Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vog

+-----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn |

| verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als #vet#. |

| Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~; |

| onderstreepte tekst als @onderstreept@. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder |

| accent, met/zonder afbreekstreepje, met/zonder extra spatie). |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

| De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit |

| e-boek op https://www.gutenberg.org/ |

| |

| Het origineel van dit e-boek is een vertaling vanuit het frans. |

| Een engelse vertaling is via Project Gutenberg beschikbaar |

| als e-boek no. 26009: https://www.gutenberg.org/ebooks/26009. |

| |

+-----------------------------------------------------------------+

DE VOGEL

WERELD-BIBLIOTHEEK

ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS

J. MICHELET

DE VOGEL

NAAR DE 8E FRANSCHE UITGAAF

BEWERKT DOOR MEVR. M. v. VLOTEN

MET DE OORSPRONKELIJKE ILLUSTRATIES

VAN H. GIACOMELLI

[Illustratie]

UITGEGEVEN·DOOR·DE

MAATSCHAPPIJ·VOOR

GOEDE·EN·GOEDKOOPE

LECTUUR—AMSTERDAM

VOORAF.

Toen ik bij de stichting onzer bibliotheek allerlei deskundigen

raadpleegde, over het eventueel opnemen van werken over onderwerpen,

waarover ik mezelf gansch-òndeskundig wist, was de heer JAC. P. THIJSSE

zoo vriendelijk mij een aantal werken over de ~Natuur~ op te noemen, en

daaronder ook die van den beroemden Franschen schrijver JULES MICHELET,

(van wien onze lezers een geheel ander werk kennen: „Martelaren van

Rusland”), nl.: _De Vogel_—_Het Insect_—_De Zee_.

Van het eerste kwam ik toen kort daarop een exemplaar tegen van de nu

zeer zeldzame uitgaaf met al de houtsneden van GIACOMELLI; terwijl Mevr.

M. VAN VLOTEN bereid bleek, de uiterst moeilijke taak op zich te nemen

om den Fransch-warmkleurigen tekst naar den aard van ons nuchterder

Nederlandsch over te brengen. Een werk van liefde voor de natuur en

den door zijn eigen sterke natuurliefde zoo sympathieken schrijver.

Deze 8ste Fransche druk, waarnaar de vertolkster haar bewerking gemaakt

heeft, dateert van 1867.—Deze twee cijfers worden gegeven om den lezer

te waarschuwen, indien de aard van de oorspronkelijke illustraties (die

wij, naar ons formaat ietwat verkleind, in onze uitgaaf brengen) met hun

romantisch waas het niet genoegzaam zouden doen, dat hij hier een werk

voor zich heeft uit een vroeger tijdvak, een werk niet van wetenschap

allereerst, maar van aandoening; openbaring van inzicht in de natuur,

waarbij het gevoel en de verbeelding den schrijver leidden meer nog dan

streng onderzoek, doch dat juist door die eigenschappen niet zal nalaten

des lezers liefde voor de natuur aan te wakkeren en hem te boeien door

de beschrijvingskunst van den dichterlijken prozaïst. Deze drie straks

genoemde werken van MICHELET hebben in de Fransche letterkunde der 19de

eeuw hun eigen plaats verworven; zijn er bijkans „klassiek” geworden.

Moge deze Nederlandsche bewerking ervan velen onzer landgenooten, die èn

de natuur èn de letterkunde liefhebben, doen meêgenieten van „den rijken

oogst der Natuur,” die den schrijver zelf, naar zijn opdracht aan zijne

echtgenoote, door háar bereid was.

Den heer THIJSSE, ook namens de vertaalster, onze hartelijke dank voor

het mede-nazien der proeven.

L. S.

[Illustratie: 1E DEEL.]

[Illustratie: HET EI.]

[Illustratie]

~HET EI.~

De ouden, in hun wijze onwetendheid, in hun helderziend instinkt,

spraken dit orakel:

„Het EI is het ~begin~; in het EI ontkiemt de Wereld.”

Eénzelfde oorsprong; maar het lotsverschil bepaalt de aard der Moeder.

Zij handelt en voorziet, zij is meer of minder Moeder. Is zij meer

Moeder, des te hooger stijgt het Wezen; ieder graadsverschil in het

Bestaan hangt af van den liefdegraad. Op de trap van het Bestaan bepaalt

de ~Liefde~ de trede.

Wat vermag de Moeder in het bewegend leven der visschen? Niets dan haar

ei toevertrouwen aan den Oceaan. Wàt kan zij in de Wereld der Insecten?

waar zij gewoonlijk sterft als het ei gelegd is? Een veilige plaats

vinden vóór zij sterft, waar het ei kan uitkomen en het leven zich

voortzetten.

Zelfs bij het hoogere, bij het viervoetige dier, waar de warmte van het

bloed een oorzaak voor geringer Liefde schijnt te moeten zijn, waar de

Moeder zelf, zóólang, voor het jong, nest en warme woning is, zijn de

zorgen van het moederschap ook zooveel minder. Het wordt geboren in

volkomen gedaante, is gekleed, gelijkt geheel op de Moeder; de melk,

reeds bereid, voedt het. En bij vele soorten neemt de opvoeding haar

loop, zonder dat de Moeder zich meer moeite geeft dan toen het jong

groeide in haar lichaam.

Anders de ~Vogel~; vond die geen liefde, het ware zijn Dood.

~Liefde?~—Iedere moeder heeft lief, van den Oceaan tot de sterren. Maar

ik denk aan ~zorg~, aan het omgeven-zijn door meerdere liefde, omwikkeld

door de warmte van het moederlijk magnetisme.

Zelfs in het ei, behoed door de kalkschaal, is het jong zóó gevoelig

voor de inwerking van koude lucht, dat ieder plekje, in het ei verkoeld,

een lid kost aan het wordend vogeltje. Vandaar dat lang en rusteloos

werk—het broeden; de gewilde gevangenschap, de onbewegelijkheid van het

bewegelijkste aller wezens. En dat alles zoo smartelijk! Als een steen,

gedrukt tegen het naakte vleesch.

Het vogeltje wordt geboren; maar het is ~naakt~. De kleine viervoet,

geheel gekleed, kruipt, loopt onmiddellijk; maar het vogeltje—ten

minste bij de hoogere soorten—ligt op den rug, veerloos, onbewegelijk.

En nìet alléen door bedekkend koesteren met haar lichaam, behoudt de

moeder de warmte; maar ze wekt ze zelfs op door zorgzaam wrijven. Het

veulen kan zuigen en voedt gemakkelijk zichzelf; het vogeltje moet

wachten tot de moeder het voeder zoekt, kiest, bereidt. Zij kan niet

weg, de vader zal voorzien! Ziehier het rechte Gezin: Trouw en Liefde,

en het eerste schijnsel van het zedelijk Licht.

Ik zal nu niet spreken van een zéér moeilijke, langdurige en gevaarvolle

opvoeding: het leeren vliegen, en het, bij de echte zangers zoozeer

subtiele, leeren zingen. De viervoet weet spoedig wat hij weten moet: er

zijn er die galoppeeren van af hun geboorte!—En is een neerkomen op het

zachte gras hetzelfde als een zich werpen in de ruimte?

[Illustratie]

Nemen wij het ei in de hand. Deze ellips, zoo eenvoudig, zoo

begrijpelijk, zoo sierlijk, de vorm, die het minst vat geeft op een

vijandigen aanval, het is ons als een harmonische wereld in het klein,

een absolute harmonie, waar niets af te nemen, niets aan te vullen is.

Bij anorganische stoffen zal men moeilijk dien vorm aantreffen. Men

voelt onder dien levenloozen schijn, een hoog levensmysterie, het werk

van God in Zijn volmaaktheid.

Wat is het? en wat moet er uit ontstaan? Gij kunt het niet zeggen? Maar

Zìj weet het, zìj, die daar, de vleugels uitgebreid, in sidderend

wachten het omgeeft en rijpen doet door haar warmte; zìj, die tot nu

toe vrij en koningin der lucht, haar leven schiep naar haar lust; nu

plotseling een gevangene, zich doemend tot onbewegelijkheid op dat

stomme voorwerp, dien ~steen~, waar niets nog de toekomst openbaart.

Spreek niet van blind instinkt! Feiten zullen doen zien, hoe dat

helderziend instinkt zich wijzigt naar de omstandigheden, met andere

woorden: hoe dit begin van ~Rede~ in aard weinig verschilt van de hooge

Rede bij den mensch.

Ja, deze moeder is door de intuïtie der ~Liefde~ wetend en voorziend

geworden. Door die harde kalkschaal heen, waar onze ruwe hand niets

vermag te voelen, daar voelt zij met een subtiele takt, het mysterieuse

wezen, dat er zich vormt en voedt, en gesterkt door dàt voelen verdraagt

zij de moeilijke taak van het broeden, de lange gevangenschap. Zij ziet

het jonkje, zoo aanvallig teer in het eerste dons, zij vóórziet het,

door haar hopen, zooals het worden zal, een forsche en krachtige vogel,

aanblikkend de zon en de vleugels spreidend tegen den orkaan. Laten

wij ons dien langen tijd ten nutte maken! Haasten we ons niet, en laat

ons rustig beschouwen, dat bekoorlijke beeld van dien moederdroom, dat

tweede baren, waardoor zij het onbekend voorwerp van hare liefde, dat

onzichtbaar kind van haar verlangen tot volkomenheid brengt.

Treffend beeld, meer nog dan treffend,—subliem! Ons past hier

bescheidenheid. Bij ons bemint de moeder, wat zich al in haar

beweegt, wat zij voelt, houdt, omgeeft in een zeker bezitten. Een

onomstootelijke realiteit heeft zij lief, een bewegelijk en bewegend

wezen, dat haar eigen bewegen volgt. Maar deze geeft haar liefde aan

de toekomst en het onbekende; haar hart klopt eenzaam en vindt geen

antwoord. Maar toch is haar liefde niet minder, en offert zich en

lijdt; tot den dood zou zij lijden voor haar droomen en haar gelooven.

[Illustratie]

Machtig alvermogend geloof, dat een wereld voortbrengt, de wonderbaarste

wereld misschien. Spreek mij niet van zonnen, van den chemischen bouw

der wereldbollen! Het wonder van een kolibri-ei is minstens het worden

van den Melkweg waard. Gelooft maar, dat dit kleine puntje, dat gij

onzichtbaar noemt, een zee is, een melkzee; daarin drijft als kiempje

de uitverkorene der luchten. Het drijft, vreest geen vergaan; oneindig

fijne hechtseltjes houden het zwevend, geen nood voor een stoot of

schok. Zachtkens drijft het in het lauwe vocht, zooals het drijven zou

op de lucht. Algeheele zekerheid, volkomen veiligheid, omgeven door een

voedende woning; en hoeveel volkomener is die voeding dan het zoogen!

Maar zie! in zijn Godsslaap heeft hij de moeder gevoeld, hare

magnetische warmte. En ook hij begint te droomen. Zijn droom is

beweging; hij maakt zich gelijk aan haar; zijn eerste doen, een doen

van onbewuste liefde, is haar gaan gelijken.

„Verandert niet de liefde altoos in Zich, 't beminde?”

En als hij gelijk is aan haar, wil hij tot haar gaan. Hij neigt zich,

hij buigt dichter tot de schaal, het eenige wat hem nog van de moeder

scheidt. Dan luistert zij; soms heeft zij 't geluk zijn eerste piepen

te hooren. Hij kan niet meer blijven, hij wil, hij heeft een snavel en

gebruikt dien. Hij stoot, vijlt, doorbreekt den muur van zijn kerker.

Hij heeft pootjes en staat... Zijn arbeid is begonnen... Zijn loon is de

verlossing. Hij is vrij.

De verrukking, de aandoening, de verwonderlijke onrust, al de zorgen

van de moeder, wij zullen ze hier niet bespreken; wij noemden reeds de

groote moeielijkheden van de opvoeding. Zijn inwijding in het leven,

moet door tijd en teederheid geschieden.

[Illustratie]

Bevoorrecht door het vliegvermogen is hij het nog meer door het tehuis,

waarin hij zijn leven begint, door de moeder die hem kweekte; door háár

gevoed, door zijn vader geleerd, is dit wezen, vrij boven allen, ook

nog de gunsteling der Liefde.

Wie de vruchtbaarheid van de Natuur bewonderen wil, haar rijkdom van

vinding, zoo bekorend, maar ook zoo schrikwekkend; een vindingskracht,

die uit ééne creatie millioenen van tegengestelde wonderen doet

ontstaan—hij beschouwe dit ei, zoo gelijk aan een ander, waaruit toch

de oneindigheid van stammen zal voortkomen, die gevleugeld de wereld

zullen bevolken.

Uit die geheimnisvolle éénheid gooit zij uit, verbreidt zij, als

stralen, in aantal onberekenbaar, wonderbaar afwijkend, de gewiekte

vlammen, die wij vogels noemen, vlammen van vurigheid en leven, van

kleur en zang.

Gloeiende scheppingsdrang schudt dien immensen wonderwaaier van

verpletterende verscheidenheid, waar alles schittert, alles zingt, een

overstelpende stroom van harmonie—en wij sluiten de oogen—verblind!

Gij melodieuse vonken van het hemelvuur, hoevèr reikt gij niet! Voor u

geen hoogten, geen afstand; lucht en afgrond is voor u één. De hoogste

wolk, het diepste water, gij bereikt hen. De aarde in haar geheelen

omtrek, in haar ontzaglijken omvang, haar zeeën, haar bergen, haar

dalen, het is alles uw rijk! Ik zie u fonkelen in de tropen, gloeiend

als zonnestralen. Ik hoor u in het eeuwig zwijgen der polen, waar het

leven ophoudt, waar het laatste mos is uitgestorven; te ver zelfs voor

den beer, die zich grommend terugtrekt. Maar gij blijft, gij leeft, gij

hebt lief, gij getuigt van God, gij brengt warmte in verstijving. En

in die aardsche woestenijen, waar de natuur nog barbaarsch is, komt gij

en tempert die woestheid met de kinderlijke onschuld van uw roerend

liefdeleven.

[Illustratie: DE POOL.

DE VOGEL-VISCH.]

[Illustratie]

~DE POOL.~

DE VOGEL-VISCH.

De machtige fee Verbeelding, bewerkster van zooveel van der menschen

welzijn en wee, toovert ook voor hen de natuur in duizenderlei valschen

schijn. Bij alles wat hun kracht niet te meten vermag, wat hun voelen

beleedigt; in alles wat is, omdat de wereld-harmonie het beveelt, ziet

de mensch gaarne een boozen wil, dien hij vloekt. Er is een schrijver,

die een boek schreef tegen de Alpen. Een dichter plaatste dwaselijk

den troon des kwaads op die gezegende gletschers, die de groote

waterbehouders zijn van Europa, die het zijn stroomen uitgieten en het

zijne vruchtbaarheid geven.

Een nóg redeloozere, vervloekte het pool-ijs, miskennend de prachtige

économie van den aardbol, het majestueus balanceeren van die wisselende

stroomingen, die het ~Leven~ zijn voor den Oceaan. Zij hebben krijg en

haat gezien, en boosaardigheid van de Natuur, in de volkomen vreedzame

regelmaat van beweging der Al-Moeder.

Zoo droomen de menschen. Bij de dieren niet die afkeer, die vrees; maar

een dubbele drift drijft hen jaarlijks naar de polen in onafzienbare

massa.

Vogels, visschen, reusachtige cetaceeën trekken jaarlijks op, om de

zeeën en de eilanden te bevolken, die de Polen omgeven. Verwonderlijk

vruchtbare zeeën, overvol van beginnend- (als zooöphyten) en gistend

leven, wateren, troebel van vischkuit en vischgebroed, en kiemen van

ontelbare soorten. De beide polen zijn gelijkelijk voor die onnoozele

scharen van rusteloos vervolgden, plaatsen van bijeenkomst, waar zij

liefde vinden en rust.

De walvisch, arm vischdier, die toch zoete melk en warm bloed heeft, als

wij; die rampzalige verbannene, die weldra zal zijn uitgestorven; dáár

alléén is zijn eenige wijkplaats, zijn halt voor het heilig oogenblik

van moederschap en zoogen. Geen ras is goediger en zachtzinniger,

verdraagzamer voor de hunnen, teederder voor hun kroost. Wreed in zijn

onkunde is de MENSCH. Hoe is het mogelijk dat hij de robben, hem zóó

verwant kan dooden zonder afgrijzen!

De mensch-reus, bewoner van den ouden Oceaan, de Walvisch, dat

wezen even zachtmoedig als de ~Mensch-dwerg~ barbaar is, heeft ook

nog dàt op hem voor, dat hij het verdelgingswerk op diersoorten van

een beangstigende vruchtbaarheid, hem door de Natuur opgelegd, kan

volbrengen zonder zijn slachtoffers te pijnigen. Hij heeft geen tanden,

geen enkel van de marteltuigen, waarvan de wereldverwoesters zoo ruim

zijn voorzien. Het walvisch-aas, ingeslorpt en verloren in de duistere

diepten van dien bewegenden afgrond, ondergaat onmiddellijk een

scheikundig ontbindingsproces. Het meerendeel van de levende wezens,

die in hoofdzaak het voedsel uitmaken van de bewoners der poolzeeën,

walvischachtigen, vogels, visschen, heeft nog geen eigenlijk organisme

en niet het vermogen pijn te voelen. Daardoor verschijnen die dieren

voor ons in een sympathiek karakter van onschuld, roerend, en zelfs

benijdbaar. Gelukkig en gezegend die wereld, waar leven geen dood

vraagt, die wereld in veel opzichten vrij van smart, waar de voedende

wateren zijn als de melkzee, wreedheid onnoodig is, en het wezen als

geborgen in den schoot der Moeder!

In diepen rust lag de eenzaamheid dier poolzeeën, lagen hunne

tweeslachtige bewoners, voordat de mensch, de wreede, er kwam.

De twee tyrannen dier streken, ijsbeer en blauwe vos, waren gemakkelijk

te ontwijken in den schoot van die goede voedster, de zee, steeds gereed

om hen te ontvangen.

En toen het zeevolk er landde, was er maar één moeielijkheid: hoe door

die dichte drommen dier goedige robben te dringen, die hen nieuwsgierig

aankeken. De pingouïns van de Zuidpool, de vetganzen van het Noorden,

van een vreedzame bedaardheid en bovendien zeer slecht ter been,

verroerden zich niet. De ganzen, wier zeldzaam fijne en zachte

donsveeren het eiderdons leveren, lieten zich rustig naderen en met

de hand aanraken.

De houding van die onbekende wezens, was voor de zeelieden een bron van

grappige vergissingen. Toen zij in de verte die eilanden zagen, bedekt

met rechtopstaande alken in hun zwart en wit kleed, meenden zij groote

troepen kinderen te zien in witte boezelaars. Hun kleine armpjes—men

kan haast niet zeggen vleugels, bij dat begin van een vogel—hun

onbeholpenheid op den vasten grond, hun moeielijke gang: het verwijst

hen alles naar de zee, die voor hen, volmaakte zwemmers, het natuurlijk

en rechtmatig element is. Zij zijn als de geëmancipeerde kinderen van

den Oceaan, eerzuchtige visschen, die zich kandidaat stellen voor het

vogelschap en het er reeds toe brachten hun vinnen te doen veranderen in

een soort schubachtige vleugeltjes, echter zonder groot succes; want als

vogel machteloos en hulpeloos, blijven zij vlugge visschen.

[Illustratie]

Of ook, lettende op hun groote voeten, zoo dicht aan het lichaam, op

hun korten hals geplaatst op een grooten cylindervormigen romp, en hun

afgeplatten kop, zoo zou men hen haast beschouwen als maagschap van de

robben, van wie zij echter niet de intelligentie hebben, maar wèl den

goeden aard.

Deze eerstelingen van de Natuur, getuigen van de oude tijden der

transformatie, stonden daar als zonderlinge hieroglyphen voor hen, die

ze het eerst zagen; en hun oog zachtzinnig, maar strak en kleurloos als

het vlak van de Poolzee zelf, staarde op den mensch, den laatstgeborenen

der Planeet als van uit de verre diepten van hun oudheid.

[Illustratie]

Levaillant vond hen in massa op een onbewoond eiland niet ver van de

Kaap de Goede Hoop. Er was daar een grafteeken voor een arm Deensch

Zeeman. Deze bewoner van het hooge Noorden, dien het toeval aan de

Zuidpool zijn dood deed vinden, was door de geheele dikte van den

aardbol van zijn vaderland gescheiden. Robben en pingouïns hielden hem

in grooten getale gezelschap; de eerste liggend neergehurkt; maar de

pingouïns rechtop, hadden met waardigheid de wacht betrokken bij zijn

graf, en zij klaagden in eenstemmigheid met de klacht van den oceaan

men zou zoo zeggen, een doodenklacht.

Het winterstation is de Kaap. In het lauwe klimaat van hun Afrikaansch

ballingsoord, voorzien zij zich van een stevige vetlaag, die hen te pas

zal komen tegen kou en honger. En als de lente er is, voelen zij een

mysterieus iets, dat hun zegt hoe de dooi met zijn stormen de scherpe

ijskristallen heeft gebroken en gesmolten, en dat de poolzeeën, hun

eigenlijk vaderland, waar zij geboren werden en waar hun heerlijk

liefdeparadijs zal zijn, weer voor hen openstaan.

[Illustratie]

Nu werpen zij zich in zee, en met krachtigen roeislag leggen zij vijf-

of zeshonderd mijlen af, bijna zonder rust, behalve op een enkele

drijvende ijsschots, waar zij zich soms een oogenblik neerzetten. Zij

komen, en vinden alles bereid; en een zomer van dertig dagen brengt hun

het geluk; maar een streng geluk! want om volkomen vrede te vinden,

moeten zij de zee verlaten, die alléén hun voedsel verstrekt.

Die tijd van liefde en broeden is een tijd van onrust en vasten. Hun

vijand, de blauwe vos, vervolgt hen in de eenzaamheid; maar eendracht

maakt macht: een heirleger van wakende vaders, gereed om zich te

offeren omringt de gezamenlijk broedende moeders. En als éénmaal het

jong uitkomt, en door de gesloten gelederen wordt meegevoerd, dan gooit

het zich in zee en is gered!

Sombere streken! Maar men krijgt ze lief, ziende hoe daar de Natuur

teederlijk het leven siert van mensch en vogel met liefde en toewijding.

Het Noordsch tehuis verkreeg van haar een zedelijk schoon, dat men in

het Zuiden zelden vindt. Een zon verwarmt het, die niet de zon der

tropen is, maar een mildere, de zon der ziel. En de zedelijke waarde

van het schepsel stijgt, door het gevaar en de ruwheid zelve van het

klimaat.

Een uiterst pogen heeft in die wereld, die niet de wereld van het

Schoone is, het Schoone voortgebracht. Dat wonder wrochtte het

moederhart. In Lapland is maar één Kunst, één éénig Kunstwerk—de Wieg.

„Het is iets zeer bekoorlijks,” verhaalt een dame, die die streken

bezocht heeft, „zoo sierlijk en bevallig als een aardig klein schoentje,

gevoerd met het zachte dons van den witten vos, dat teederder is dan

zwanedons. Van het kapje, waarin het hoofdje veilig besloten ligt, warm

en zacht, hangen kleurige koralen kettingjes af en hangertjes van zilver

of koper, die aanhoudend rinkelen en door hun aardig geklingel het Lapje

doen lachen.”

Wonder Moederschap! Zoo wordt de minst beschaafde vrouw, nadenkend,...

kunstenares... En het moederdier is heldhaftig. Niets zoo treffend te

zien als de eidergans, hoe zij haar dons uitrukt, om er haar jong in te

nestelen. En als de mensch—de wreedaard—komt en het nest besteelt,

begint de moeder de zelfmarteling op nieuw; en als zij geheel afgeplukt

is, als zij niets meer te geven heeft dan vleesch en bloed, dan geeft

de vader zijn dons, en zoo wordt het jong als van hen gekleed, van hun

lichaam, van hun toewijding en smart.

Zoo placht Montaigne treffend te zeggen—en dit aandoenlijk feit van

het eidernest herinnert mij er aan—sprekende van een mantel, dien zijn

vader gedragen had, en dien hij daarom ook gaarne droeg: „Ik bekleedde

mij met mijn vader.”

[Illustratie]

[Illustratie: DE VLEUGELS.]

[Illustratie]

~DE VLEUGELS.~

Vleugels! Vleugels! om te vliegen!

Over berg en dal

Vleugels om mijn hart te wiegen.

In den eersten straal!

Vleugels! over zee te zweven!

Met het morgenrood!

Vleugels! vleugels! over 't Leven,

Over graf en Dood!

RÜCKERT.

Zoo roept al wat op aarde is en in de wereld en in het leven. Het is de

kreet van alle diersoorten, van vele plantvormen, in alle talen. Ja, de

steen zelfs en geheel de anorganische wereld schijnt door dien drang

bezeten. Want beweginglooze stof neemt gretig de chemische transformatie

aan en laat zich meevoeren in den levensstroom, als op vleugels van

gisting en beweging.

En de plant, onbewegelijk op haar vasten wortel, richt haar inwendig

liefdeleven op een gevleugeld bestaan, en draagt het op aan den wind en

de golven en aan de insecten-wereld, die haar vruchten zullen wegvoeren

als in de gevleugelde vlucht, háár door de Natuur ontzegd.

Met mededoogen zien wij naar den „Luiaard” den „Traaglooper” dat dier

in wording, het pijnlijke beeld van den Mensch; dat geen voet verzet,

zonder klagend zuchten. Den naam, dien wij voor hem uitdachten, mochten

wij wel voor ons zelf houden.

Wanneer die Traagheid doelt op het steeds falende pogen tot voortgaan,

vooruitkomen, handelen, dan is de ware ~Traaglooper~, de Mensch. Want

het vermogen zich van den eenen kant van de aarde, naar den anderen te

sleepen, de vernuftige uitvindingen, die hem daarin helpen, dat alles

kon hem niet ontnemen dat hij aan de aarde is vastgeklonken, gebonden

door de Tyrannie van de zwaartekracht. Slechts ééne klasse van wezens,

zie ik op de aarde, die zich vrij en snel bewegen, ontkomen aan den

algemeenen jammer van onmachtig verlangen. Dat zijn zij, die alleen

„de aarde raken met een vleugelspits”. Zij, die de lucht zelve, draagt

en balanceert; en veelal kost het hun geen andere inspanning dan het

besturen van hun vlucht, naar nooddruft of gril het aangeeft.

Licht en schoon bestaan! Wat moet zelfs de minste van de vogels met

verachting neêrzien op de sterksten en vlugsten der viervoeters, leeuw

en tijger. Hij spot met hun onmacht, gekleefd, geklonken als zij zijn

aan den grond, die trilt onder hun nutteloos gebrul, hun machteloos

nachtelijk zuchten; wel getuigt dat van de Knechtschap van den

zoogenaamden Koning der dieren; gekluisterd is hij zooals wij allen het

zijn, aan een minwaardig bestaan, door honger en zwaartekracht ons

opgelegd.

[Illustratie]

O, de fataliteit van de materie! de fataliteit van eene beweging, die

ons doet slepen over de aardvlakte. Die zwaarte, waaraan geen ontkomen

is, die onze voeten vóór en na herinnert aan het logge, grove element,

waar de dood ons zal doen ingaan, zeggende: „Zoon der Aarde, gij behoort

de Aarde! een oogenblik uit haar opgerezen zult gij weer in haar moeten

verzinken, voor wèl langen tijd!”

Rekenen wij het der Natuur niet aan: het is zeker, dat wij een wereld

bewonen, die nog zéér jong, zéér barbaarsch is; een proef- en leerschool

in de sterrenreeksen, een aanvangshalte op den langen weg der groote

inwijding. Deze aardsfeer is een kindersfeer. En gij mensch, gij zijt

een kind! Maar uit deze school voor beginnelingen moet gij bevrijd

worden. Schoone en machtige vleugels zullen u geworden. Gij moet hier

in het zweet uws aanschijns een graad halen tot het verkrijgen der

Vrijheid.

Laat ons een proef nemen. Vragen wij het vogeltje, nog in het ei, wat

het worden zal; de keuze is aan hem: „Wilt ge mensch zijn, en deelen

in het Koningschap over de aarde, dat verkregen wordt door Arbeid en

Kunst?”

En hij zal „Neen!” antwoorden, twijfel daaraan niet! Zonder nog in

rekening te brengen het zwoegend pogen, de zorg en druk, het slavenleven

waarmee wij ons koningschap koopen, heeft hij maar één antwoord te

geven:

„Ik, Koning geboren, koning van ruimte en licht, wat zou ik afstand

doen, daar de Mensch, wenschende het allerhoogste, het uiterste van

geluk en vrijheid, droomt een vogel te willen zijn en te vliegen met

vleugels!”

Alleen in zijn eersten, besten tijd, in het rijke jonge bestaan, in den

droom der jeugd, is de mensch wel eens zoo gelukkig zijn menschzijn te

vergeten, te vergeten, dat hij slaaf is van de zwaartekracht en vastzit

aan de aarde.

Ziet hem zijn vlucht nemen en zweven in de ruimte! Hij beheerscht de

wereld, hij zwemt in zonnelicht. Hij voelt het immense genot, met één

blik een oneindigheid van dingen te omvatten, te voren slechts in détail

gezien; en wat duister scheen en zonder samenhang, wordt nu verlicht en

één, door 't overzien. Ha! zoo de wereld te omvatten en lief te hebben!

welk goddelijk-schoon visioen! Neen, wek mij niet... wek mij nooit!...

Ach, de dag komt, met gedruisch en arbeid! Zware ijzeren hamers bonzen

met dreunenden metaalklank; in mijn ooren dringt het klokgelui, ik word

onttroond, neergesmakt, mijn vleugels versmelten. Logge aardstof, val ik

op de aarde neer, en gekneusd, gebogen, neem ik den ploeg weer op.

[Illustratie]

Toen tegen het einde der vorige eeuw, de mensch de vermetelheid had,

zich over te leveren aan den wind, in de lucht te stijgen, zonder roer,

zonder riemen, zonder mogelijkheid van besturen, toen liet hij het

verkondigen dat hij eindelijk vleugels had, dat hij de Natuur had omgaan

en de zwaartekracht overwonnen.

Maar door tragische gebeurtenissen werd dat stout vermeten

gelogenstraft. Men had de vleugels bestudeerd, om ze na te bootsen;

een grove namaak van het onnavolgbaar mekaniek, was het resultaat.

En wij zagen sidderend hoe een arme menschenvogel, gewapend met énorme

vleugels, zich van een honderd voet hooge kolom in de lucht slingerde,

even bleef fladderen, en zich toen te pletteren viel.

Het mislukt en noodlottig fabrikaat stond ondanks zijn doorwrocht

samenstel te ver af van dien verwonderlijken arm, die met zijne

krachtige en snelle beweging, verkregen door zijn onderling samenwerkend

spierstelsel, den menschelijken arm zoover overtreft. Den menschvleugel,

los en onsamenhangend, ontbrak het in hoofdzaak aan den krachtigen

spier, die den schouder verbindt aan de borst, en den geweldigen

vleugelslag voortbrengt bij de luchtverslindende vlucht van den valk.

Het werktuig is zoo één met de beweegkracht, de riem met den roeier,

dat de gierzwaluw, de fregatvogel, 80 mijlen maken in het uur; zij

overtreffen den orkaan, en alléén de bliksem is hun mededinger.

Maar al hadden die arme navolgers den vleugel zonder fout

nageconstrueerd, er ware nog niets gewonnen. Men imiteerde den vorm,

maar niet de inwendige structuur. Men geloofde, dat de vogel zijn

vermogen tot opstijgen enkel aan zijn vleugels te danken had, onbekend

met het geheim van het hulpmiddel, dat de Natuur in beenderen en veeren

heeft verborgen.

Het mysterie, het ~wonder~ is, dat zij den vogel het vermogen gaf,

lichter of zwaarder te zijn, naar zijn wil; meer of minder lucht op

te nemen, in de tot dat doel ingerichte réservoirs. Om zich lichter

te maken, vermeerdert hij zijn volume, door zich op te zwellen en

vermindert zoodoende zijne betrekkelijke zwaarte, stijgt dus op in een

middenstof, die zwaarder is dan hijzelf. Om zich neer te laten, maakt

hij zich kleiner, enger, door de lucht, die hem opblies uit te drijven,

dus zwaarder, zoo zwaar als noodig is. In dàt punt had men gefaald, daar

school de noodlottige onwetenheid. Men kende den vogel als een schip,

maar niet als een ballon. Men volgde alleen den vleugel; maar de

vleugel, hoe volmaakt nagebootst, als hij dat inwendig vermogen mist,

is een zeker middel tot verderf.

[Illustratie]

Maar dat vermogen, dat vlugge spel van lucht innemen en uitdrijven, dat

zweven op willekeurig verwisselbaren ballast, waarop berust dat?

Op een ongehoorde, ongelooflijke kracht van adem. De mensch, kreeg hij

zooveel lucht opeens naar binnen, zou onvermijdelijk moeten stikken.

Maar de machtige elastieke longen van den vogel vullen, drenken zich met

kracht en met wellust, zenden de lucht in golven naar de beenderen en

de luchtcellen.

Iedere ademtocht vernieuwt de bliksemende snelheid, van seconde tot

seconde. Het bloed zonder òphouden versterkt door nieuwe lucht, verleent

de spieren hun onuitputtelijke kracht, een kracht bij geen ander

schepsel aanwezig, en alléén den elementen eigen.

Het logge beeld van Antaeus, die zijn krachten vernieuwt, als hij de

aarde, zijn moeder, beroert, geeft, hoewel zwak en grof een begrip van

deze werkelijkheid. De vogel behoeft de lucht niet te zoeken om ze aan

te raken en kracht te herkrijgen: de lucht vindt hem en doorstroomt hem,

en onophoudelijk vernieuwt zij den gloed van zijn hel brandend

levensvuur.

Dit is het wonder, en nièt de vleugel. Hadt gij den vleugel van den

Condor, en volgdet gij hem, als hij van de toppen van den Andes met hun

Siberische gletschers neerschiet, neervalt, op de gloeiende kusten van

Peru, doorsnijdend in één minuut de temperatuur van alle klimaten, in

één adem, die vervaarlijke massa lucht innemend—gloeiend of ijzig wat

deert het hem?—vernietigd zoudt gij zijn!

De sterkste viervoet wordt hier door het kleinste vogeltje te schande

gemaakt. „Keten een leeuw in een luchtballon,”—zegt Toussenel—„zijn

dof gebrul zal zich verliezen in de ruimte.”

Hoeveel machtiger stem en adem van den kleinen leeuwerik, als hij

stijgend zingt; men hoort hem en ziet hem niet meer. Het blij en lustig

kweelen gaat zonder moeite, het kost hem niets; het schijnt wel de

vreugd van een luchtgeest, die de aarde troosten wil.

Kracht geeft vreugd, en het vreugdevolste van alle wezens is de vogel,

omdat hij zich sterk gevoelt boven zijn actie uit; omdat hij gewiegd,

gedragen wordt door den adem des hemels; hij zweeft en stijgt zonder

moeite, als in een droom.

Als een roes van goddelijk geluk is die onbegrensde kracht, het subliem

vermogen, bij de geringe schepsels als verborgen, bij de vogels helder

en levend, naar willekeur zijn kracht te kunnen putten uit de Moeder

zelve, en het leven in te zwelgen bij stroomen.

Niet hoogmoedig noch onvroom is de natuurlijke drang van alle wezens

te willen gelijken op de Al-Moeder, zich naar haar beeld te vormen, en

met de onvermoeide vleugels der eeuwige Liefde de aarde koesterend te

omgeven.

Hierop grondt zich de traditie der menschen. De mensch wil geen mensch

zijn maar een vogel, een gevleugeld God. De gevleugelde geesten der

Perzen zijn de cherubim van Judea.

Griekenland gaf vleugelen aan zijn Psyché, aan de ziel. De ziel heeft

hare vleugelen behouden. Zij doorvloog het duister der Middeneeuwen, en

stijgt met de tijden. Duidelijker en vuriger uit zich het verlangen,

dat opwelt uit het diepst van de menschelijke Natuur, dat wordt tot

een profetischen drang. „O ware ik een vogel!” spreekt de mensch. De

vrouw is er zeker van dat haar kind een engel zal worden. Zoo heeft

zij het gezien in haar droomen. Droom of waarheid!.... Gevleugelde

droomen! Verrukkingen van den nacht, die wij des morgens beweenen!

indien het toch zoo ware! indien gij leefdet! Als wij eens niet

verloren hadden, wat wij steeds betreuren, en het misschien ons ware

gegeven de eeuwigheid te doorvliegen van ster tot ster, allen te zamen

vereenigd door de oneindige Goedheid als in een pelgrimstocht! Er zijn

oogenblikken waarin men denkt, wanneer iets ons zegt, dat die droomen

geen droomen zijn, maar aan de ware wereld onttogen, tot ons gekomen;

een Licht even schemerend achter den nevel van het op aarde zijn—zekere

beloften! En wat reëel scheen is de booze Droom.

[Illustratie]

[Illustratie: EERSTE POGEN DER VLEUGELS.]

[Illustratie]

EERSTE POGEN DER VLEUGELS.

Wie ons Parijsch Museum van natuurlijke historie bezoekt, ongeletterd of

onwetend, oververzadigd van geest of ongevoelig, hij zal een oogenblik

worden bevangen door eene gewaarwording van eerbied, en zelfs schroom.

Dezen indruk geeft, voor zoover ik weet, geen vreemde verzameling.

Andere, zooals het schitterend Museum te Leiden, zijn misschien rijker

in soorten, maar niet vollediger, niet harmonischer. Die grandiose

eenheid wordt instinctief gevoeld, grijpt aan, imponeert. De achtelooze

reiziger, de toevallige bezoeker, voelt zich onverwacht getroffen. Hij

blijft staan en peínst.

Plotseling geplaatst tegenover dit groote raadsel, die immense

hieroglyph, zouden wij zoo gaarne een karakter ontcijferen, een teeken

uitvinden. Hoe dikwijls is het gebeurd, dat een werkman, een man uit

het volk, verbaasd en onthutst stond door eenigen bijzonderen vorm

en ons naar de beteekenis vroeg. Een enkel woord hielp hem op weg, een

eenvoudige aanduiding stelde hem tevreden; hij vertrok voldaan, en

beloofde terug te komen; terwijl anderen, die in die zee van onbekende

voorwerpen niet begrijpend ronddoolden, ontmoedigd en vermoeid weer

heengingen.

Hopen wij, dat de verlichte, en wetenschappelijk zoo hoog geplaatste

administratie, weer terug zal komen tot de oorspronkelijke statuten van

het Museum, die ~verklarende bewakers~ aanwezen, en alléén door hen, die

de schatten, die zij hoedden begrepen, ze lieten vertolken.

En een tweede wensch is, dat men naast afbeeldingen van

natuuronderzoekers, moge plaatsen, de beeltenissen van kloeke

zeevaarders, onversaagde reizigers, die hun leven waagden, duizendmaal,

onder moeitevollen arbeid, om ons die schatten te kunnen bezorgen.

Waardevol in zichzelf, wordt de waarde daarvan onschatbaar, door den

heldenmoed en zielegrootheid van hen, die voor ons die schatten hebben

gewonnen. Dat allerliefste kolibrietje, gevleugeld safier, Mevrouw, voor

u niet dan een simpel sieraad; weet gij, dat een Azara, een Lesson het

meê brachten uit doodademende wouden? Die tijger, wiens schilderachtige

huid gij bewondert, weet, dat de onversaagde Levaillant hem in de jungle

heeft moeten opsporen, zich met hem heeft moeten meten in behendigheid

en kracht, om hem met zijn kogel den schedel te doorboren. Die kloeke

reizigers, in hun gloeiende natuurvereering, zonder middelen, zonder

bijstand dikwijls, zijn hem gevolgd in zijn woestenijen, hebben hem

verrast en gadegeslagen in zijn geheime schuilplaatsen; honger en dorst,

ongelooflijke ontberingen hebben zij zich opgelegd zonder klagen, hun

belooning vonden zij in hun werk. Liefde en dankbaarheid vervulden hen

bij iedere nieuwe ontdekking. En betreurd hebben zij niets; niet eens

den dood van la Perouse, van Mungo Park den dood door schipbreuk, den

dood onder barbaren!

Dat zij herleven, hier te midden van ons! Heeft zich hun eenzaam leven

afgespeeld ver van dat Europa, dat zij dienden, dat dan hun beeld zich

bevinde te midden van eene erkentelijke menigte. Hun beeltenis, met een

korte aanduiding van hunne gelukkige ontdekkingen, van wat zij waagden,

wat zij verdroegen. Misschien dat menig jongeling door die heldentypen

getroffen, den geest van hen vervuld, den drang zal voelen hen na te

volgen.

Want dit maakt deze plaats dubbel groot: Helden vonden en verzonden

deze schatten, groote mannen ontvingen, schiften, plaatsten ze tot een

harmonisch geheel. Tot hen kwam dit alles, als tot een wettig centrum;

hun plaats in de Maatschappij, hun genie maakten het hun mogelijk hier,

als het ware, de Natuur te centraliseeren. In de vorige eeuw was het

middelpunt der groote wetenschappelijke beweging een man van genie,

van gewicht, drievoudig: door rang, betrekkingen en fortuin, den graaf

de ~Buffon~. Alle giften van geleerden, reizigers, koningen, kwamen

tot hem, deelde hij in, in het Museum. In onzen tijd boeide een nog

grootscher schouwspel de aandacht der natiën aan deze plaats; twee

immense geesten, neen, meer nog, twee stelsels,—Cuvier en Geoffroy,

hebben er gekampt. Ieder koos partij, ieder zond proeven, vóór of tegen,

naar het Museum; boeken, dieren of nieuw gevonden feiten. Zoo bleek er

nog leven te zijn in die doode verzamelingen; zij trilden nog na van den

strijd, bezield door de groote geesten, die al die wezens tot getuigen

aanriepen bij hun vruchtbaar tweegevecht.

Ook is de schikking van die verzamelingen geen toevallige. Het zijn zeer

volledige seriën, samengesteld door groote denkers. De merkwaardigste

overgangen zijn er rijkelijk vertegenwoordigd. Hier kan men beter dan

elders de uitspraak bevestigd zien van Linnaeus en Lamark: naar mate

zich de Musea verrijken, aanvullen, minder gapingen vertoonen, zal

men moeten inzien, dat de Natuur ~niet~ in sprongen werkt, maar met

geleidelijke onmerkbare overgangen. Waar wij in haar gewrochten, een

sprong, een leemte, een plotselingen onharmonischen overgang meenen te

ontdekken, daar mogen wij ons zelf beschuldigen: die gaping is onze

~onwetenheid~.

Verblijven wij een oogenblik bij een van die plechtige momenten, als

in het nog onzekere leven eene weifeling is, als de Natuur zichzelve

schijnt te ondervragen en haar wil te zoeken. „~Zal ik visch of zoogdier

zijn?~” spreekt het wezen; hij aarzelt en blijft visch, maar met warm

bloed. Het is het goedige, zachtaardige geslacht der zeekoeien en

robben. „~Zal ik vogel of viervoet wezen~,” veelomvattende vraag,

verwarrende weifeling, lange en wisselende strijd. Al de ontknoopingen

worden ons verhaald, de verschillende oplossingen van naïef gestelde

problemen, gerealiseerd, door bijzondere wezens. Het vogelbekdier, dat

van den vogel alléén den bek heeft; de arme vleermuis, onschuldig en

teeder wezen in zijn familieleven; zijn onzekere vorm maakt hem leelijk

en verafschuwd. Bij hem ziet men, hoe de natuur den vleugel zoekt, en

niet anders vermag voort te brengen dan een afschuwelijke harige huid,

maar die toch als vleugel dienst doet.

„Vogel ben ik, zie mijn vleugels!”

Maar de vleugel maakt nog den vogel niet.

Plaatsen wij ons nu in het midden van het Museum, dicht bij de klok.

Daar zien wij, links, de eerste aanduiding van den vleugel bij de

pingouïn van de Zuidpool, en bij zijn broeder de vetgans van het

Noorden, maar bij dien een graad verder ontwikkeld. Schubbige,

vinachtige vlerkjes die door den glans van hun veeren meer aan visschen

doen denken, dan aan vogels. Op vasten grond is hij een zwakkeling;

de aarde is hem moeilijk, de lucht onmogelijk. Beklaag hem niet te

zeer. De voorziende Moeder heeft hem voor de Poolzeeën bestemd, waar

hij nauwelijks te loopen zal hebben. Zij bekleedt hem zorgvuldig met

een warmend overtrek van vet, en een ondoordringbaar kleed. Zij wil,

dat hij het warm heeft tusschen het ijs. Hoe dat 't beste te bereiken?

Zij schijnt te hebben geweifeld, gezocht. Naast de pingouïn ziet men met

verrassing de proefneming van een geheel andere soort maar niet minder

treffend, als moederlijke voorzorg: het is een zeer zeldzame giervogel,

die ik in geen enkel ander Museum gezien heb; gekleed in een ruige pels,

als een viervoet, een soort van geitenvel, maar die bij het levende

dier, waarschijnlijk meer glans had, en zeker voor het water

ondoordringbaar is.

Om de vogels, die niet vliegen kunnen bijeen te houden, moet ik met de

vorige noemen: den schipper der woestijn, den kameelvogel, de struis,

in inwendige struktuur den kameel gelijk. Kon ook, zijn maar even

aangeduide vleugel hem niet van den grond opheffen, hij is hem toch een

machtige hulp bij het loopen, waarin hij de uiterste snelheid bereikt.

't Is het zeil, dat hij opzet, als hij zijn dorren Afrikaanschen Oceaan

doorkruist.

[Illustratie]

Keeren wij terug tot de pingouïn, het eigenlijk uitgangspunt van de

series; de pingouïn wiens rudimentaire vleugel, noch als zeil, noch als

hulp bij het loopen kan dienen en niet anders is, dan een aanduiding en

ook een herinnering van de natuur.

Maar zij maakt zich daarvan los en heft er zich—doch met moeite—boven

uit, in een eerste poging tot vliegen, met twee wonderlijke typen,

grotesk en verwaand. De pingouïn is dat niet; het eenvoudig, simpel

wezen kan men aanzien, dat hij de eerzucht, te willen vliegen, niet

kent. Maar hier zijn er, die er boven uit willen, die zoeken de gratie

en sier der beweging. De ~Alk~ schijnt een vetgans, die besloten heeft

met zijn toestand te breken, en hij zet een koket pluimpje op zijn

hoofd, dat hem nog leelijker maakt. De onmogelijke papegaaiduiker,

karikatuur van een karikatuur, de papegaai gelijkt daarop door zijn

grooten bek, maar die onhandig toeloopt en de energieke kracht van

den ander mist; zonder staart en met zijn lompen zwaren kop is zijn

evenwicht steeds in gevaar. Toch waagt hij zich aan vliegen, met de

aanhoudende mogelijkheid door zijn topzwaarte om te duikelen. Met

nobelen zwier zweeft hij onmiddellijk boven den grond, bron van

bewondering en afgunst voor de vetganzen en robben misschien. Ook waagt

hij zich wel eens in zee: rampzalig vaartuig! het kleinste windstootje

doet het schipbreuk lijden.

[Illustratie]

[Illustratie]

Maar er is geen ontkomen meer, de eerste stap is gedaan en vogels van

verschillende soort zetten het pogen voort en slagen beter. Het rijke

geslacht der duikers in zijn verscheidenheid van soorten, vereenigt

vliegers met zwemmers. Er zijn er met volmaakte vleugels en vaste sterke

vlucht, die het vermogen hebben verre reizen te doen; andere, met nog

de glanzende veeren van de vetgans, duiken en spelen op den bodem der

zeeën. Hadden zij de vinnen en de ademhaling zij waren volmaakte

visschen. Tweeslachtig, beheerschen zij twee elementen.

[Illustratie]

[Illustratie: TRIOMF VAN DEN VLEUGEL

~DE FREGATVOGEL.~]

[Illustratie]

TRIOMF VAN DEN VLEUGEL.

~DE FREGATVOGEL.~

Sparen wij ons de opsomming der tusschenliggende soorten. Ik ga

onmiddellijk over tot den witten vogel, daar boven in de wolken; een

vogel, dien men overal ziet, in het water, op het land, en op de kale

of door de zee bedekte klippen, tusschen de golven; een vogel dien

men gaarne ziet, gezellig en gulzig. De kleine gier der zeeën zou ik

hem willen noemen. Ik spreek van de myriaden van meeuwen—gewiekte

golfjes—die boven alle kusten, de lucht scheuren met hun kreten. Noem

mij vrijer wezens! Nacht of dag, noord of zuid, zee of kust, prooi

levend of dood, het is hun alles goed. Alles hun gading, overal thuis,

zweven zij zonder rust, het witte zeil op, tusschen lucht en water. De

wind, die steeds wisselt en draait, is altijd hun wind, die hen brengt,

waar zij wenschen te zijn. Zijn zij niet de elementen zelf, lucht en

zee, die vleugels namen en opvlogen! Ik weet het niet: hun grijs oog,

koel en star (dat men nooit met die uitdrukking in onze musea terug

vindt) is als de grauwe, wezenlooze zee van het Noorden in zijn ijzige

onpersoonlijkheid. Wat zeg ik? nog bewogener is die zee. Lichtend,

phosphorizeerend, wekt zij dikwijls leven in zich. Vader Oceaan, norsch

en in zichzelf als hij is, broedt achter zijn bleek aanschijn dikwijls

nog veel gedachten uit. Zijn zonen, de meeuwen, schijnen minder dier dan

hij. Zij vliegen rond, speurend met hun doode oogen, een doode prooi.

Zij verzamelen zich en verhaasten in massa de vernietiging van de

reusachtige kadavers, die voor hen op de zee drijven. Niet wreed van

uiterlijk, vervroolijken zij den reiziger met hun spel en de vlugge

verschijning van hun slanke vleugels. En zij spreken hem van verre

landen, van kusten, die hij verliet, van vrienden, verloren of te

vinden. En zij voorzeggen hem ook de stormen. Menigmaal raden hem hunne

ontplooide zeilen, de zijne in te halen.

[Illustratie]

Want geloof niet, dat zij hun vleugels vouwen, als de storm komt.

Integendeel, juist dan nemen zij hun vlucht. De storm is hun oogsttijd:

hoe verschrikkelijker de zee, hoe minder de visschen zich onttrekken aan

dien stouten visscher. In de golf van Biscaye waar de zeeën, opgestuwd

uit het Noordwesten over den Atlantischen Oceaan komen opgehoopt,

opgeheven tot een ontzaglijke hoogte en met geweldige schokken, werken

rustig en onverstoorbaar de meeuwen.

„Ik heb hen een oneindig aantal kringen zien beschrijven,” zegt de heer

Quatrefages, „hen zien neervallen tusschen twee golven en met een visch

weer opstijgen. Sneller met den wind, trager tegen den wind, maar altijd

cirkelend met hetzelfde gemak, zonder schijnbaar één vleugelslag meer

dan in de mooie kalme dagen. En toch stortten zich de golven over de

kusten als omgekeerde watervallen, hoog als het plate-forme van de

Notre-Dame, en het opvliegend schuim hooger dan Montmartre—zij bleven

onverschillig en bedaard.”

Die bedaardheid ontbreekt den mensch. De matrozen ontstellen, wanneer

in het avonddonker, bij 't plotseling invallen van den nacht, over de

zeeën, een naargeestig klein figuurtje rond het schip komt zwerven, een

somber zwarte vogel. Zwart is eigenlijk niet het rechte woord, zwart

zou nog vroolijk zijn; de ware tint is een soort van rookerig bruin, dat

men haast niet onderscheidt. Een schim uit de hel, een booze droom; die

op de wateren loopt, speelt tusschen de golven, den storm met voeten

treedt. Die ~Stormvogel~ (ook „Sint Pieter”) is de schrik van den

zeeman, die in hem een levende vervloeking ziet. Van waar komt hij? Hoe

verschijnt hij op eens op zulk een afstand van allen vasten grond? Wat

wil hij? wat zoekt hij, zoo geen schipbreuk? Ongeduldig is zijn vlucht;

hij kiest reeds de lijken, die hem zijn maat, de wreede, kwaadaardige

zee, zal overleveren.

[Illustratie]

Die voorstelling veroorzaakt de vrees. Minder vreesachtige geesten

zouden in den armen vogel een ander schip-in-nood zien; een

onvoorzichtig zeevaarder, die even als zij door den storm verrast wordt,

ver van de kust, zonder schuilplaats. Dit schip is voor hem een eiland,

waarop hij wel zou willen rusten. De ~vaart~ alléén van het schip, dat

voor hem wind en golven breekt, is hem al rust en beveiliging. Steeds

weet hij met behendige vlucht er achter te blijven; het is zijn bolwerk

tegen den orkaan. Schroomvallig en bijziend, ziet men hem haast alléén

in het duister, dat met den storm komt. Hij gelijkt ons: hij vreest den

orkaan; hij is bang, hij wil niet sterven; hij denkt als gij, matrozen:

„Wat moet er van mijn kinderen worden?”

De vogel · 第 1 / 12 段