Grein heeft verkeerdelijk «sondern wälzte sich.»

83

thone the aer geheóld

widh hettendum hord ond rîce,

äfter häledha hryre hwate Scildingas. 3004-6.

Uit geheóld hwate Scildingas trekt Thorpe het besluit, dat Beowulf na

Hrodgars verscheiden ook over de Schildingen of Denen zou geheerscht

hebben; misschien is voor Scildingas Scilfingas (Zweden) te lezen,

zoodat Beowulf, die Eadgils heeft gedood, waarschijnlijk tevens het

land veroverde.

Müllenhoff echter ziet in 3006 eene gedachtelooze herhaling van het

gelijkluidende vers 2053.

In alle geval verwerpt hij de wijziging in Scilfingas, omdat juist

tegen de Zweden of Schilfingen schat en rijk moest beschermd worden.

Ik zie niet in hoe geheóld t. a. p. regeeren kan beteekenen, ofschoon

gehealdan met twee beteekenissen «bewaren, beschermen» en «regeeren»

verschijnt.

Geheóld heeft drie voorwerpen: hord, rice, Scildingas en behoort dus

eene beteekenis te hebben, die op alle drie toepasselijk is.

Geheóld hord: «hij heerschte over den schat» geeft geenen goeden

zin in de verbinding met de bepaling widh hettendum «tegenover de

haatgezinden.»

Integendeel «hij beschermde tegen hen schat, rijk, de Schildings»

biedt geene zwarigheid meer aan.

geheóld hord ond rîce doelt gevoeglijkst op Beowulfs oorlog met de

Zweden 2392; hwate Scildingas integendeel op zijnen kamp met Grendel.

Grein vertaalt geheóld door er behauptete; onder dit opzicht ten

minste wijkt mijne vertaling niet van de zijne af.

84

aer hî gesêgan syllîcran wiht,

wyrm on wonge 3039-40

Zij zagen eerst een zeldzamer wezen,

den worm op het veld.

Dit «eerst» klinkt nog al vreemd. Cosijn verandert aer in aeft

(eft) daarna.

Bugge lascht de ontkenning nê in en neemt eene leemte aan van een vers:

banon eác fundon bennum seócne,

(nê aer hî thaem gesêgan syllîcran wiht)

wyrm on wonge:

Zij vonden ook den dooder door wonden ontzenuwd,

(nooit zagen zij vroeger een zeldzamer wezen dan dit)

den worm op het veld.

85

3049-74. In hoofdzaak heb ik mij aangesloten bij de door Bugge

gewijzigde volgorde der regels.

Zijne indeeling is: 3070-74; 3075-76; 3059-69; 3077.

Daar 3069 van Beowulf gesproken wordt, knoop ik 3075-76 er onmiddellijk

aan vast, zoodat hê 3075 niet meer in de lucht hangt, maar op Beowulf

terugziet.

86

näs he gold-hwät: gearwor häfde

âgendes êst aer gesceáwod 3075-76.

Ofschoon deze plaats eene bonte rij van gissingen heeft uitgelokt

blijf ik vooralsnog bij het oude en schaar mij bij Ettmüller, wiens

verklaring met den samenhang strookt; iets wat voor eene bedorven

plaats als deze bevredigend mag heeten.

Eene afdoende oplossing is niet te verwachten.

Cosijn stelt eene nieuwe lezing voor:

«In geenen deele had Beowulf met goudgierige oogen vóór zijn dood des

eigenaars nalatenschap nauwkeuriger beschouwd»; want Wihstan had hem

alleen een klein deel der schatten kunnen toonen.

87

nû sceal glêd fretan

(weaxan wonna lêg) wigena strengel 3115-16.

nu zal de gloed vreten

(wassen de zwarte vlam) der strijders aanvoerder.

De parenthese levert geenen op zich zelf staanden zin op; vandaar dat

Cosijn vermoedt: nu zal de gloed vreten, de zwarte vlam verslinden enz.

weaxan zou parallel zijn met fretan en iets overeenkomstigs beteekenen.

Grein stelt zich de zaak ook zoo voor:

Nun soll die Glut fressen,

schmelzen die schwarze Lohe der Schlachthelden stärksten.

88

3151-57. Bugge herstelt de gapingen als volgt:

swylce giômor-gyd sió geó-meowle

aefter Beówulfe bunden-heorde

song sorg-cearig, saede geneahhe,

thät hió hyre hearm-dagas hearde ondrêde,

wälfylla worn, wîgendes egesan,

hyndo ond häftnyd, heóf on rîce wealg.

Wat het laatste halfvers betreft: heóf on rîce wealg:

het gejammer in een vreemd rijk, houd ik het liever met Socin, die

met het Hs. leest: heofon rêce swealg «de hemel slurpte den rook op.»

89

.... hornas byrnadh naefre? 1.

branden niet de horens (horentrans).

Het Finnsburg-fragment begint met deze slotwoorden van de door een

der Denen gestelde vraag. Ik heb ze in de vertaling weggelaten.

90

Bugges tekstverbeteringen zijn als volgt:

ac hêr fordh beradh fyrdsearu rincas,

flacre flânbogan, fugelas singadh. 5-6.

letterlijk:

maar hier brengen helden het legerharnas aan,

den zwaaienden boog, vogels zingen.

18-21 Thâ gyt Gûdhdene Gârulf styrode,

thät hê swâ freólîc feorh forman sîdhe

tô thaere healle durum hyrsta ne baere,

nû hîe nîdha heard ânyman wolde.

Zijne verandering van Gûdhere, een eigennaam, in Gûdhdene, Strijd-Deen

draagt Jellineks goedkeuring weg.

hwearf flacra hraew hräfen, wandrode 34.

91

Céled bord 29 «het koude schild» Jellinek.

De oorspronkelijke tekst heeft celaes, waarvoor men gewoonlijk celod

leest, dat ook duister is.

Jellineks verbetering céled, koud past zeer goed bij het door den

nachtelijken dauw genette schild.

Tot staving hiervan wijst hij op gâr morgenceald «de morgenkoude speer»

Beowulf 3023.

92

De vertaling, welke wij van dit raadselachtig brokstuk geleverd hebben,

steunt op Socins uitgave van 1883 en volgt in hoofdzaak de zienswijze

van Möller.

Sedertdien heeft Jellinek een stap nader gedaan tot een duidelijk

inzicht van het geheel.

Er hapert iets aan Möllers en Bugges opvatting: Garulf, de zoon van

Gudlaf, Gûdhlâfes sunu 33, zou een Fries, dus een aanvaller zijn,

terwijl volgens het fragment en volgens Beowulf 1149 Gudlaf een

Deen is.

Vandaar dat Möller Gûdhlâfes 33 door Gûdhulfes vervangt. Jellinek ruimt

deze tegenspraak uit den weg, want voor hem blijft Garulf een Deen.

Zijne uiteenzetting komt hierop neer:

Aan de eene deur wordt post gevat door Sigeferd en Eaha, aan de andere

door Ordlaf, Gudlaf, Hengest en Garulf.

In overeenstemming hiermede dient na sylf 17 en na Gârulf 18 een punt

te staan en die na lâste 17 weg te vallen.

Het onderwerp van styrode 18 is Garulf; Gûdhdene slaat op Hengest.

De vrije vertaling luidt alsdan:

«Naar de andere deur begaf zich Ordlaf, Gudlaf en Hengest zelf. Ook

volgde hen Garulf. Hij (Garulf) stuurde den Strijd-Deen (Hengest)

toe, dat deze zijn zoo doorluchtig leven niet bij den eersten aanval

moest blootstellen, daar de kampduchtige Finn, nîdha heard, het hem

ontnemen wilde.»

Alvorens zich van de deur naar binnen in den burcht terug te trekken,

wil Hengest zich overtuigen, of de deur goed bewaakt is en hij vraagt

diensvolgens, want het is nacht, wie de eerste deur, daar waar zich

Sigeferd en Eaha bevinden, bezet houdt. Sigeferd maakt zich daarop

bekend. Zijn antwoord kan tweederlei beteekenen.

Ofwel «U staat hier gereed, al wat gij van mij moogt verlangen»

d. i. ik ben geheel en al tot uwen dienst. Ofwel ligt er iets

uitdagends in zijne woorden (Vgl. Vert.), en dan moet men aannemen,

dat hij Hengest ook niet aanstonds herkend heeft.

Garulf sneuvelt niet aanstonds, zooals men uit den tekst zou kunnen

opmaken, maar eerst na den vijfden dag; hierdoor wordt de schijnbare

tegenspraak met wat volgt opgeheven.

Wij hebben hier te doen met een hysteronproteron d. i. op de

ontknooping wordt reeds van den beginne af gewezen, een verschijnsel

waarvan het Beowulfepos meer dan een voorbeeld aanwijst.

De «gewonde held» wund häledh 43 is een Deen, die zich naar het

binnenste des burgs terugtrekt, waar zich Hengest bevindt, zoodat

door folces hyrde 46 «de herder des volks» Hengest gemeend is.

Bugges verbetering: hwearf flacra hraew hräfen, wandrode, waar hwearf

op ongewone wijze met acc. en niet met een voorzetsel verschijnt,

verandert hij in:

hwearf lâdhra hreás, hräfen wandrode:

«de troep der vijanden viel, de raaf dwaalde enz.»

Ten slotte ziet Jellinek in headho-geong cyning 2 «de kampjonge koning»

niet Hnäf, zooals Bugge, maar Hengest; doch zijne redeneering komt

mij eenigszins duister voor.

Hoe verklaart hij dan, dat de Denen later vorstenloos theóden-leáse

(Beowulf 1104) waren?

B. ten Brink breekt eene lans voor Möllers verklaring:

Indien Garulf, die ealra aerest eordhbûendra valt, tot de verdedigers

van den burcht behoort, dan volgt daaruit, dat gedurende vijf

dagen niet alleen niemand van de verdedigers viel, maar ook van de

aanvallers; hetgeen ongerijmd is.

Zou eordhbûendra «landbewoners, menschen» niet in den engeren zin

van burchtbewoners kunnen opgevat worden; ofwel is soms eardbûendra

«goed-woonbewoners» te lezen?

Dit is eene gissing, meer niet, welke ik aan het oordeel van meer

bevoegden onderwerp.

B. ten Brinks gegronde opwerping is dan ontzenuwd.

Beówulf Angelsaksisch volksepos vertaald in stafrijm en met inleiding en aanteekeningen voorzien · 第 134 / 137 题