sprak[1]. Het woord van het stervend genie, is de kreet van de geheele
natuur, die doorklinkt van wereld tot wereld. Wat deze machtige geest
zeide, hij een van Gods ouderen, dat roepen ook de laagststaanden in
het dierlijk leven. De weekdieren in de diepten der zee, kunnen niet
bestaan waar het licht niet doordringt. De bloem zoekt het licht, wendt
zich naar de zon en kwijnt in de schaduw. Onze kameraads, de dieren,
verheugen zich in het licht als wij, en missen het als het gaat. Mijn
kleinzoon, pas twee maanden oud, begint te schreien als de schemer valt!
[1] Ik ben bij dezen aanhef, dien ik niet wilde weglaten, verplicht,
het enthousiasme van den schrijver onder een domper te zetten. Het
onderzoek van later tijd leerde ons wat hem nog onbekend moest zijn:
1º. Goethe's laatste woorden hebben niet op het geestelijk licht
betrekking, maar op het daglicht. Zij volgen hier:
„Gleich darauf rief er Friedrichen zu: „„Mach doch den zweiten
Fensterladen in der Stube auch auf, damit mehr Licht hereinkomme.””
Dies sollen seine letzten Worte gewesen sein.” (Goethe im Gespräch).
2º. Weet men nu dat er zéér veel dieren zijn, die wel in het donker
leven.
(~de Vertaalster~).
„Dezen zomer, wandelend in mijn tuin, zag en hoorde ik op een tak,
een vogel, die naar den ondergang der zon gewend, zijn lied zong.
Hij richtte zich naar het licht, en scheen in verrukking... En ik was
verrukt dat te zien; onze arme vogels, die zooveel missen, konden mij
nooit doen voelen, wat dit intelligent en machtig schepsel mij gaf, dat
zóó klein was en toch zoo hartstochtelijk bewogen... Ik trilde bij zijn
zang. Hij wierp het kopje naar achteren, de borst hoog en wijd; geen
dichter noch zanger was ooìt in een zoo naïeve extase.—Toch was het de
liefde niet, die tijd was voorbij; het was duidelijk de bekoring van het
licht, van den dag, van de heerlijke zon!
„Hoe barbaarsch toch de wetenschap, hoe steil onze trots, die de levende
Natuur zóó onze mindere rekent, en zóó den mensch afscheidt van zijne
nederiger broeders!
„En ik zeide met vochtige oogen: „Arm kind van het licht, die het laat
schitteren in uw zang; hebt ge zooveel reden tot zingen? De nacht, voor
u vol hinderlagen en gevaar, gelijkt haast den dood. Zult ge morgen
misschien het licht wel terugzien?” En zijn lot overdenkend, zag mijn
geest het leven van al die wezens, die van uit de diepten der schepping
zoo langzaam tot het licht komen. En ik zeide als Goethe en die kleine
vogel: „Licht, Heer! meer licht!”” (MICHELET, „le Peuple” 1846).
De wereld der visschen, is de wereld van het zwijgen. Men is gewoon te
zeggen: „stom als een visch.” De wereld der insekten is die van den
nacht, zij zijn alle lichtschuw. Zelfs zij die als de bij, bij daglicht
werken, verkiezen toch de duisternis.
De wereld der vogels is de wereld van het Licht, van den zang. Allen
leven van de zon, doordringen zich met zonnelicht, het licht inspireert
hen. De vogels van het Zuiden weerspiegelen het licht in hun veeren; die
van ons klimaat geven het in hun zang, en velen volgen het licht van
land tot land. „Ziet,” zegt Saint John, „hoe zij des morgens de opgaande
zon begroeten, en hoe getrouw zij des avonds zich vereenigen om haar te
zien ondergaan van onze Schotsche kusten. En de auerhaan verheft zich om
haar langer te kunnen zien en balanceert zich op den hoogsten tak van
den hoogsten den.”
[Illustratie]
Licht, liefde en zang zijn voor hen één. Wil men den gevangen nachtegaal
hooren zingen, buiten den tijd van zijn liefdezang, dan bedekt men
zijn kooi, en daarna, plotseling, geeft men hem het licht terug; hij
herkrijgt dan zijn stem. De rampzalige vink, door barbaren blind
gemaakt, zingt met een ziekelijke en wanhopige opwinding, als schiep
hij zich met zijn stem een licht van harmonie; zijn zon is het inwendig
vuur. Ik mag gaarne gelooven, dat dit de hoofdreden is, waarom de vogels
zingen in de sombere klimaten, waar het licht verschijnt in plotseling
doorbreken, met tintelend leven. Vergeleken met de lichte landen, waar
de zon nooit verduistert, zijn onze streken, met hun door nevels en
wolken omsluierd licht, dat plotseling schitterend doorbreekt, als de
gedekte en afgedekte kooi van den nachtegaal. Het roept den zang te
voorschijn en de harmonie, die hun licht is.
[Illustratie]
En ook de vlucht van den vogel hangt af van het licht; zoowel van het
oog als van den vleugel. Bij de soorten met een fijn en doordringend
gezicht begaafd, als de valk, die van hemelhoog het roodborstje in de
struiken ziet; als de zwaluw, die een vliegje ziet op duizend voet
afstand, is de vlucht vast, stout, bekoorlijk om te zien, door haar
onfeilbare zekerheid. Anderen, men ziet het aan hun bewegingen, zijn
bijzienden, die voorzichtig zijn, tasten, vreezen zich te stooten.
Het oog en de vleugel, de vlucht en het gezicht, tot zulk een graad
volkomen, dat zij vermogen met één blik eindelooze verten te omvatten,
immense landen, ja, koninkrijken; en niet ze te omtrekken als een
landkaart, maar te zien in hun geheele verscheidenheid van détails; ze
waar te nemen, te bezitten, bijna God gelijk! O welk een bron van genot!
vreemd en mysterieus geluk, den mensch bijna onbegrijpelijk!.. En weet
ook, dat dit zien zóó scherp en levendig is, dat het zich vastprent in
het geheugen, zóózeer, dat zelfs een duif—die toch tot de lager staande
dieren behoort—herkent en terugvindt alle bizonderheden van een éénmaal
afgelegden weg. Wie spreekt nu nog van den wijzen ooievaar, de slimme
raaf, de verstandige zwaluw!
Erkennen wij die meerderheid! Laat ons de vreugde der visie zonder
afgunst aanzien; misschien gewordt zij ook ons, in een beter bestaan.
Het geluk van zoo veel, zoo ver, zoo goed te zien, de oneindigheid
te doordringen met blik en wiek, bijna even snel, wanneer krijgt men
die?—In het leven, dat ons verwijderd ideaal is. ~Het leven in het
volle licht en zonder schaduw.~
Het bestaan der vogels is er reeds een voorproef van. En voor hen zou
het een goddelijke bron van kennis kunnen zijn, als zij in hun sublieme
vrijheid niet de twee fataliteiten te dragen hadden, die het leven op
onze aarde in een staat van barbaarschheid houden, en de vlucht naar
hooger belemmeren.
[Illustratie]
De fataliteit van het lijf, die ons allen gekluisterd houdt, maar
die vooral de vijand is van die levende vlam, van dat verterend vuur,
den vogel; die van hem vordert, onafgebroken te zoeken, te zwerven,
te vergeten, hem onherroepelijk veroordeelt, tot de onvruchtbare
beweeglijkheid van te wisselende indrukken. De tweede fataliteit is de
nacht, de slaap, de uren van duisternis en gevaar, als zijn vleugels
verlamd zijn, en weerloos overgeleverd, hij het vermogen te vliegen
verloren heeft, en zijn kracht en zijn licht. ~Licht~ wil zeggen,
veiligheid voor alle leven.
~Licht~ waarborgt leven voor mensch en dier; het is de geruststellende,
vredige, sereene glimlach van de Natuur, hare openheid. Zij maakt een
einde aan de sombere angsten, die met de duisternis mee komen, aan
vrees, maar al te gegrond, en ook aan de niet minder wreede kwellingen
van de droomen, aan de troebele gedachten, die de ziel verwarren en
verbijsteren.
In de zekerheid, die hij op den duur verkreeg door het maatschappelijk
leven, is de mensch nauwelijks meer in staat de angsten en gevaren door
te voelen van een leven in de wildernis, op de uren, waarin de Natuur
zoo weinig verweer meer overlaat; waar haar wreede onpartijdigheid den
weg baant voor den dood, die zoo wettig is als het leven. Zij zegt den
vogel, dat ook de uil moet leven. Zij antwoordt den mensch: „Ik moet
mijn leeuwen voeden...”
Leest in de reisbeschrijvingen, de angsten van de rampzalig verdwaalden
in de Afrikaansche wildernissen; van den ongelukkigen slaaf, die de
menschelijke barbaarschheid ontvlucht, om een barbaarsche Natuur te
ontmoeten. Welk een doodsangst, als na zonsondergang de sinistere
voorloopers van den leeuw gaan rondsluipen, de wolven en jakhalzen, die
hem op een afstand vergezellen, hem voorafgaan al speurend, hem volgen
als zijn lijkbidders. Zij mauwen u toe met hun gejank: „Morgen zal men
uw beenderen zoeken.” O ontzetting! Dáár is hij vlak bij u... hij ziet
u... kijkt, brult dof en diep, uit den afgrond van zijn metalen keel;
hij keurt zijn levende prooi, wil haar, eischt haar voor zich! Het paard
verdraagt dat niet! Het siddert en rilt onder het koude zweet—het
steigert... De man, gebukt tusschen twee vuren, als hij nog kans ziet
die te ontsteken, behoudt nauwelijks genoeg kracht om dat licht-bolwerk,
zijn éénige kans op redding te onderhouden.
Maar even schrikkelijk is de nacht voor de vogels van ons klimaat, al
schijnt dat minder gevaarlijk. Welke monsters verbergt hij, wat een
afschuwelijke kansen voor hen in zijn duisternis! En al de vijanden
hebben dìt gemeen, dat zij komen zonder geluid; de uil vliegt zoo stil,
of hij met watten gevoerd is. De lange wezel dringt in het nest, zonder
één blad te beroeren; de felle steenmarter, door het warme bloed
geprikkeld, is zóó vlug dat hij in één oogenblik een heele familie
vermoordt en uitzuigt. Het schijnt, dat de vogel, wanneer hij jongen
heeft, begaafd is met het tweede gezicht waar het deze gevaren betreft.
Hij heeft een kroost te beschermen, dat nog zwakker, nog weerloozer is
dan dat van de viervoeters, wier jongen bij hun geboorte al loopen
kunnen. Maar welk eene bescherming! Hij kan niet veel anders doen
dan blijven en sterven; hij vliegt niet weg, de liefde verlamde zijn
vleugels. Den geheelen nacht wordt de ingang van het nest bewaakt door
den vader, die niet slaapt en niet waakt, uitgeput is van vermoeienis,
en het gevaar alléén zijn zwak bekje kan bieden en zijn wankelend kopje.
Wat moet het, als hij den gruwelijken muil zal zien van de slang, het
vreeselijk oog van den nachtvogel, onnatuurlijk vergroot?
[Illustratie]
Hij vreest voor de zijnen, niet voor zich alléén. In den ongepaarden
tijd spaart de natuur hem de kwellingen van het vooruitzien. Hij is
niet bang, maar treurig en somber; hij zwijgt, hij maakt zich klein, en
steekt het kopje in de vleugels; zijn hals verdwijnt zelfs tusschen de
veeren. Deze houding van berusting en vertrouwen neemt hij iederen avond
aan, te midden van gevaren en onbeschermd; het was zijn houding in het
ei; die rustige moederlijke gevangenis, waar hij volkomen veilig was.
Somber is voor alle wezens de avond, zelfs voor hen, die beschermd zijn.
De Hollandsche schilders hebben het naïef gevoeld en uitgedrukt voor het
vee in de weide. Het paard sluit zich dicht aan zijn makker, rust zijn
hoofd tegen hem aan. De koe komt voor het hek met haar kalfje, wil terug
naar stal. Want die hebben een stal, een verblijf, een plaats waar zij
veilig zijn voor de nachtelijke lagen. De vogel heeft voor dak een blad,
meer niet.
Maar welk een jubel dan in den morgen, als de verschrikkingen verdwijnen
met het donker; als alle boschjes, alle struiken verlicht worden! Welk
een gekweel en druk gebabbel bij de nesten! Het is als een wederzijdsch
gelukwenschen, dat men elkaar terug ziet, dat men nog leeft. En dan komt
het zingen! De leeuwerik stijgt kweelend op uit de vore en draagt den
jubel der aarde mee ten hemel.
Zoo de vogel, zoo de mensch. Het is zoo over de geheele wereld. De oude
Indische Veda's zijn in iederen regel een hymne aan het licht, den
levensbehouder van het leven; aan de zon, die iederen nieuwen dag de
aarde openbaart en doet herboren worden en behoudt. Wij herleven, wij
ademen, wij doen de rondte in onze woning, wij hervinden het gezin, wij
tellen onze kudden. Er is niets dood, het leven is gebleven. De tijger
is ons niet overvallen; de horden der roofdieren zijn niet over ons
losgebroken. De zwarte slang heeft geen misbruik gemaakt van onzen
slaap. Gezegend zijt gij, o zon, dat gij ons weder een dag geeft!
Alle dieren, zoo zeggen de Indiërs en vooral het wijste dier: de
olifant, begroeten de zon en danken haar in den morgenstond; in
zichzelf zingen zij haar een hymne van erkentelijkheid. Maar één enkele
spreekt het uit, zegt het voor allen, zingt het. Wie? Een der zwakken;
hij die het meest den nacht vreest, en de grootste vreugde voelt in den
ochtend; hij die leeft van het licht, wiens fijne gezichtswerktuigen,
oneindig gevoelig, vèrziend en doordringend, alle détails waarnemen; hij
die het nauwst verbonden is aan de lichtwisselingen, het gaan en komen
van den dag.
De vogels zingen de morgenhymne, en spreken den zegen over den dag, voor
de geheele natuur. Zij zijn priesters en auguren van het licht, en ook
zijn schuldeloos goddelijke stem.
[Illustratie]
[Illustratie: STORM EN WINTER.
DE TREK.]
[Illustratie]
STORM EN WINTER.
~DE TREK.~
Een van natuur's vertrouwden, een heilige ziel, eenvoudig en diep,
~Virgilius~, zag de vogels, zooals de oude Italiaansche wijsheid hen
zag, als waarzeggers en profeten van de atmosferische wisselingen:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
„Noit leedt een landman, die bytyts paste om te kycken,
By regen lantschade, of de wackre kraenevlught
Streeck, eer de regen quam gevallen uit de lucht
In een gezoncken dal uit 's hemels hooge streecken;
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De zwaluw snaterbeckte en vloogh rondom het meer.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
De raven, keerende uit de weiden langs de dorpen,
Aen 't klappen slagh op slagh de pennen tegens een.
Al 't zeegevogelte, en wat, om de weiden heen
Van Asiën en in Kaïstus koele plassen,
Zyn aes zoeckt, valt alreede aen 't plassen en aen 't wassen,
Besprengt zyn pluim, waerop geen water vat, om stryt,
Of loopt naer d'oevers toe zich dompelen; dan kryt
En schreeuwt d'ontruste kraey luidtkeels om regenvlaegen
En springt op 't drooge zant in eenzaamheit. . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Gy kunt, eer u de lucht het schoone weder geef
En heldren zonneschyn niet min dit zien en stercken
By regenachtigh weêr, uit zek're en wisse mercken:
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
D'Ysvogel, die op zee, zyn element moet leven,
Zal zich op 't zandigh strant met uitgespreide schacht
Dan baekren in de zon, die heet is in haer kracht
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . de nachtuil zonder bedt
Die op het ondergaen des zonnewagens let,
Zal dan vergeefs, bij nacht, op 't dack nog spade klaegen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . De raven schreeuwen boven
Tot drywerf uit haer nest met een benaude keel.
Zy ruisschen reis op reis, beholpen al geheel
Met onderling vermaeck, en boven haer gewente
Om hoogh op 't hooge nest, in loof van tack of ente:
En 't lust haer, alzoo dra de lucht den regen staeck,
Te vinden 't kleen gebroet en broeinest haer vermaeck.”
(VONDEL: Virgilius „Lantgedichten”).
In hooge mate elektrisch-gevoelig, staan de vogels meer dan eenig ander
wezen in verbinding met tal van meteorologische verschijnselen van
warmte en magnetisme, die voor onze zintuigen niet zijn waar te nemen.
Zij voelen die bij hun ontstaan, bij hun eerst beginnen, voor zij zich
ons nog openbaren. Het is een soort van physiek tweede gezicht. Is het
dan niet natuurlijk, dat de mensch, minder fijn waarnemer, die pas na
het gebeurde voelt, deze aankondigers raadpleegt? Zoo handelden in de
oudheid de auguren; die zoogenaamde dwaasheid van de ouden, was diepe
wijsheid.
In 't bijzonder zou de meteorologie er veel nut van kunnen hebben; zij
had dan zekerder middelen. Maar ook zij heeft reeds een gids gevonden
in het voorspellen der vogels. En had Napoleon in 1811 maar rekening
gehouden met den onnatuurlijken vroegen trek uit het Noorden! Ooievaars
en kraanvogels hadden hem wel ingelicht! Aan hun buitengewoon vroeg
trekken, had hij dan geweten, hoe een lange en vreeselijke winter stond
te komen. Zij repten zich naar het Zuiden—en hij bleef te Moscou.
De vermoeide vogel, die midden op den Oceaan, tegen den nacht
neerstrijkt, op den mast van een schip, wordt door dat bewegelijk
rustpunt ver uit zijn koers gebracht; toch vindt hij die gemakkelijk
terug. Hij staat in zulk een volkomen betrekking tot de aarde, en is zoo
juist georiënteerd, dat hij den volgenden morgen zonder aarzelen zijn
weg neemt. Een kort oogenblik van beraad met zichzelf, is voldoende.
Hij kiest boven dezen immensen afgrond, die grenzenlooze eenzaamheid,
waarop de vore van het schip één enkel spoor trekt, de juiste lijn,
die hij moet volgen voor zijn doel. Het is daar niet als op het land;
geen enkel herkenningsteeken, geen merk, geen leiddraad. Alleen de
luchtstroomingen, in verband misschien met die van het water, mogelijk
ook onzichtbare magnetische stroomingen, zijn de loodsen van dien
kloeken reiziger.
[Illustratie]
Wonderbaar weten! Niet alleen wéét de zwaluw, dat de insecten, die
hem hier ontbreken hem elders wachten, en hij zoekt ze, trekkende
volgens de lengtegraden; maar op dezelfde breedte in hetzelfde klimaat
weet de wielewaal van de Vereenigde Staten, dat de kersen rijp zijn
in Frankrijk, en hij vertrekt zonder aarzelen, om onze vruchten te
oogsten. Zij vergissen zich, die meenen, dat deze trek in zijn seizoen,
op onbepaalde tijden, plaats heeft, zonder keus van den dag. Wij hebben
het tegendeel kunnen waarnemen, en het zeer scherpzinnige, nauwkeurige
vooruit bepalen, dat vooraf gaat: geen uur vroeger of later. Dat
gebeurde, toen wij te Nantes waren, in October 1851; het seizoen was nog
heel mooi, en insecten waren er voor de zwaluwen nog in overvloed; toen
hadden wij de gelukkige kans, die wijze republiek in een buitengewoon
talrijke en zeer levendige vergadering, te zien bijeenkomen. De
conferentie werd gehouden op het dak van een kerk, de Sint Félix, die de
Erdre beheerscht, en van ter zijde de Loire. Waarom juist deze dag en
dit uur? Wij wisten het niet, maar wij zouden het al spoedig begrijpen.
's Morgens was de lucht helder, maar er woei een wind uit de Vendée.
Mijn dennen steunden, en uit den ceder kwam een lage diepe toon. De
vruchten bezaaiden den grond; wij gingen ze rapen. Gaandeweg betrok de
lucht tot een zwart grijs, de wind ging liggen; alles was somber. Toen,
het was tegen vier uur—kwamen op dat zelfde moment en van alle kanten,
uit het bosch, over de Erdre, van de Loire, van de stad, van de Sèvre,
onafzienbare legioenen bewoners aanvliegen, genoeg om den dag te
verduisteren. Zij streken neer op de kerk, in dichte massa, duizend
stemmen, duizend kreten, en twist en woordenstrijd. Zonder die taal
te kennen, begrepen wij heel goed, dat er oneenigheid was. Misschien
hadden de jongen, terug gehouden door den lauwen adem van dezen herfst,
nog willen blijven. Maar de wijzen, zij, die ondervinding hadden, de
beproefde reizigers, stonden op trekken. Zij wonnen het pleit; de zwarte
massa, zich plotseling uitspreidend als een machtige wolk, nam de vlucht
naar het Zuid-Oosten, waarschijnlijk naar Italië. Zij waren nog geen
driehonderd mijlen ver (ongeveer vijf uur vliegens), of alle sluizen des
hemels openden zich, om de aarde te overstroomen. Een oogenblik dachten
wij aan een zondvloed. En terug in ons huis, dat schudde onder de woeste
windstooten, bewonderden wij de wijsheid van die gewiekte zieners, die
zoo voorzichtig het tijdstip van hun jaarlijkschen trek hadden
teruggezet.
Het kon toch niet de honger zijn, die hen verdreven had.
Te midden van een nog mooie en rijke natuur, hadden zij het juiste
oogenblik gevoeld, gegrepen, zonder het toch te vroeg te nemen. Den
volgenden dag ware te laat geweest. Alle insekten, neergeslagen door
die geweldige regens zouden zijn verdwenen, niet meer te vinden; wat
den storm overleefd had, zou in den grond zijn gevlucht.
Ook is het niet alléén de honger, het verschiet van hongerlijden, dat de
trekvogels tot trekken beweegt. Zouden ook al de insekteneters gedwongen
zijn te vertrekken, de vogels, die van bessen leven, hadden kunnen
blijven. Wat drijft hen? Is het de koude? De meesten konden die
verdragen. Bij deze bijzondere redenen moet nog een andere gevoegd
worden, een meer algemeene, hoogere; het is de behoefte aan _licht_.
Zooals de plant onvermijdelijk licht zoekt en zon, zooals het weekdier
(wij zeiden het reeds) naar hooger zoekt en bij voorkeur in de lichtere
waterlagen leeft, zoo lijdt ook de vogel met zijn zeer gevoelig oog
onder de korte dagen, onder de herfstnevels. Deze vermindering van
licht, die ons uit moreele redenen soms aangenaam is, is voor hem
somberheid en dood.... Licht, licht, meer licht!... liever sterven, dan
geen licht meer zien! Dat is de ware zin van den laatsten herfstzang,
van den laatsten kreet als zij gaan trekken in October. Ik hoorde het in
hun afscheid.
[Illustratie]
En wel een kloek en stoutmoedig besluit, als men denkt aan den
eindeloozen weg, dien zij moeten afleggen, tweemaal in een jaar, over
bergen, zeeën en woestijnen, door geheel verschillende klimaten, met
veranderlijke winden, onder dreigende gevaren en tragische avonturen.
Voor geharde vlotte zeilers, voor de gierzwaluw, voor de lichte en
levendige zwaluw, die het uithoudt tegen den valk, is het misschien eene
gemakkelijke onderneming. Maar de andere soorten hebben niet die kracht,
niet die vleugels; zij zijn verzwaard door overvloedig voedsel, zij
leefden het verterend bestaan van liefde en moederschap; het wijfje
heeft het groote natuurwerk verricht: gebouwd, gebaard, opgevoed; en
hij, de man, hoe heeft hij niet al zijne kracht verzongen! Dit paar
heeft een leven verbruikt: „een kracht ging van hen uit;” jaren scheiden
hen reeds van de levenskracht hunner jeugd. Velen zouden kunnen blijven,
maar het drijft hen voort. De zwaarsten zijn de vurigsten. De Fransche
kwartel zal de Middellandsche Zee oversteken, over den Atlas trekken,
over de Sahara heen, verdwijnt zij in de negerlanden; ook die verlaat
zij weer, en wanneer zij eindelijk blijft aan de Kaap, dan is het omdat
daar de oneindige Oceaan begint, die haar niets aan te bieden heeft dan
het poolijs en denzelfden winter, die haar uit Europa verdreef.
Wat is hun zekerheid bij zulk eene onderneming? Sommigen vertrouwen op
hunne wapenen, de zwaksten op hun aantal, en zij geven zich over aan hun
lot! De tortelduif zegt: „op de tienduizend of honderdduizend, neemt de
roover er misschien tien, en ik zal daar niet bij zijn.” Zij wacht haar
tijd af; de vliegende wolk zweeft voorbij in den nacht; als de maan op
is, zullen de witte vleugels niet sterk uitkomen tegen het witte licht,
en zoo ontkomen zij, samensmeltend met den bleeken schijn. Ook de
dappere leeuwerik, de nationale vogel van het oude Gallië, de vogel van
de onverwinbare hoop, vertrouwt op het aantal; hij trekt bij dag, of
liever zwerft van provincie tot provincie; vervolgd en steeds in aantal
gedund, zingt hij niettemin zijn lied.
Maar waar geen aantal is en geen kracht,—wat doet de eenzame? Wat
moet gij doen, arme geïsoleerde nachtegaal, die als de anderen, maar
niet in gemeenschap, en zonder steun, de groote reis moet afleggen?
Ach, wat zijt gij, mijn vriendje? Een stem, meer niet. Uw eenige sterkte
zou u verraden. In uw donker pakje moet ge stom trekken, één met de
verkleurde tinten van den herfst. Maar tóch—het blad is nog purper, het
is nog niet het doffe doode bruin van het late seizoen. Waarom blijft
gij toch niet? Waarom volgt gij niet liever die anderen die in hun
beschroomdheid, niet verder gaan dan Provence? Daar, tusschen de rotsen,
ik verzeker het u, daar zoudt gij den winter van Afrika of Azië kunnen
vinden. De kloof van Ollioules is zoo goed als de Syrische valleien.
„Neen, ik moet trekken. Anderen kunnen blijven; hun zegt het Oosten
niets. Mij roept mijn vroeger land; ik moet dien schitterenden hemel
terug zien, de lichte ruïnes zoo weelderig begroeid, waar mijn geslacht
heeft gezongen; ik moet mijn eerste liefde terug vinden, de roos van
Azië, ik moet mij baden in zonnelicht.... Dáár is het levensmysterie,
dáár de levenwekkende vlam, die ook mijn zang weer zal wekken; mijn
stem, mijne muze, is het licht!”
En hij gaat; maar ik vrees dat hem het hartje kloppen zal als hij
de Alpen nabij komt, als die witte toppen hem het gevreesde land
aankondigen, waar zij hem wachten op hun rotsen, de wreede roovers
van dag en nacht, gieren en arenden, al die krombekkige, geklauwde
moordenaars dorstend naar warm bloed; de vermaledijde rassen, dwaselijk
door den mensch bezongen; de eene helft, ~nobele~ roovers, die snel
dooden en uitzuigen, de andere de ~ignobele~, die verstikken en
vernielen; alle vormen van moord en dood.
[Illustratie]