoo mokkend of zij hebben dáárvoor nog een glimlach. Toen ik

eens op een lentedag op weg naar Lyon door Maconsche wijngaarden kwam,

waarin men juist met het opbinden bezig was, zag ik een doodarm, oud

blind vrouwtje, dat met een buitengewoon vroolijk accent het oude

volksliedje zong:

~„Nous quittons nos grands habits

pour en prendre de plus petits.”~

[Illustratie]

[Illustratie: DE VOGEL.

ARBEIDER VAN DEN MENSCH.]

[Illustratie]

~DE VOGEL.~

ARBEIDER VAN DEN MENSCH.

De gierige landbouwer,—Virgilius heeft dat juist gevoeld—gierig, en

daarbij nog blind, vervolgt de vogels, die toch insektenverdelgers zijn,

en verdedigers van zijn oogst.

Geen enkel zaadje voor hen, die in de regenachtige winters de wordende

insecten en de larven zoeken, die ieder blaadje omkeerden en afzochten,

die dagelijks duizende rupseneieren vernietigden. Maar voor de volwassen

insekten zakken vol haver; en akkers vol koren voor de sprinkhanen die

anders door de vogels verdelgd waren geworden.

Den blik steeds op de vore, op het oogenblik gericht, blind voor de

groote harmonie, die men niet straffeloos verbreekt, heeft hij altijd

de wetten verlangd of toegejuicht, die hen bestreden, die toch zijne

noodzakelijke helpers zijn bij den arbeid: de vogels, de insektenjagers.

En de insekten hebben weer de vogels gewroken. Toen moest de gebannene

haastig terug geroepen worden. Op het eiland Bourbon b.v. was er een

prijs gesteld op het hoofd van den ijsvogel; hij verdween; maar het

gevolg was, dat de sprinkhanen bezit namen van het eiland; wat zij

niet verslonden, werd een dorre verbrande woestenij. Zoo gebeurde het

in Noord-Amerika met de spreeuwen, de verdedigers van de maïs. En

de musschen zelfs, die over het graan heenvallen, maar nog meer het

verdedigen, de musschen, roovers en plunderaars zoo veel verwenscht en

vervloekt,—in Hongarije heeft men gezien, dat men zonder hen niet kon

bestaan, dat zij alléén den geweldigen krijg kunnen volhouden met de

meikevers, met de tallooze insekten, die heerschen op de lage gronden.

Men heeft de ban herroepen en die dappere „~landwehr~” in zijn eer

hersteld; want zijn zij al tuchteloos, zij zijn toch het heil van het

land.

De vogel · 第 6 / 12 段