„Toen ik eens een vriend bezocht, vond ik bij hem zijn zoontje van acht

of negen jaar, dat in de stad wordt opgevoed; tijdelijk buiten, had hij

een handvol mooie bloemen verzameld, van alle kleuren.

Hij bracht ze aan zijn moeder, opgetogen en verrukt: „Lieve Mama, kijk

eens wat een mooie bloemen ik geplukt heb! O, ik zou er nog veel meer

in de bosschen kunnen vinden, en nog veel mooier! Mag ik er u nog meer

brengen?”

Zij nam de bloemen, met een teederen glimlach, en bewonderde zwijgend

die eenvoudige schoonheid, en zij zeide: „Ja, mijn jongen!” Het kind

ging overgelukkig heen. Ik voelde mijzelf in dat kind, de gelijkenis

trof mij diep. Als mijn geboorteland, met vriendelijke toegevendheid het

weinige aanneemt, dat ik nederig aanbied; als men den wensch uit, dat

ik nog meer breng, dan zal mijn hoogste eerzucht bevredigd zijn. Want,

zooals mijn vriendje zeide: Onze bosschen zijn er vol van, ik kan er nog

méér plukken en nog veel mooiere.”

Philadelphia 1808.

[Illustratie: ~DE STRIJD.~

DE TROPEN.]

[Illustratie]

~DE STRIJD.~

DE TROPEN.

Een dame, eene verwante van ons in Louisiana, had een kindje, dat zij

zoogde. Iederen nacht werd haar slaap verontrust door een wonderlijke

gewaarwording, alsof een koud glibberig voorwerp de melk onttrok aan

haar borst. Eens, wéér diezelfde gewaarwording, maar zij was wakker

toen: zij springt op, roept; men brengt licht, men zoekt, keert het

beddegoed om, en vindt eindelijk de griezelige zuigeling; een groote

slang van een zeer gevaarlijke soort. En zóó groot waren haar afschuw en

schrik, dat op dátzelfde oogenblik haar zog was opgedroogd. Levaillant

verhaalt, dat aan de Kaap in een gezelschap, gedurende een kalm gesprek

de gastvrouw op eens verbleekte en een vreeselijken angstkreet uitte.

Een slang klom tegen haar beenen op, een soort waarvan de beet binnen

twee minuten den dood geeft. Men heeft ze met moeite gedood.

In Indië gebeurde het, dat een van onze soldaten zijn ransel opnam, dien

hij had afgelegd, en hij vindt daarachter de gevaarlijke zwarte slang,

de meest vergiftige van allen. Hij wil haar in tweeën houwen; maar een

goedhartige Indiër vraagt genade voor haar, verkrijgt die en neemt de

slang; hij wordt gebeten en sterft. Dat zijn de verschrikkingen van de

overweldigende Natuur der Tropen. Maar de reptielen, die al zeldzaam

zijn geworden, zijn niet haar grootste kwaad. De plaag van ieder

oogenblik zijn de insekten. Zij zijn overal en in alles. Op alle

denkbare wijzen kunnen zij ons bereiken; zij loopen, zwermen, glijden,

vliegen; zij zijn ~in~ de lucht, ge ademt hen in; onzichtbaar openbaren

zij zich, door brandende steken.

Onlangs was een beambte der archieven, in een van onze havens, bezig een

portefeuille open te maken, die al een poos geleden was gebracht. Op

het oogenblik, dat hij ze opent, vliegt er een verwoede vlieg uit, zij

vervolgt hem, steekt hem, in twee dagen is hij dood.

En de jagers in die streken, die wel van alle menschen het meest gehard

zijn, zeggen, dat er geen gevaar is en geen pijn, zóó door hen gevreesd

als de steken der insekten.

In veel gevallen onaantastbaar, soms onzichtbaar, niet te weerstaan,

zijn zij als de vernietiging zelve, onafwendbaar. Hoe hen te keeren, als

zij komen in legioenen, dreigend ten krijg! Het is in Barbados gebeurd,

dat door onbekende oorzaken gedreven, een geweldig leger mieren kwam

optrekken, zich in ééne richting bewegend, in gesloten kolonnes, hun

overval gericht tegen de woningen. Verloren moeite hen te dooden;

geen middel ze te stuiten. Toen kwam iemand op den gelukkigen inval,

loopvuurtjes aan te leggen op hun weg. Die vulkanen verschrikten hen,

en keerden eindelijk den stroom.

Geen arsenaal uit de middeleeuwen met al de wonderlijke wapenen,

waarvan men zich in dien tijd bediende; geen magazijn van chirurgische

instrumenten, met de duizenderlei vreeselijke werktuigen, die moderne

kunst uitvond, kunnen worden vergeleken met de monsterachtige wapenen

der tropische insekten, hun knijpers, hun tangen, zagen, tanden,

slurven, boren, al die doodende en verscheurende wapenen, waarmee zij

ten krijg trekken, waarmee ze bewerken, doorboren, snijden, vaneen

rijten en ragfijn verdeelen met eene vlugge behendigheid en verwoede

felheid.

De machtigste werken gaan niet boven de krachten van die

verschrikkelijke legioenen. Geef hun een linieschip, neen, een stad, om

te verwoesten, zij doen het gemakkelijk.

Zij hebben na verloop van tijd onder Valencia bij Caracas afgronden en

katakomben uitgegraven, zoodat het van steun beroofd, als in de lucht

hangt.

Eenige individuen van die verslindende stammen zijn ongelukkig in la

Rochelle overgebracht en hebben de stad overvallen; menig gebouw wankelt

er op schijnbare grondvesten, die van binnen zijn uitgevreten. Wat zou

een mensch beginnen overgeleverd aan die insekten!—Een dronkaard viel

neer bij een kreng. De insekten, die het doode lichaam bewerkten,

onderscheidden het niet van het levende; zij namen dat ook in bezit,

kropen door alle openingen, vulden alle natuurlijke holten. Geen middel

om den man te redden; hij stierf onder vreeselijke stuiptrekkingen.

In die schroeiende, blakende landen, waar door de snelle ontbinding

ieder dood lichaam verderf zou brengen, waar alle dood het leven

bedreigt, daar vermeerderen zich in het oneindige die vreeselijke

werktuigen van de natuur, die al wat dood is, met ongehoorde snelheid

doen verdwijnen. Een lichaam bezwijkt en valt neer; plotseling wordt het

gegrepen, bestormd, ontleed, verscheurd. Nauwelijks blijven de beenderen

over. De natuur, door haar eigen vruchtbaarheid in gevaar, roept ze,

vuurt ze aan, prikkelt ze met de hitte, met de irritatie van een

oneindigheid van aromatische en scherpe stoffen. Zij maakt hen tot

verwoede jagers, onverzadelijke vraten.

[Illustratie]

De leeuw en de tijger zijn zachtzinnig, gematigd en sober, vergeleken

bij den gier; maar wat is de gier, tegen een schepsel, dat in

vier-en-twintig uur driemaal zijn eigen gewicht verslindt! De

Helleensche oudheid zag het symbool van de Natuur in het edele, koele

beeld van Cybele met hare leeuwen.

Indië zag zijn god ~Siva~, God van Dood en Leven in een eeuwig

oogknippen, omdat zijn open blik de aarde vergruizeld zou hebben tot

poeder.

Hoe zwak staan die verbeeldingen der menschen tegenover de

werkelijkheid! Hoe verbleeken zij bij dat laaiende vuurcentrum, waar

het Leven in atomen en bij seconden sterft en ontstaat, vlamt en

vonken spat. Wie zou haar bliksemvonk kunnen uithouden zonder huiverend

duizelen! Het is een natuurlijk en wettig aarzelen, dat den reiziger

bevangt, als hij die geweldige wouden zal ingaan, waar de tropische

natuur onder dikwijls bekoorlijke vormen haar felsten strijd strijdt.

En er is reden te aarzelen als men weet, dat een enkele kaktushaag

voldoende wordt geacht om de Spaansche forten te beschermen: in weinig

tijd is zulk een haag vol slangen. Ook bespeurt men daar een soort van

weeë, sinistere muskuslucht, het bewijs dat ge u bevindt op een bodem,

die niet anders is dan lijkenstof, overblijfselen van dieren met die

lucht behept: tijgerkatten, krokodillen, gieren, adders en brilslangen.

En daar binnen in die oerwouden is wel het gevaar het grootst, daar waar

het een krioelen is van leven, van eeuwig gisten en borrelen in den

kokenden smeltkroes van de Tropische Natuur.

Daar wordt de sombere schemer drievoudig verdicht: door het zware

gewelf der reuzenboomen, het warnet van ineengestrengelde lianen, en

door immense grassen, dertig voet hoog, met breede prachtbladen. Er

zijn plaatsen, waar die grassen te niet gaan in het oude oerslijk.

En een honderd voet hooger, boven die nachtwereld uit, lichten fiere

reuzenbloemen in het laaiende zonlicht.

In de lichtingen, in de nauwe doorgangen, waar het zonlicht toegang

heeft, is het een onafgebroken fonkelen en gonzen: torren, vlinders en

kolibri's, levend geworden edelgesteenten, dwarrelen zonder ophouden in

het licht.

Verblindender nog het tafereel in den nacht: de tooverachtige

illuminatie der vuurvliegen! Met duizenden van milliarden trekken zij er

hun fantastische lichtlijnen, hun slingerende vuur-arabesken. Maar bij

al dat schitteren en fonkelen, beweegt zich in de laagte een naargeestig

volk, een vale wereld van kaaimannen en waterslangen. En aan de stammen

van de reuzenboomen hangen wonderbare orchideeën, teelsels van die

dompige, koortsbrengende atmosfeer, bizarre plant-vlinders, die hangende

schijnen te vliegen. In die moordende eenzaamheid, zwelgen zij in die

giftatmosfeer, en baden zich in de rottende miasmen, drinkende den dood,

die weer haar leven is; en de weeldedronkene natuur beeldt zich uit

in hun grillige kleurenpracht. Geef u niet over! Verweer u! Laat die

bekoring niet komen over de loomheid van uw hersenen. Op! voort! het

gevaar dringt op u aan, onder duizend vormen. De gele koorts loert

van onder die bloemen, de ~vomito nero~! Over uw voeten kruipen de

reptielen! Als gij toegeeft aan die loomheid staat een zwijgend leger

van meedogenlooze anatomen klaar om u in bezit te nemen: en een millioen

lancetten zullen uwe weefsels bewerken, tot een sierlijk en fijn

kantwerk, een gaas, een ademtocht, een niets!—

Maar God, die onze gerustheid is, wat stelt Hij tegenover dien

gewapenden afgrond van alverslindenden dood, van hongerend Leven? Een

anderen afgrond, niet minder hongerend en dorstend naar Leven, maar niet

wreed voor den Mensch. Ziet de Vogels, gij Mensch, en herleef! Zijn

dit onze bevrijders? deze bezielde bloemen, deze gevleugelde safieren,

topazen en smaragden? Ja, want zuiverend is hun begeeren, hun hongerig,

driftig azen op deze overstelpende teugellooze vruchtbaarheid; en

hun honger alléén maakt het ingaan mogelijk in deze verderfbrengende

toovergaarde. Zonder hen zou de natuur, naijverig op iederen indringer,

in eeuwigheid ongestoord haar eenzaam gistingsproces vervolgen, en

de stoutmoedigste onderzoeker zou niet kunnen doordringen om haar te

bestudeeren. Wat is hier de Mensch! Hoe zou hij zich verdedigen? Geen

macht, die hier dient! De olifant, de geweldige mammouth zelfs, zouden

bezwijken zonder tegenweer, onder millioenen doodelijke steken. Wie

trotseert hen? De arend? De Condor? Neen, een machtiger volk, het

onversaagde leger der vliegenvangers, in aantal onnoembaar. Kolibri's

van alle soorten en kleuren kunnen straffeloos leven in de schittering

van die eenzaamheid, waar in iedere uitwaseming verderf dreigt, tusschen

giftige insekten, en moordende planten, wier schaduw reeds den dood

geeft.

[Illustratie]

Er is één, een gekuifde, groen en blauw, in de Antillen, die zijn nest

bouwt in den boom door alle wezens ontvlucht en gevreesd, het spooksel,

welks blik verstijving schijnt te brengen, de vreeselijke manzanille.

En wonder, er is een papegaai, die driest de vruchten oogst van dien

boom der verschrikking: hij voedt er zich mee en neemt hun livrei aan:

hun giftig groen schijnt te schitteren in den metaalglans van zijn

triomfeerende vleugels.

[Illustratie]

Het intens en gloeiend Leven in deze gevleugelde vonken, trotseert

alle gift. Hun wiekslag is zóó vlug, dat ons oog niets waarneemt. De

kolibri schijnt onbewegelijk zonder eenige actie; alléén hoort men een

aanhoudend gonzen: hoerr! hoerr! dan plotseling, het kopje omlaag, duikt

hij neêr en boort zijn snavel als een dolk in het hart van een bloem,

dan weêr naar een andere! en hij onttrekt ze met de sappen, tegelijk al

de kleine insekten; dat alles gebeurt met een vlugheid van beweging,

waarmee ik geen andere snelheid vergelijken kan; met een driftig,

toornig ongeduld, dat soms stijgt tot razernij. Waartegen? Tegen een

grooten vogel dien hij vervolgt, tot dat hij hem heeft doodgejaagd;

tegen een bloem al vernield, die hij niet vergeeft, dat zij niet op hem

wachtte. Hij valt op haar aan, rukt haar uit elkaar, de bloembladen

vliegen.

[Illustratie]

Het is bekend, dat de planten hevige vergiften kunnen bereiden uit

bestanddeelen van lucht en bodem, en dat die vaak worden opgehoopt in

de bloemen. Deze vogels leven van bloemen; van die bedwelmende bloemen,

wier brandend scherpe sappen in werkelijkheid vergiften zijn. En het

schijnt wel, dat de inwerking van die zuren, zich openbaart in hunne

schrille kreten, in hun eeuwig rusteloos bewegen, en hun driftige

wendingen. Misschien dragen zij nog direkter dan het licht, bij tot de

wonderbare weerschijn van hun schitterende kleuren, die soms doen denken

aan staal, aan goud, aan edelsteenen, meer dan aan veeren of bloemen.

Welke uitersten, zij en de Mensch! Overal in diezelfde streken moet hij

sterven, of langzaam kwijnen.

De Europeanen door de tropische kulturen, kokao en anderen, genoodzaakt

zich aan den zoom dier bosschen op te houden, moeten bezwijken; de

inboorlingen steeds verzwakkend, verliezen hun weerstandsvermogen en

kwijnen. Daar, waar op deze aarde de mensch het meest het dier nadert,

triomfeert de vogel, en zijn schitterende, weelderige tooi verdiende

hem er den naam van paradijsvogel. Maar wat zouden kleuren, veêren,

vormen! Dit insekten-verslindend vleugel-volk, verwinnend door zijn

overweldigend aantal; in zijn sterkste soorten ook van reptielen

de hardnekkige vervolger, vliegt zuiverend over de geheele

aarde—voorlooper van den mensch, die hem zijn woonplaats voorbereidt.

Onversaagd zwemt het in dezen doodbrengenden oceaan, krioelend,

fluitend, krijschend, krassend, en het ademt zijne vreeselijke miasmen

in, en trotseert ze.

Zoo zet zich het groote zuiveringswerk over de geheele aarde voort, de

aloude strijd van den vogel tegen de lagere rassen, die zoolang de aarde

onbewoonbaar moesten maken voor den mensch. De viervoeters, de mensch

zelf, hebben maar een gering aandeel in den strijd. Het is steeds het

kampen van den gevleugelden Hercules!

De veiligheid van de bewoonde streken danken zij hem. In het uiterste

Afrika, aan de Kaap, is het de goedaardige sekretarisvogel, die den

mensch tegen de reptielen beveiligt. Vreedzaam en zacht van uiterlijk,

schijnt hij in kalme gemoedsrust die wreede en gevaarlijke gevechten

te volbrengen. De reusachtige Jabiru weert zich niet minder in de

wildernissen van Guyana, waar de mensch het leven nog niet heeft

aangedurft.

In hunne gevaarlijke Savanna's, óf moeras, óf geheel uitgedroogd en dor,

waar in het schroeiend licht een geweldig leger van onbekende ongure

monsters wriemelt, staat één bewoner hoog boven hen uit; een nobele

strijdbare vogel, een onverschrokken zuiveraar, aan wien de Natuur

nog eenige sporen liet van het harnas, waarmee zij waarschijnlijk de

vogels uit de vóórwereld zal hebben uitgerust, voor hun kamp met de

draakachtige monsters: een scherpe punt op den kop en een op iederen

vleugel. Met den eersten woelt en wroet hij in het slijk, en maakt er

zijn vijand wakker. De beide anderen beschermen en beveiligen hem; het

reptiel, dat hem omwikkelt en vastklemt, verwonden zij, en door de

kracht zelve van zijn aanval wordt het doorstoken.

[Illustratie]

Deze schoone en moedige vogel, laatst geborene van die oude werelden,

die nog bleef om te getuigen van die vergeten worstelingen; die geboren

wordt, leeft, sterft op de modder van dien voorwereldlijken slijkpoel,

heeft niets gemeens met zijn onguren geboortegrond. Een soort van

zedelijk instinkt—ik weet niet welk—heft hem er boven uit. Het

sterk en geweldig geluid van zijn stem, die de wildernis beheerscht,

verkondigt reeds uit de verte, den waardigen ernst van dezen nobelen

vogel, dezen fieren zuiveraar. De Kamichi—dit is zijn naam—is

zeldzaam; geheel alléén is hij een geslacht, een klasse, die geen

onderdeelen heeft.

Verachtend het ignobele dooréénleven der geslachten in die lage wereld,

heeft hij slechts ééne Liefde. En zeker is in dit leven van kamp,

de gade ook de medestrijdster; zij hebben samen lief, kampen samen,

leven één lot. Het is het krijgsmanshuwelijk waarvan Tacitus spreekt:

Sic vivendum, sic Pereundum; „één leven, één dood.” Als die teedere

kameraad, die troost, die steun der Kamichi ontvalt, weigert hij het

voortbestaan; hij volgt haar, overleeft haar nooit.

[Illustratie: HET ZUIVERINGSWERK.]

[Illustratie]

HET ZUIVERINGSWERK.

Des morgens vroeg, maar als de zon al boven den horizont staat; op

hetzelfde oogenblik, dat de kokospalm zijn bladeren opent, openen zich

ook van de veertig of vijftig Urubu's (kleine gier) die op zijn takken

nachtrust hielden, de mooie robijnen oogen. Het dagwerk roept hen. In

het loome Afrika wachten op hen een honderd negerdorpen; in het slaperig

Zuid-Amerika, ten zuiden van Panama of Caracas moeten zij, rappe

zuiveraars, de straten reinigen, schoonvegen, vóórdat de Spanjaard er

zich vertoont; vóórdat de machtige zon de krengen en rotstoffen tot

ontbinding bracht. Zouden zij één dag missen, het land werd ontvolkt.

Als het in Amerika avond wordt, en de Urubu na volbrachte dagtaak, weer

op zijn kokos terug keert, dan blinken wit, in het vroeg ochtendlicht,

de minarets van Azië en Egypte; en van de omgangen, stipt als hun

Amerikaansche broeders, komen gieren, kraaien, ooievaars, ibissen

zwermen en beginnen hun verschillende werkzaamheden; sommige nemen

hun vlucht naar de velden om slangen en insekten te verdelgen; andere

strijken neer in de straten van Alexandrië of Caïro en volbrengen

haastig hun gemeente-reinigingswerk. Namen zij ook maar eene korte

vacantie, onmiddellijk zou de pest in het land zijn, als éénig bewoner.

Zoo geschiedt op beide halfronden het groote zuiveringswerk, met een

wonderbare en plechtige regelmaat. Even stipt als de zon het leven

vruchtbaarheid komt geven, even stipt zijn deze zuiveraars, die de

natuur in haar dienst nam, om den stuitenden aanblik van den dood aan

onze oogen te onttrekken.

[Illustratie]

En zij schijnen het gewicht van hun optreden te gevoelen. Nader hen,

zij vluchten niet. Wanneer hun confraters, de raven, die hen dikwijls

vooraan gaan en hun een prooi aanwijzen, hen gewaarschuwd hebben, dan

plotseling schiet de wolk van gieren neer. Van aard eenzelvig en

gemeenschap-schuwend, gaan zij toch bij honderd gelijk aan den maaltijd,

en zij laten zich door niets verstoren. Onderlinge strijd komt niet

voor, en geen voorbijganger veroorzaakt onrust. Onverstoorbaar doen

zij hun werk, met een plechtige gulzigheid, en zij doen het netjes en

zindelijk; het kreng verdwijnt, de huid blijft liggen. In een oogenblik

is een afschuwelijke rottende massa, voor den mensch niet te genaken,

opgeruimd, en opgenomen in de eeuwig nieuwe en heilzame levensstrooming.

Maar vreemd! hoe beter zij ons dienen, hoe meer wij hen schuwen! Wij

willen in hen niet zien, wat zij zijn; hen niet kennen in hun ééne rol,

die van weldoenden smeltkroes van de natuur; een smeltkroes van levend

vuur, die alles opneemt, wat het hooger leven zou kunnen schaden. En

daarvoor zijn zij verwonderlijk goed toegerust; zij nemen op, verteren,

vervormen, zonder dat het hun verveelt, zonder oververzadigd te

worden, ja zelfs zonder ooit voldaan te zijn. Zij zouden een nijlpaard

verslinden, en hongerig blijven. Voor de meeuwen, die de gieren zijn

van de zee, is een walvisch niet meer dan een fatsoenlijk brokje. Zij

bewerken hem beter dan de knapste walvischvaarder, en in korten tijd is

hij verdwenen. Zoolang er wat overblijft, blijven zij ook; probeer op

hen te schieten, zij komen onvervaard terug, terwijl het geweer blijft

dreigen. Een gier laat nooit zijn prooi los. Levaillant schoot er een,

die op een nijlpaard aasde; doodelijk getroffen, scheurde hij er nog

stukken af. Had hij gevast? In 't geheel niet: men vond in zijn maag zes

pond van het vleesch.

Het is een werktuigelijke gulzigheid, eerder dan roofzucht. Hun

uiterlijk is triest en somber, maar de natuur sierde de meesten van hen

met een teeder en vrouwelijk tooisel: het fijne witte dons om hun hals.

Heerschers over den dood zijn zij, maar over den kalmen dood, den

natuurlijken dood, niet den moord. Zij zijn als de elementen,

ernstig, rustig, niet te beschuldigen; in den grond onschuldig, zelfs

verdienstelijk. En met dat geweldig levenselement, dat alles opneemt en

verwerkt, zijn zij toch, meer haast dan eenig ander wezen, onderworpen

aan algemeene invloeden, beheerscht door atmosfeer en temperatuur. In

't bizonder zijn zij vochtmeters, levende weerglazen. Het vocht van

den morgen verzwaart hun wichtige vleugels; dan kan de zwakste prooi

ongehinderd hen voorbijgaan; en zóózeer zijn zij aan de dagelijksche

verschijnselen in de natuur onderworpen, dat die van Amerika, zooals

gezegd is, zittend in reeksen op de takken van den kokospalm, letterlijk

het uur afwachten, waarop de bladeren zich sluiten, en lang vóór den

nacht inslapen; en dan, éérst als de zon reeds hoog boven den horizont

staat, openen zich gelijk met de bladeren van den boom hun witte zware

oogleden.

Deze voortreffelijke handlangers van de weldoende chemie, die het

leven hier op aarde bewaart en in evenwicht houdt, werken voor ons

op plaatsen waar wij nooit konden doordringen. Wel wordt men in de

steden hun tegenwoordigheid gewaar en de diensten, die zij daar

bewijzen; maar niemand kan hun weldaden weten in de woestenijen

waarvan een pestbrengende wind zou uitgaan, waren zij er niet. In het

ondoordringbaar woud, in de diepe moerassen onder de giftige schaduw

van de wortelboomen, waar, heen en weer gegooid door de zee, de

lijken liggen te rotten van twee werelden; daar deelt dat reusachtig

zuiveringsleger den arbeid met watervloed en insekten. Verderf voor

de wereld der menschen, indien dat geheimzinnige, ongeziene werk een

oogenblik werd gestaakt!

Amerika heeft wetten, welke die weldoeners van den mensch beschermen.

Egypte doet nog meer voor hen: het vereert hen, en is hun welgezind. Al

bestaat niet meer hun oude kultus van aanbidding, zij vinden er toch de

vriendschappelijke gastvrijheid uit den tijd der Pharao's. Vraag aan den

Egyptischen fellah, waarom hij hun aanvallen, hun oorverdoovende kreten

verdraagt, waarom hij de onbeschaamde kraaien niet weert van de hoornen

der buffels, van de bulten der dromedarissen of van de dadelpalmen,

waarop zij bij scharen neerstrijken, dat de vruchten vallen. Hij zal

niet antwoorden. De vogel mag daar alles. Ouder dan de pyramiden, is

hij de oudste bewoner dezer landen. De mensch is er door hem. De mensch

zou er niet kunnen bestaan, zonder het onafgebroken werken van ibis en

ooievaar, kraai en gier. Vandaar een algemeene sympathie voor de dieren,

een ingeboren teederheid voor al wat leeft, die de bekoring is, meer dan

iets anders van het Oosten. Het Westen heeft andere aantrekkelijkheden:

Amerika schittert met zijn zonlicht en de pracht van zijn klimaat; maar

het Oosten heeft een geestelijke bekoring: de éénheid die men voelt in

een wereld waar de mensch zich niet heeft afgescheiden van de natuur;

waar de oude band nog hecht is, waar de dieren niet weten, waarom men

den mensch vreezen moet. Men zal er om glimlachen misschien, maar het is

een liefelijke gewaarwording dat vertrouwen op te merken; te zien hoe op

een roep van den brahmaan de vogels in zwermen komen en eten uit zijn

hand; te zien hoe op de daken der pagoden de apen hun familieleven

leiden, spelen, jongen zoogen, veilig en gerust, zooals zij leven zouden

in de diepste diepten der bosschen.

[Illustratie]

„Te Caïro,” zegt een reiziger, „voelen de tortelduiven zich zoo wel

onder de publieke bescherming, dat zij leven midden tusschen het

gewoel. Den geheelen dag zag ik hen zitten koeren op de luiken van mijn

vensters, in een heel nauwe straat, bij den ingang van een rumoerige

bazaar, en dat in den druksten tijd van het jaar, kort voor den Ramadan,

als de huwelijksceremonieën dag en nacht de straten vullen met gedruisch

en misbaar. De platte daken, hoewel de dagelijksche wandeling van de

gevangenen van den harem en hare slaven, worden toch door vogels

omzwermd. De arenden slapen in goed vertrouwen op de omgangen der

minarets.”

De vogel · 第 3 / 12 段