stukje hemelblauw. Gelukzalige en sereene streken, die den vrede bewaart
boven de onrust van de stormen. In dat stukje blauw, drijft koninklijk,
op duizend voet hoogte, een kleine vogel, maar met geweldigen vleugel.
Een meeuw? Neen, de vleugels zijn zwart. Een arend? Neen, de vogel is
klein. Het is de kleine arend van de zee, de hoogststaande van het
gevleugelde ras, de onversaagde zeevaarder, die nooit de vleugels
vouwt. Vorst van den storm, verachter van alle gevaar, de Krijgsman, of
Fregat-vogel. Wij hebben hier de uiterste grens van de serie, die begint
met den vogel zonder vleugels. ~Deze~ is haast niet anders meer dan een
paar vleugels! Bijna geen lichaam! Nauwelijks de grootte van een haan,
met geweldige vleugels tot veertien voet in lengte. Het groote vraagstuk
van de vlucht is opgelost! Meer zelfs, de oplossing is overschreden;
want het vliegen schijnt onnoodig. Zulk een vogel, met zulk een
natuurlijk steunsel, heeft zich maar te laten dragen. Als de storm
komt, stijgt hij tot de immense hoogten waar weder kalmte heerscht. Het
dichterlijk beeld, onzuiver voor iederen anderen vogel, is geen beeld
voor hem: hij „~slaapt op den storm~.” Wil hij wèrkelijk vliegen, dan
verdwijnen de afstanden. Ontbijt aan den Senegal, middagmaal in Amerika.
En wil hij het er van nemen, zich onderweg ophouden, hij kan het; den
heelen nacht kan hij doorgaan, zeker rust te zullen vinden... Waarop? Op
zijne onmetelijke, onbeweeglijke vleugels, die hij ontplooid legt op de
lucht, die zich met de geheele vermoeienis van de reis belasten; en op
den wind, zijn dienaar, die hem wiegt.
Merkt op, dat dit wonderbare wezen nog de koninklijke eigenschap heeft,
niets ter wereld te vreezen. Klein, doch sterk en onversaagd, trotseert
hij alle tyrannen van de lucht. Zeker zou hij noch zee-arend, noch
Condor vreezen; deze kolossale en logge beesten, zouden zich nauwelijks
in beweging hebben gezet, of hij was tien mijlen verder. O, dan komt het
verlangen over ons! als wij in het stralend ruim van de tropen, eenzaam
dien zwarten vogel zien vliegen, op onberekenbare hoogte, bijna
onzichtbaar door den afstand, eenzaam in de hemelwoestenij!
Misschien wat lager, kruist hem in lichte gratie, een witte zeiler, de
tropenvogel.
Neem mij op uwe vleugels, gij luchtkoning, die geen vrees kent, geen
vermoeienis; gij meester van de ruimte, snelvlieger, die den tijd
vooruit vliegt. Wie is meer dan gij, los van de fatale kluisters, die
het schepsel binden.
Toch heeft mij iets verwonderd: van dichtbij gezien heeft deze vorst van
het rijk der gevleugelden, niets van de hooge rust, die een leven in
vrijheid moet meebrengen. Zijn blik is koud, hard, wreed, onrustig; zijn
gedwongen houding is van een, die op straffe des doods moet uitkijken en
wacht houden over de oneindigheid der wateren.
Deze vogel dwingt zich om zeer ver te zien. En dient zijn oog hem
slecht, dan staat zijn vonnis op zijn zwart gezicht geschreven, dan
veroordeelt hem de Natuur: hij moet sterven.
Van dichtbij gezien, blijkt het, dat hij bijna geen pooten heeft. Kort
als zij zijn, en van zwemvliezen voorzien, kan hij er niet op gaan, zich
niet er mee vastklemmen. Wel heeft hij den geweldigen bek, maar niet de
klauwen van den echten zeearend; een valsche arend, die het echter wint
van den echten in vliegvermogen en stoutmoedigheid, heeft hij toch niet
zijn kracht, niet zijn onverwinbaren greep. Hij hakt, en doodt; maar kan
hij grijpen?
[Illustratie]
Vandaar zijn onzeker bestaan, een leven op het toeval; eerder het
bestaan van een zeeroover dan van een zeevaarder; en vandaar ook de
eeuwige vraag, die men zoo duidelijk leest op zijn wezen: „Zal er eten
voor mij zijn?.... zal ik van avond iets aan mijn kinderen kunnen
brengen?”
De grootsche en prachtige inrichting van zijn vleugels, is op den vasten
grond een gevaar en een last. Om te kunnen opvliegen moet hij veel wind
hebben en een hooge standplaats, een uitsteeksel, een rotspunt. Wordt
hij verrast op het vlakke zand, op banken, op lage klippen, waar hij
zich dikwijls neerlaat, dan is de fregatvogel weerloos, geen dreigen en
snavelstooten helpen: met stokken wordt hij doodgeslagen.
Op zee zijn die geweldige vleugels, zoo prachtig als de vogel zich
verheft, geheel ongeschikt om over het water te scheeren. Want worden
zij nat, dan trekt hun zwaarte hem naar beneden. Dan is zijn lot
beslist! Hij behoort aan de visschen; hij voedt dat logge volk, waarmee
hij zichzelf dacht te voeden; het wild eet den jager; den vanger is
gevangen.
Maar hoe dan? Zijn voedsel is in het water? Tot het water moet hij
altijd naderen en terugkeeren; rakelings moet hij zich steeds bewegen
langs die vreeselijke, vruchtbare zee, die hem steeds dreigt te
verslinden.
Zoo leeft dus in onzekerheid en vrees, dit wèlgewapend wezen, zoo
schitterend gevleugeld, en uitblinkend in sterkte van gezicht,
vliegvermogen en moed. Hij zou dikwijls van honger moeten sterven, als
hij zich niet een leverancier verschaft had, dien hij zijn voedsel
ontfutselt. Zijn uitkomst is, de helaas minder nobele handeling, een
plompen en vreesachtigen vogel aan te vallen, den Jan-van-Gent, die een
voortreffelijk visscher is. De fregatvogel, niet veel grooter dan hij,
vervolgt hem, en stoot tegen zijn keel met den snavel, zoodat hij terug
moet geven, wat hij inslokte. Dit gebeurt alles in de lucht; de visch
wordt vallende gegrepen.
Ontbreekt ook dit redmiddel, dan waagt hij het zelfs, den mensch aan te
vallen. „Toen wij op Ascension landden,” vermeldt een reiziger, „werden
wij belegerd door fregatvogels. Een wilde mij zelfs den visch ontnemen,
dien ik in mijn hand had. Andere vlogen om den ketel, waarin vleesch
kookte, om het er uit te halen, hoewel de matrozen er om heen stonden.”
Dampier heeft gezien, hoe oude en zwakke of verminkte fregatvogels op de
klippen stonden, blijkbaar hun invalidenhuis, en schatting hieven van de
jonge Jan-van-Gent's, hun vazallen, zich voedend met wat die vingen.
Maar in den tijd van kracht, komen zij zelden op den vasten grond.
Levend als wolken, zwevend op hun geweldige vleugels tusschen twee
werelddeelen, in afwachting wat het lot hun brengt, bespiedt hun
doordringende blik de oneindigheid der luchten en de oneindigheid der
zeeën.
De voorste van het gevleugelde volk, is hij, die niet rust; de eerste
van de zeilers, is hij, die niet aankomt. Aarde en zee zijn hem bijna
gelijkelijk ontzegd. Hij is de eeuwige balling.
Dat wij niet benijden. Hier op aarde is geen enkel bestaan geheel vrij,
geen levenskring ruim genoeg, geen vlucht ver genoeg, geen vleugel kan
voldoen. Want juist van den machtigsten vleugel is men de slaaf. Andere
vleugels zijn noodig, de ziel verwacht ze, vraagt ze en hoopt:
„Vleugels boven 't leven uit,
en den dood voorbij!”
[Illustratie: VOGELS DER WATERKANTEN.]
[Illustratie]
VOGELS DER WATERKANTEN.
VERVAL VAN EENIGE SOORTEN.
Ik heb dikwijls, op sombere dagen, naar een nog somberder wezen gekeken;
een die is als het symbool van de melancholie. Dat is die droomer van de
moerassen, die peinzende vogel, die eenzaam staat bij de grijze wateren
in alle jaargetijden, als spiegelend met zijn beeld ook zijn eentonige
gedachten.
Zijn nobele zwarte egrette, zijn paarlgrijze mantel, koninklijk
rouwkleed, wordt zonderling weersproken door zijn schraal lichaam en
doorzichtige magerheid. Bij het vliegen vertoont de arme reiger niets
dan twee vleugels. Stijgt hij, men ziet geen lichaam meer; hij wordt
onzichtbaar. Dit luchtdier, dit lichaam zonder gewicht, voelt zijn ééne
poot als te veel, hij vouwt dien dubbel; bijna altijd ziet men zijn
silhouet éénbeenig als een zonderlinge hieroglyph tegen de lucht
afgeteekend.
Wie geleefd heeft in de studie, in de geschiedenis van verloren rassen
en verdwenen koninkrijken; hij is geneigd in dien vogel een beeld van
verval te zien. Een edelman tot den bedelstaf gebracht, een onttroond
vorst; ik zou mij erg vergissen als hij dat niet was. Geen enkel wezen,
dat als zulk een droevige figuur door de Natuur wordt afgeleverd. Eens
waagde ik het den droomer te ondervragen, en van uit de verte sprak
ik tot hem deze woorden, die zijn zéér fijn gehoor duidelijk opnam:
„Vriendlief, Visscher! zoudt ge mij even willen zeggen—zonder uw
stelling te verlaten—waarom altijd treurig, ge heden nog treuriger
zijt? Is u uw prooi ontsnapt? Heeft de visch met behendige wendingen uw
oog bedrogen? of daagt de kikvorsch u spotachtig uit van af den bodem
der wateren?”
Neen, geen visch of kikvorsch lachte om den reiger... Maar de reiger
lacht om zichzelf en veracht zich, als zijn denken uitgaat naar den
tijd, toen zijn edel ras nog groot was, naar den reiger van vroeger
dagen.
„Gij vraagt naar mijn droom? Vraag het Indianenhoofd, waarom hij dagen
lang het hoofd op de hand gesteund, staart... staart op den boom, dien
hij voor zich heeft, naar iets wat er niet is. De geheele aarde was ons
rijk, het gebied van de watervogels, in die periode van overgang, toen
de aarde in jonkheid het water ontsteeg. Een tijd van strijd en
worsteling, maar ook van overvloed. Geen reiger toen, die niet
gemakkelijk zijn kost kon ophalen. Geen wachten toen of vervolgen; de
prooi vervolgde den jager; sissen, kwaken van alle kanten. Millioenen
wezens van onbestemden aard, dieren tusschen vogel en pad, visschen met
vleugels, bewogen zich tusschen de onzekere grenzen, der beide
elementen. Wat hadt gíj toen kunnen doen, gij zwakken en laat-geborenen
op den aardbol! Het was de vogel, die voor u de aarde bewoonbaar maakte.
Geweldig woedde de krijg van monsterachtige schepselen, onttogen aan het
moeras, met den vogel, zoon der lucht, van reusachtigen omvang. Vindt
men al geen spoor van dat alles in uwe ondankbare geschiedverhalen, Gods
groot geschiedboek verkondigt het van uit het binnenste der aarde; want
daar bleven overwonnenen en overwinnaars; de monsters door ons gedood,
en zij, die ze vernietigden.
[Illustratie]
Uwe leugenachtige verbeeldingen willen ons bevredigen met een
menschelijken Hercules. Wat had hem zijn knots gebaat tegen den
Plesiosouros? Wie had dien Leviathan afgewacht van aangezicht tot
aangezicht? Dat eischte de vliegkracht, een sterken vleugel, die den
Hercules-vogel kon neerwerpen, en weer opheffen, en teruggooien uit de
lucht; den Epiornis, een arend, twintig voet hoog, met een vleugelwijdte
van vijftig voet; hardnekkig jager, meester van drie elementen, de
lucht, het water en het diepe moeras, die den draak rusteloos vervolgde.
Duizendmaal ware de mensch vernietigd geweest. Door ons werd den mensch
het bestaan mogelijk gemaakt op eene tot rust gebrachte aarde. Maar wien
zal het verwonderen, dat deze geweldige worstelingen door duizende jaren
heen, den overwinnaar hebben versleten, den gevleugelden Hercules hebben
afgemat tot een zwakken Perseus: verbleekte, verwaasde herinnering aan
onzen heldentijd.
Toen, minderend in gedaante, in kracht, misschien in moed; uitgehongerd
door de overwinning zelve, door het verdwijnen der kwaadaardige rassen
en door de afscheiding der elementen, waardoor voortaan onze prooi
verborgen was in de diepte der wateren, werden wij op den vasten grond,
in onze bosschen en moerassen, op onze beurt weer verjaagd door de
nieuw gekomenen, wier bestaan toch mogelijk was geworden door ons. De
boosaardigheid van den mensch der bosschen en zijn behendigheid, was
voor het bestaan van onze nesten noodlottig. Lafhartig legde hij zijn
hand op ons, in de dichtheid der takken, die de vlucht belemmeren, het
gezicht bemoeilijken. Een nieuwe oorlog en deze minder gelukkig. Homerus
noemt het den krijg tusschen de kraanvogels en de dwergen. De zeldzame
intelligentie der kraanvogels, hun wezenlijk militaire taktiek, hebben
den vijand, den mensch, niet kunnen verhinderen, door duizend vervloekte
kunstgrepen in het voordeel te blijven. Met hem mede werkten tijd en
bodem en natuur; de aarde droogde op, het water werd onttrokken aan de
moerassen en ons tweeslachtig element werd opgeheven. Het zal op den
duur met ons gaan als met den bever. Vele soorten zullen uitsterven,
nog een eeuw misschien en de reiger zal hebben geleefd.”
[Illustratie]
Zéér ware geschiedenis: behalve eenige soorten, die hun partij gekozen
hebben en den vasten grond verlieten, zich voortaan geheel wijdende
aan het vloeibaar element, behalve de duikers, de schollevaar, de
wijze pelikaan en eenige anderen, schijnen de watervogels in verval.
Het zorgen en de soberheid houden hen nog in stand. Die onafgebroken
bezorgdheid heeft den pelikaan een bijzonder orgaan gegeven, hem onder
zijn bek een beweegbaar réservoir uitgehold, duidelijk teeken van
zorgende voorziendheid.
[Illustratie]
Verscheidene vlugge en behendige reizigers, waarbij ook de zwaan,
houden het leven door wisseling van woonplaats. Maar zelfs de zwaan,
die oneetbaar is en door den mensch ontzien wordt om zijne gratie en
schoonheid, de zwaan, vroeger zoo algemeen in Italië, aanhoudend genoemd
door Virgilius, is er nu zeldzaam geworden. Vergeefs zou men nu nog die
kloeke vloten zoeken die met hun zeilen de wateren van den Mincio, de
moerassen van Mantua bedekten; de vogels, die Phaëton beweenden in de
schaduw van zijne zusters, de tot elzen geworden Heliaden; die in hun
grootsche vlucht de sterren naderden, hun den naam Varus toezingend
met harmonieus geluid! Die zang, in de oudheid zoo veel geroemd, is
hij een fabel? Waren de organen voor den zang bij den zwaan zoo sterk
ontwikkeld, hem altijd onnut? Hebben zij niet gewerkt in een tijdperk
van gelukkige vrijheid, toen hij nog leefde in milder atmosfeeren en
het grootste gedeelte van het jaar doorbracht in het zachte klimaat
van Griekenland en Italië? Men zou het gaarne gelooven. De zwaan,
teruggedrongen naar het Noorden waar hij verborgenheid en rust voor zijn
liefdeleven vond, heeft zijn zang geofferd voor den kreet der barbaren
en werd stom. De Muze ging, de zwaan bleef. En de kraanvogel, die als
intellectueel type van deze soort het hoogste staat, die gezellig is, en
orde en beleid kent en veel hulpbronnen heeft, en die zou moeten tieren
en overal stand houden in zijn oud gebied, heeft twee koninkrijken
verloren, Frankrijk dat hem nog maar alleén op den trek ziet, en
Engeland waar hij het nu nauwelijks meer waagt te nestelen. De reiger
was in den tijd van Aristoteles vol energie en wijsheid; de oudheid
raadpleegde hem over de kansen van het weder als ware hij de eerste der
waarzeggers. In de middeleeuwen, hoewel vervallen, behield hij zijne
schoonheid, zijn vlucht, die den hemel zoekt. Hij was nog een vorst, een
koninklijke vogel, en koningen zagen in hem een koningsbuit en een doel
voor den nobelen valk. En zóó hardnekkig werd hij gejaagd dat hij onder
Frans I reeds begon zeldzaam te worden. Deze koning hield hem om zich
heen te Fontainebleau en had er reiger-kolonies. Twee of drie eeuwen
gaan voorbij, en Buffon gelooft nog, dat er nauwelijks een provincie
is zonder reiger-kolonie. In onzen tijd kent Toussenel er nog maar
één in Frankrijk, ten minste in het Noorden; in Champagne, tusschen
Reims en Epernay, verbergt het bosch een laatste schuilplaats voor het
liefdeleven van den armen eenzame. Eenzaamheid! Dat is zijn vonnis.
Minder gezellig dan de kraanvogel, minder familiaar dan de ooievaar,
schijnt hij zich zelfs terug te trekken van de zijnen. Kort en zeldzaam
slechts ontrukt hem de liefdedroom aan zijn somberheid. Het leven is
hem niet veel waard. In gevangenschap weigert hij dikwijls het voedsel
en sterft zonder klacht, zonder spijt.
De watervogels met hun ervaring en overleg, hun beheerschen van twee
elementen hadden het in hun goeden tijd verder gebracht dan de meeste
andere vogels, en verdienden door den mensch te worden ontzien. Iedere
soort had een verschillende eigenaardige verdienste. De kraanvogels
waren door hun mimische eigenschappen gezellig en vermakelijk.
De jovialiteit van den pelikaan en zijn vroolijk humeur, de
aanhankelijkheid van de ganzen, de goedigheid van den ooievaar en
zijn zorg voor zijne ouders, door zooveel getuigen bevestigd, vormden
tusschen die wereld en ons, banden van sympathie, die de mensch met zijn
barbaarschheid niet had mogen verbreken.
[Illustratie]
[Illustratie: DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.]
[Illustratie]
DE REIGERKOLONIES IN AMERIKA.
(ALEXANDER WILSON).
Het verval van den reiger is minder merkbaar in Amerika. Hij wordt
er niet zoo vervolgd. Er is daar afzondering en eenzaamheid voor hem.
Hij vindt er nog zijn dierbare moerassen, zijne duistere en bijna
ondoordringbare wouden. In gedempter licht is hij gezelliger. Tien tot
vijftien gezinnen nestelen er te zamen of op geringen afstand. De groote
ceders werpen het duister over de vale wateren; daar vinden zij hun rust
en hun welbehagen. In de hoogte van die boomen maken zij met stokken een
ruim terras, dat zij met kleine takjes bedekken; dat is de plaats voor
het liefdeleven van het gezin. Hier het rustig broeden, het uitkomen,
het leeren vliegen, en de ouderlijke lessen, die den jongen visscher
zullen vormen. Zij behoeven niet angstig te zijn, dat de mensch
hen in die schuilhoeken zal komen bestoken; zij wonen—vooral in de
Carolina's—niet ver van de zee, in lage modderige terreinen, zeer
gezocht door de gele koorts.
Een moeras, een oude zee- of rivier-arm, een door de terugtrekkende
wateren vergeten poel, een mijl breed, vijf of zes mijlen diep.
De toegang is niet bemoedigend: vooraan oude boomstammen, zuiver
rechtopgaand en zonder takken, vijftig of zestig voet hoog, kaal tot
aan den top, waar zij hun somber groen vereenigen en ineenstrengelen,
het water dekkend met angstig duister. En welk een water! Een dikke,
gistende massa, van bladeren en verwezen organismen laag op laag
dooreengemengd, vuilgeel gekleurd, waar bovenop een groen en schuimig
mos drijft. Ga verder: wat vaste grond schijnt, is een moeras, waarin ge
wegzakt. Bij iederen stap verspert een laurier u den weg; om voorbij
te komen, moet ge worstelen met zijn takken, met boomstronken en
altijd zich verjongende laurieren. Zeldzaam dringt wat licht door die
duisternis; in deze gevloekte oorden heerscht het zwijgen van den dood.
Behalve nu en dan een paar korte, weemoedige tonen van kleinere vogels,
of de schorre kreet van den reiger, is alles stom, verlaten. Maar laat
de wind zich verheffen, dan steunt en zucht de droeve reiger in de
boomtoppen. Komt de storm, dan zwiepen en stooten die groote, naakte
ceders, die kolossale masten; het geheele bosch loeit en brult en
gromt als waren het wolven en beren en roofdieren van alle soort.
Dus zagen omstreeks 1805 met verbazing, die reigers, zoo veilig
gevestigd, rondom hun ceders te midden van de moerassen een vreemde
verschijning zwerven, een mensch. Een enkele maar had de kracht hen
daar te bezoeken, een die geduld had en moed, een rustig maar gehard
reiziger, vriend en bewonderaar der vogels, ~Alexander Wilson~.
Indien dat reigervolk het karakter van den bezoeker had gekend, zouden
zij hem zeker te gemoet zijn gevlogen met kreten en wiekgeklepper, als
vriendengroet en broederlijke hulde.
In die vreeselijke jaren, toen de mensch den mensch vernietigde op
ontzettender wijze dan ooit te voren was geschied, leefde er in
Schotland een man des vredes.
[Illustratie]
Het was een arme wever te Glasgow, die in zijn vochtig somber verblijf
droomde van de natuur, van de oneindigheid der vrije wouden, en van het
gevleugelde leven vóóral. Zijn gedwongen zittend bestaan, werkte dat
verlangen naar vliegen en zweven in licht, op tot extase; en ware niet
de goddelijke gave van het vliegen in dit leven slechts een hoop en een
droom voor het volgend leven, ~Wilson~ had zichzelven vleugels gegeven.
Eerst trachtte hij bevrediging te vinden in boeken met gravuren, die
vogels heetten voor te stellen. Lompe, linksche karikaturen, die een
verkeerd begrip geven van den vorm en in 't geheel geen begrip van de
beweging; en wat is een vogel zonder de gratie van de beweging! Dat
hield hij niet uit. Hij nam een kort besluit; alles verlaten, zijn land
en zijn werk. Als een nieuwe Robison Crusoë, wilde hij door vrijwillige
schipbreuk zich tot banneling maken in de eenzame wildernissen
van Amerika, en dáár zelve zien, opmerken, beschrijven, teekenen.
Maar er viel hem in, dat hij noch teekenen, noch schilderen, noch
zelfs schrijven kon. En deze sterke geduldige man, die voor niets
terugschrikte, leert schrijven, heel vlug en heel goed. Een gemakkelijk
schrijver, een zeer nauwgezet kunstenaar, een zekere en subtiele hand,
scheen hij bij zijn moeder en leermeesteres, de Natuur, minder te
leeren, dan zich te herinneren. Zóó gewapend, werpt hij zich in de
wildernis, in de bosschen, in de ongezonde Savanna's; vriend van buffels
en dischgenoot van beren, levende van rauwe vruchten en slapend onder de
schitterende hemeltent. Waar hij een zeldzamen vogel ziet, blijft hij,
kampeert hij, maakt hij zich thuis. Waarom niet? Er is niets dat hem
terugroept, geen te huis, geen vrouw, of kind. Toch heeft hij een gezin:
de groote familie, die hij observeert en beschrijft. Ook heeft hij
vrienden: zij, die nog niet leerden den mensch te wantrouwen en die zich
op zijn boom neerlaten en met hem spreken. En daar doet gij wel aan, gij
vogels, gij hebt daar een trouwen en zekeren vriend; hij zal u nog meer
vrienden verwerven, die u zullen begrijpen. Was hij niet zelf vogel, in
zijn voelen en denken!
[Illustratie]
Er zal wel eens een jager komen en door uw wildernissen dringen; en als
hij een der uwen zal zien, schitterend van kleuren in zijn vlucht, zal
die vederenpracht hem verlokken; maar hij zal aan ~Wilson~ denken—den
vriend van ~Wilson~ dooden! Als die naam hem in de gedachte komt, zal
hij zijn geweer laten zakken.
Ik zie ook niet in, waarom men het vermoorden van vogels tot in het
oneindige zou voortzetten; ten minste wat de soorten betreft, die in
onze musea zijn en in de musea door Wilson beschreven en door d'Audubon,
zijn bewonderenswaardige leerling; diens prinselijk boek, dat èn het
geslacht, èn het ei, èn het nest èn het bosch, en zelfs het landschap
geeft, is een worsteling met de Natuur. Deze groote onderzoekers hebben
allen dezelfde eigenaardigheid. Hunne indrukken zijn zóó subtiel, zóó
nauwkeurig, dat algemeenheden hun niet voldoen: zij observeeren het
~individu~. De natuur bemoeit zich niet met onze klassificatie's, zij
schept een wezen en vermoeit zich niet over de grenzen, waarbinnen
wij onze soorten opsluiten. Zoo kent Wilson ook niet de vogels in 't
algemeen, maar een individu: van díen leeftijd met zúlke veeren in
déze omstandigheden. Hij kent hem, heeft hem gezien en weêr gezien;
hij zal u zeggen, wat hij doet, wat hij eet, hoe hij zich gedraagt;
een ondervinding, een anecdote uit zijn leven: „ik heb een specht
gekend,—ik heb dikwijls een wielewaal gezien—”
Als hij zoo spreekt, kunt gij op hem vertrouwen; het wil zeggen, dat
hij een geregeld verkeer met hen heeft onderhouden, een soort van
vriendschappelijken en familiaren omgang. Het ware te wenschen, dat wij
hen kenden met wie wij omgaan, zooals ~Wilson~ den vogel Qua kende en de
reigers van Carolina.
Het is duidelijk dat deze vogel-mensch, toen hij weer onder de menschen
terug was gekeerd, niemand vond, die hem wilde aanhooren. Die geheel
nieuwe oorspronkelijkheid van uiterst-nauwgezette waarneming; dat
zeldzaam vermogen tot individualiseeren, (het eenige middel om een
levend wezen naar waarheid weer te geven) juist die eigenschappen hebben
zijn welslagen in den weg gestaan. Nòch de uitgever, nòch het publiek
wilden iets anders dan fraaie, hooge en vage algemeenheden, getrouw aan
het recept van ~Buffon~: „generaliseeren is veredelen; neem dus het
algemeene woord.”
Tijd is er noodig geweest, en het is ook noodig gebleken dat dit genie
vóór zijn dood een ander gelijk genie had gevormd: den nauwgezetten,
energieken d'Audubon, wiens kolossaal werk het publiek verbaasd
en veroverd heeft; dat werk waarin hij bewijst, dat een juiste en
levendige wedergave van de individualiteit edeler en grootscher is,
dan de gedwongen voortbrengselen van de generaliseerende kunst. De
beminnelijkheid van den goeden ~Wilson~ op zoo onwaardige wijze miskend,
blijkt schitterend uit zijn mooie voorrede. Men kan haar kinderlijk
vinden, maar geen enkel onbedorven hart dat er niet door zal worden
getroffen.
[Illustratie]