levende natuur belachelijk gemaakt. De Perzen en de Romeinen in Egypte,
onze Europeanen in Indië, de Franschen in Algerië, hebben dikwijls die
onschuldige broeders van den mensch, de voorwerpen van aloude vereering
mishandeld en gedood! Een Cambyses doodde de heilige koe, een Romein de
ibis of de kat, die zooveel ongedierte opruimen. En wat is deze koe? Het
symbool der vruchtbaarheid van die streek! En de ibis? De gezondheid!
Roei die dieren uit en het land wordt onbewoonbaar. Datgene, wat ondanks
alle rampen Egypte en Hindostan in hunne vruchtbaarheid heeft behouden,
is noch de Nijl, noch de Ganges; het is, dat de dieren er ontzien
worden, het is de zachtmoedigheid van den mensch.
Het woord, dat de priester van Saïs tot Herodotus sprak heeft een diepen
zin: „Gij zult altijd kinderen blijven!”
En dat zullen wij ook, wij Westerlingen, met ons kunstig en subtiel
redeneeren; dat zullen wij, zoolang wij niet eenvoudiger, zuiverder en
dieper gaan zien in het wezen der dingen. Een kind zijn, dat is het
Leven zien bij gedeelten. Mensch zijn, het voelen als een harmonische
eenheid. Het kind speelt, breekt en verwerpt; zijn pleizier is
vernielen. Dat is ook de kinderlijke wetenschap; zij moet dooden om te
kunnen leeren; het eenige gebruik, dat zij weet te maken van een levend
wonder, is het eerst te ontleden.
Geen van ons, wetenschapsmannen, is doordrongen van dien heiligen
eerbied voor het Leven, die de natuur weet te beloonen door ons hare
mysteriën te openbaren.
Gaat in, in die katakomben, waar, zooals het klinkt in onze hoogmoedige
taal, „de gedenkteekenen slapen van een tijd van barbaarsch bijgeloof.”
Bezoek de Indische en Egyptische verzamelingen: bij iederen stap vindt
ge de naïeve en toch diepe intuïtie van de mysteriën van Leven en Dood.
Laat u niet misleiden door den vorm, beschouw die dingen niet als een
gebouw, met kunst opgetrokken door de hand der priesters. Onder dat
grillig complex, onder het drukkend heerschen van het priesterdom, zie
ik in die dingen het werken van twee faktoren, die het alles doordringen
met een roerende teederheid:
~Het pogen, de zielen der geliefden te redden van de schipbreuk des
doods.~
~Het innig samenleven van den mensch met de natuur.~ Het vrome voelen
voor het sprakelooze dier, der goden dienaar, en de beschermer van het
leven der menschen.
Het intuïtief gevoelen der Ouden, zeide hun wat in onzen tijd de slotsom
is van waarneming en wetenschap; dat de vogels de agenten zijn der
eeuwige hernieuwing op aarde, die het proces der stofwisseling
bespoedigen.
Vooral in de zengende zônen, waar alle stilstand verderf zou brengen,
is de vogel, zooals Egypte het noemt: het heilbrengende vaartuig dat de
doode hulsels opneemt, en ze heenvoert, daar waar het Leven is, in de
wereld der reine dingen.
En de dankbare en vrome ziel der Egyptenaren heeft die weldaden
gevoeld, en zij wenscht geen gelukssfeer, waar haar weldoeners zouden
worden uitgesloten. Zij wil geen redding voor zich alléén. Zij verbindt
de dieren aan haar eigen onsterfelijkheid. Zij wil, dat de heilige vogel
haar vergezelt in het duistere rijk, als droeg hij haar op zijn wieken.
[Illustratie]
[Illustratie: ~DE DOOD.~
DE ROOFVOGELS.]
[Illustratie]
~DE DOOD.~
~DE ROOFVOGELS.~
Mijn somberste oogenblik, in de tijden, toen ik voor mijne gedachten
het alibi van de Natuur zocht, was, toen ik voor het eerst den kop van
den adder ontmoette. Het gebeurde in een zeer belangrijk Museum van
anatomische nabootsingen. Deze kop, verwonderlijk juist gereproduceerd
en zéér vergroot, zoodat hij aan den kop van een tijger of jaguar
herinnerde, deed in zijn afschuwelijk voorkomen aan iets nog
afschuwelijkers denken; want nu zag men in afgrijselijke naaktheid,
met hoe oneindig veel voorzorgen, met welk een wreed doorzicht, deze
geweldige moordmachine gewapend werd. Niet alléén, dat de tanden, groot
in aantal, en vlijmend gescherpt zijn; dat zij in hun werk worden
bijgestaan door een vernuftige reserve van vergif, dat op de plaats
doodt; maar bovendien hebben zij voor hunne bijzondere fijnheid,
waardoor zij zeer licht breken, eene vergoeding, die misschien geen
ander dier heeft; die vergoeding is een magazijn van wisseltanden,
wanneer er één met het bijten mocht afbreken. O, wat een zorgen om te
dooden! Wat een maatregelen, dat het slachtoffer niet zal ontsnappen.
Welk een liefde voor dit afgrijselijk schepsel!... Het ergerde mij en ik
leed. Mijne eeuwige Moeder, de Natuur, bij wie ik troost kwam zoeken,
had mij afgeschrikt met de wreede onpartijdigheid van haar Moederschap.
Ik ging somber heen, en de nevelen om mijn ziel waren dichter, dan die
van dien duisterste der winterdagen. Ik was gekomen als zoon, ik ging
heen als wees, en mijn vertrouwen in een Voorzienigheid voelde ik
wegzinken.
Niet minder pijnlijk zijn onze gewaarwordingen, wanneer wij in de
dierentuinen, die oneindige reeksen van roofvogels zien, roovers bij
dag en bij nacht; vogels, maar gruwelijk van voorkomen; spookachtige
verschijningen, eene verschrikking voor den dag zelf. Smartelijk treft
ons de aanblik van hun wreede wapenen; nog niet eens die geweldige
snavel, want die kan den dood geven met één enkelen slag; maar die
pooten, die scherpe klauwen, die martelwerktuigen, die de sidderende
prooi vastklemmen, en het lijden van den vreeselijken doodsstrijd
rekken.
[Illustratie]
O, onze aardbol is nog een barbaarsche wereld; jong nog, en in een
toestand van ontwerp en proefneming; nog onderworpen aan een wreede
slavernij: duisternis, honger, dood, angst. Den dood zou men kunnen
aannemen als een doortocht, eene inleiding, een toegang tot betere
werelden. Maar het lijden! helaas! was het dan nuttig voor ons, dat dàt
ons werd bestemd? Ik voel het lijden, ik zie het, ik hoor het, in alles
en óveral. Om het niet te hooren, dat de draad van mijne gedachten niet
breken zou, moet ik mijne ooren dicht houden, want het zou mijne energie
dooden, mijn zenuwleven ondermijnen; inspanning zou mij onmogelijk
worden, ik zou niet meer voort kunnen, en mijn leven en arbeid zouden
onvruchtbaar blijven onder den druk van het medelijden.
En toch—is niet het lijden een waarschuwing, een prikkel om zich
gereed te houden en te voorzien, om met alle middelen den ondergang te
voorkomen? In de school van het lijden worden wij wakker geschud; het is
de opwekking tot voorzichtigheid voor al wat leeft, tot een machtig zich
verzamelen en beheerschen van de ziel, dat zij zich gespannen houdt;
want zij zou zich laten gaan op hare natuur, zich laten verweekelijken
door geluk en de zachte aandoeningen, die verzwakken.
„Zou men niet kunnen zeggen, dat het geluk een centrifugale werking
heeft, een aantrekking die ons zieleleven los maakt en doet uitvloeien
naar buiten; het verstrooit en ontbindt, en ons eindelijk, lieten wij
er ons op gaan, tot de elementen zou doen wederkeeren. Maar het lijden
trekt ons samen, scherpt onze aandacht op één punt, concentreert alle
aandoeningen, onderhoudt het wezen, sterkt en verzekert het.
„Het lijden is als de aartskunstenaar, die ons maakt, ons vormt en ons
uitbeeldt zonder mededoogen, met de fijne punt van zijn scherpen beitel,
die het te wild uitgroeiende leven afsnijdt. En wat overblijft, fijner
en tóch sterker, wint door het verlies zelf de gave van een rijker
leven.”
Deze berustende gedachten werden mij bijgebracht door eene schrandere
vrouw, eene die ook het lijden kende, en die—vóór ik zelf het
deed—mijne verwarring en twijfel voelde. „Zoo de mensch, zoo de
wereld,” zeide zij nog. De aarde zelf werd door lijden volmaakt. De
natuur heeft haar bewerkt door de geweldige daden van hare dienaren des
doods. Hunne verdwenen en uitstervende soorten, zijn de herinneringen en
de getuigen van den vorigen toestand van den aardbol, toen het lagere
leven krioelde, en de Natuur ~moest~ ingrijpen om die overstelpende
vruchtbaarheid te besnoeien. Wij zien in gedachten de reeks van de
opeenvolgende noodzakelijke vernietigingen, die de aarde toen had te
ondergaan.
De dampkring, voor de ademhaling onbruikbaar, moest gezuiverd worden
door de plantenwereld. Maar die planten groeiden aan in verstikkende
dichtheid, zij dekten de aarde als met een vacht; toen kwamen de
wegvretende insekten als redders, later weer tot een plaag geworden.
Van die insekten en kruipende dieren zuiverde haar het giftig reptiel;
en eindelijk toen het hoogere leven, het gevleugelde leven zijn vlucht
nam, werd het in den overdadigen groei van zijn jonge vruchtbaarheid een
schot gezet door de vernietigende legioenen van de machtige roovers,
arend, valk of gier.
[Illustratie]
Maar deze nuttige vernielers verminderen gaandeweg, nu zij niet meer
zoo noodig zijn. De groote massa van kleine kruipende dieren, in
hoofdzaak de slachtoffers van de tanden der adders, heeft al veel van
zijn dichtheid verloren, en ook de adder wordt zeldzaam. En daar ook de
wereld van gevleugeld wild sterk gedund is, òf door den vernielenden
mensch, òf door het verdwijnen van sommige insekten, waarvan de kleine
vogels leefden, verminderen weêr de vreeselijke lucht-tyrannen. De arend
wordt zeldzaam, zelfs in de Alpen, en de onzinnig hooge prijzen, waarmee
tegenwoordig de valk betaald wordt, schijnen er op te wijzen, dat die
eerste, edelste van de roofvogels bijna is uitgestorven.
Zoo neigt dus de Natuur naar minder geweld. Zegt men daarmede dat de
dood ooit verminderen kan? Niet de dood, maar het lijden.
En de wereld komt langzamerhand onder de éénige Macht, die de
noodwendige verhouding weet van Leven en Dood; die den dood kon regelen
zóó, dat het evenwicht tusschen de levende soorten behouden wordt; ze
begunstigen kan al naar hun nut of onschadelijkheid, en die den dood
kon vereenvoudigen, verzachten, en—het woord zij mij toegestaan—kan
moraliseeren, door haar snel en pijnloos te maken. Ook verzetten wij ons
niet in ernst tegen den dood. Hij is toch maar het masker van de groote
levenstransformaties. Maar ernstig verwerpen wij de gruwelijke wreedheid
van het lijden; en dit nu zal in den loop der tijden van de aarde
verdwijnen. De handlangers van het lijden, de gruwelijke beulen van het
Leven, die het onder martelingen vernielen, worden al zeldzamer hier op
aarde. In waarheid, als ik in het Museum die naargeestige verzameling
van nacht- en dag-roofvogels zie, dan betreur ik niet sterk den
ondergang van díe soorten. Want, al geeft het beschouwen van al die
gevleugelde roovers een zekere voldoening aan den geweldenaar in ons,
om onze bewondering voor kracht, tòch spreekt duidelijk uit dat somber
masker hun lage aard. Geweldig bevoorrecht in hun vleugels, en den
krachtigen gekromden snavel, levert hun jammerlijk gedrukten schedel het
bewijs, dat er voor hen niet de minste noodzaak is, eenig intellekt te
gebruiken. Hun samenstel, dat hen de vlugsten van de vluggen maakt, de
sterksten der sterken, heeft hen ontheven van veel behendigheid, list
en taktiek. Men is geneigd hun moed toe te kennen; maar wáár hebben ze
gelegenheid dien te toonen, tegenover altijd mindere vijanden. Vijanden?
Neen, slachtoffers. Als het ruwe jaargetijde, de honger, de kleine
vogels tot trekken noopt, dan vliegen zij in massa dien dommen tyrannen
in den bek, die onnoozelen; toch verre de meerderen, in vele opzichten,
van hun moordenaars. Die kunstenaars onder de vogels, de zangers, de
behendige nestbouwers, door kou en honger worden zij overgeleverd aan
de gemeene roovers; aan den arend, aan den buizerd, wordt een maaltijd
voorgezet van nachtegalen.
[Illustratie]
De afplatting van den schedel is het minderwaardigheidsteeken van die
moordenaars. Ik vind het in de hoogst geroemden, de meest bewonderden,
zelfs in den edelen valk. Edel! zijn adel betwist ik hem te minder,
omdat hij in onderscheiding van den arend en de andere beulen, den
dood weet te geven met één slag, afkeerig zijn prooi te martelen. Deze
vraten, met hun gering hersenvolume, vormen een sterk contrast met
zooveel aardige in 't oog vallende, pittige vogels onder de mindere
soorten. De kop van de eersten is enkel snavel, maar de anderen hebben
een gezicht. Welk een vergelijking is er te maken tusschen deze grove
reuzen en het menschelijk intelligente vogeltje, het roodborstje, dat
op dit oogenblik om mij heen fladdert; dan op mijn schouder zit, dan
op het papier kijkt naar wat ik schrijf, zich warmt bij het vuur en
nieuwsgierig uit het venster ziet of de lente nog niet haast komt.
[Illustratie]
Moest ik kiezen uit de roofvogels, dan koos ik nog minstens even graag
den gier als den arend. Onder de vogels heb ik nog niets zoo grootsch,
zoo imposant en indrukwekkend gezien, als onze vijf Algerijnsche gieren
(in den ~Jardin des plantes~), naast elkaar gezeten als Turksche
pacha's, in hun sierlijken halskraag van het teerste witte dons, en
met den nobelen grijzen mantel. Een divan met ernstige ballingen, die
schijnen te peinzen over 's levens wisselingen, en over de politieke
feiten, die hen uit hun land hebben verjaagd.
Wat is het wezenlijk verschil tusschen den arend en den gier? De arend
is tuk op bloed en levend vleesch, maar eet ook wat dood is. De gier
doodt zelden, en dient het leven; want hij hergeeft het, en brengt in
den grooten kringloop terug, wat in ontbinding is, en zijn bederf op
andere stoffen zou overbrengen. De arend leeft bijna uitsluitend van
moord, en men kon hem den handlanger van den Dood noemen; de Gier
echter is de dienaar van het Leven.
[Illustratie]
De arend werd om zijn kracht en schoonheid een symbool voor meer dan
één krijgshaftig volk, dat als hij, leefde van doodslag. De Perzen, de
Romeinen namen dat symbool aan, en de grootsche gedachtenbeelden door
de macht en grootheid van die rijken opgewekt, vereenzelvigde men met
den arend. Ernstige mannen, een Aristoteles, namen het dwaze sprookje
over, dat hij in de zon zou kunnen zien, en dat hij om zijn jongen op
de proef te stellen hen in het zonlicht liet kijken. Eens op dien weg
der verdichting, was er geen houden meer aan bij de geleerden. Buffon
ging het verste: hij prijst den arend om zijn matigheid. Hij verslindt
niet iets geheel. Wat daar van waar is, is dit, dat wanneer de prooi
wat groot is, hij zich op de plaats verzadigt en niet veel meê thuis
brengt. Ook zegt hij, dat deze vorst van het luchtruim ~kleine dieren
versmaadt~. Maar waarneming bewees juist het tegendeel. De gewone
arend valt gaarne het vreesachtigste van alle wezens aan, de haas; de
steenarend maakt het liefst jacht op eenden. De kleine arend verkiest
veldmuizen, en met zulk een graagte, dat hij ze ineens opslokt zonder
één snavelstoot. De witstaart-arend schijnt zelfs zijn eigen jongen
te dooden, en dikwijls verdrijft hij ze, vóórdat zij zichzelf kunnen
voeden. In de buurt van Hâvre was ik eens in de gelegenheid achter de
waarheid te komen omtrent de nobele eigenschappen van den arend, en wat
er is van zijn matigheid. Een arend, die op zee was gevangen, maar in
al te goede handen was gekomen, nl. ten huize van een slager, had zich
zoo gemakkelijk geschikt in het geval dat het vleesch hem gewerd zonder
strijd, dat hij niets schijnt te betreuren. Arend-Falstaff, doet hij
zich te goed, en denkt niet meer aan vechten en jagen, en aan het
oneindig luchtruim. Ziet hij niet meer in de zon, hij ziet des te meer
naar de keuken, en voor een lekker hapje laat hij zich door de kinderen
aan zijn staart trekken.
Gaat rang naar kracht, dan is niet de arend de eerste, maar de
vogel „Rock” uit de Duizend en Eén Nacht: de Condor, de reus van de
bergreuzen, van de Cordilleras. Hij is de grootste gier, de zeldzaamste,
de schadelijkste, die bijna niets anders eet dan levende prooi. Treft
hij een groot dier, dan stopt hij zich zoo vol, dat hij zich niet meer
bewegen kan; men doodt hem dan met stokslagen.
Om juist over die soorten te kunnen oordeelen, moet men het nest van
den arend gezien hebben; een soort slordige, slecht geconstrueerde
vloer; vergelijk dat grof, onhandig werk, ik zeg nog niet eens, met dat
sierlijk kunststukje, het nest van de vink, maar met wat de insekten
doen, met de ondergrondsche gangen van de mier b.v., waarin dit nijver
insekt met een verwonderlijk inzicht een oneindige verscheidenheid weet
te brengen.
De traditioneele achting voor den moed der groote roofvogels, krijgt ook
een flinken stoot als men bij Wilson ziet, hoe een klein vogeltje den
grooten zwarten arend vervolgt en plaagt, en hem niet met rust laat, tot
hij uit zijn gebied is verjaagd. Een zeldzaam tafreel—die kleine held,
die om meer indruk te maken, zijn gewicht bij zijn kracht voegt, hooger
en hooger stijgt en zich uit de wolken laat vallen op den rug van den
grooten roover; daar zit hij te paard en laat niet los, en gebruikt zijn
snaveltje als sporen. En zonder nog naar Amerika te gaan kunt ge al in
den „~Jardin des plantes~” de overmacht waarnemen, van het kleine op
het groote, van den geest op de stof, in het eigenaardig samenleven van
den raaf met den lammergier. De slimme raaf, de verstandigste van alle
roovers, een schoolmeester gelijk in zijn zwart pakje, werkt aan de
beschaving van den ruwen gast, zijn medegevangene, den lammergier.
Het is vermakelijk te zien, hoe hij hem leert spelen; hoe hij hem, om
zoo te zeggen, menschelijk wil maken, en op honderderlei manieren met
allerlei spelletjes zijn ruwe natuur probeert te ontbolsteren. Vooral
wordt dit schouwspel vertoond, als de raaf een groot aantal toeschouwers
heeft. Ik heb meenen op te merken, dat hij er voor bedankt met zijn
wijsheid te pronken voor één enkel getuige. Hij houdt rekening met zijn
publiek, en zoo noodig weet hij zich er door te doen respecteeren. Ik
heb hem met zijn bek steentjes zien teruggooien naar een kind, dat er
mee naar hem gegooid had. Het merkwaardigste spel, dat hij zijn grooten
vriend opdringt, is, dat hij hem een stok laat vasthouden, waaraan
hij zelf trekt aan den anderen kant. Deze schijnvertooning van een
worsteling tusschen kracht en zwakheid, deze gefingeerde gelijkheid,
is heel geschikt om den barbaar tot zachtheid te stemmen; hij blijft
onverschillig, maar geeft aan het aandringen toe, en schikt zich met een
soort van half getemde goedmoedigheid.
[Illustratie]
De raaf is niet in het minst bevreesd voor dit groote dier, met zijn
onverwinbare klauwen en haaksnavel, hard als ijzer, die met één slag zou
dooden. Met de zekerheid van een hoogstaanden geest, tegenover deze
logge massa, beweegt hij zich om hem heen, neemt hem zijn prooi uit
den bek. De ander bromt, maar te laat. Zijn goeverneur, veel vlugger
van beweging, heeft met zijn schitterend zwart, staalglanzend oog, de
beweging al gemerkt; hij springt op zij, desnoods één of twee takken
hooger, en hij bromt ook, een vermaning schijnt het.
Dit lustig personage heeft bij zijn fratsen een bijzonder voorrecht:
het kontrast van zijn ernstig rouwkleed. Ik placht er dagelijks een te
zien in de straten van Nantes, op het poortje van een gangetje; in halve
gevangenschap troostte hij zich in zijn gekortwiekten toestand door een
loopje te nemen met honden. De straathonden liet hij gaan. Maar als zijn
ondeugende blik viel op een eleganten rashond, die zijn moedwil waardig
was, dan sprong hij hem handig van achteren op zijn rug en gaf hem twee
korte pikken met zijn zwarten snavel; jankend vluchtte dan de hond weg,
en rustig, gewichtig en voldaan, betrok de raaf weer zijn post. Nooit
zou men gedacht hebben, dat zoo'n biddersfiguur op die manier zijn tijd
kortte.
Men zegt, dat in de vrijheid, sterk door hun gemeenschapsgevoel en hun
groot aantal, zij in hun stoute stukken zoo ver gaan, dat zij, als de
arend afwezig is, de vermetelheid hebben zijn eieren te rooven uit het
nest. En wat moeielijker te gelooven valt, men beweert, zwermen raven
gezien te hebben, die terwijl de arend tegenwoordig was en zijn gezin
verdedigde, hem met hun gekrijsch verdoofden, hem aanvielen, er uit
trokken en een jong meenamen!
Zooveel moeite en gevaar voor zulk een povere buit! Indien het waar was,
zou men moeten veronderstellen, dat de wijze en voorzichtige republiek
te dikwijls geplaagd en vervolgd door den tyran van de streek, de
uitroeiing van zijn stam had besloten, en meende met een alles
trotseerende toewijding het besluit te moeten uitvoeren.
Hun wijsheid blijkt uit tallooze voorbeelden, vooral uit de weloverlegde
keus van een verblijf. De raven, die ik heb waargenomen te Nantes van
een van de heuvels van de Erdre, trokken 's morgens over mijn hoofd weg,
en kwamen 's avonds terug. Zij hadden blijkbaar een huis in de stad en
een huis buiten. Overdag betrokken zij observatieposten op den toren van
de kathedraal, speurende naar de smakelijke beten, die de stad hun had
aan te bieden. Verzadigd, trokken zij dan naar de bosschen terug, of
naar de goed beveiligde rotsen, waar zij graag den nacht doorbrengen.
Het zijn gezeten burgers, geen zwervers. Zeer gehecht aan hun gezin,
vóóral aan hun gade, waarvan zij de zeer getrouwe echtgenoot zijn, moest
hun eenige verblijfplaats hun nest wezen. Maar de vrees voor de groote
nachtvogels, noopt hun, twintig of dertig te gelijk zich 's nachts bij
elkaar te houden, een aantal voldoende voor een gevecht, als dit noodig
mocht blijken. Hun haat en afschuw is de uil; als zij dien overdag
vinden, nemen zij wraak voor zijn nachtelijke misdrijven: zij jouwen hem
uit en zitten hem na, tot zij hem, gebruik makende van de verwarring,
waarin zijn benarden toestand hem brengt, gemakkelijk kunnen dooden.
[Illustratie]
Uit iederen vorm van associatie weten zij voordeel te trekken. De
zoetste gemeenschap, het gezin, doet hen toch nooit het verbond van
verdediging vergeten, noch dat van aanval. Zij gaan nog verder, zij
vereenigen zich zelfs met hun meerderen, de gieren; zij roepen ze,
gaan ze voor, of volgen hen, om op hunne kosten te leven. En wat het
allersterkste is: zij houden zich zelfs aan hun vijand den arend,
blijven in zijn omgeving, om van zijn gevechten te profiteeren, en van
zijne overwinningen op eenig groot dier. Deze slimme speculanten,
wachten op een afstand, tot de arend tot zich heeft genomen, wat hij
nemen kon, heeft gezwolgen in bloed; dan vliegt hij weg en het overschot
is voor de raven.
Hun duidelijke meerderheid boven zeer veel vogels, moet het gevolg zijn
van den hoogen leeftijd, dien zij bereiken, en van hun ondervinding,
in verband met hun uitstekend geheugen. In tegenstelling met de meeste
dieren, bij welke de levensduur evenredig is aan den duur van hun jeugd,
zijn zij na een jaar volwassen, en leven, zegt men, een eeuw.
De groote verscheidenheid van voedsel, alles nl. wat eetbaar is in het
planten- en dierenrijk, alle prooi dood of levend, geeft hun een groote
kennis van dingen en tijden, van oogst en jacht. Zij stellen in alles
belang en merken alles op. De ouden, die veel meer dan wij het doen,
met de Natuur leefden, hebben veel voordeel er van gehad, dat zij de
aanwijzingen van zulk een wijzen en voorzichtigen vogel gevolgd hebben,
in velerlei duistere gevallen, waar de menschelijke ondervinding nog
geen licht zag.
Ten spijt van de aristocraten onder de roofvogels, is de raaf menigmaal
hun gids, ondanks zijn biddersrok en zijn mal gezicht; en ondanks
zijn gebrek aan kieschkeurigheid wat zijn voeding betreft, is hij tòch
de meerdere in geest van de groote soorten, waarvan hij in volume
ook al weer de mindere is. Maar de raaf is toch nog alléén maar, de
voorzichtige om het voordeel, de wijze uit eigenbelang. Om bij de
hooger staanden te komen, de helden van het gevleugelde ras, die
aartskunstenaars met hun warm hart; daarvoor moeten wij geringer volume
zoeken; de stof verminderen, om den geest te verheffen en de zedelijke
ontwikkeling te verkrijgen. De Natuur, als veel moeders, heeft een zwak
voor de kleintjes.
[Illustratie]
[Illustratie: ~2E DEEL.~]
[Illustratie: ~HET LICHT.~
DE NACHT.]
[Illustratie]
~HET LICHT.~
DE NACHT.