Ik heb dit woord door schild weergegeven; immers Cosijn teekent
hierbij aan:
«De beteekenis Schildschmuck, die dienst moet doen om glossatoren uit
de verlegenheid te helpen, is geheel verzonnen. In geen geval kan het
schild hier gemist worden: ergo is byrne een lapsus memoriae voor bord
(schild).»
70
raesde on thone rôfan, thâ him rûm âgeald. 2691
raste gegen den Ruhmvollen, da er Raum ihm gab. Grein.
Het handelt zich hier over den derden aanval van den draak op Beowulf.
Ik vraag me te vergeefs af, hoe zich deze «beschikbare ruimte» met
den samenhang laat overeenbrengen. Had de draak dan te voren niet
genoeg plaats, om aanvallender wijze te werk te gaan?
In het geheel niet; want hij had tweemaal den aanval gewaagd.
Buitendien greep het gevecht plaats niet in het hol, maar aan den
ingang; er schoot dus ruimte genoeg over voor de twee eerste aanvallen.
Daarom komt mij Ettmüllers vertaling da er ihm reichlich vergalt
gegrond voor; al is het ook waar, dat bij Socin alleen gildan en niet
âgildan met de beteekenis van loonen, betalen verschijnt.
71
ne hêdde hê thäs heafolan, ac sió hand gebarn
môdiges mannes. 2698-99.
hij gaf geen acht op het hoofd (des draaks), maar de hand verbrandde
des moedigen mans.
Deze uitlegging van Bugge gaat uit van het feit, dat uit Beowulfs
vruchtelooze poging de onkwetsbaarheid van het drakenhoofd is gebleken.
Hij vat hoofd in den letterlijken zin op.
Niet zoo Cosijn, voor wien thaes heafolan «capitis sui i. e. vitæ
suae» is.
De kracht van ac komt in deze opvatting ten volle uit:
Wiglaf gaf niets om zijn eigen leven, want zijne hand verbrandde enz.
72
feónd gefyldan (ferh ellen wräc) 2707.
Zij velden den vijand (het leven verdreef de kracht).
d. i. met het leven verdween ook de kracht. Zoo ook Grein.
Dit is ongetwijfeld eene ongewone en duistere wijze van zich uit
te drukken.
Mijne vertaling sluit zich aan bij Sievers, welke voorstelt:
feónd gefylde, feorh ellen (ellor) wräc.
Cosijn keurt deze lezing goed; ellen komt nog voor in de plaats van
ellor: elders; wräc is onovergankelijk op te vatten.
73
hê ofer benne spräc 2725.
hij sprak over zijne wonde.
Deze beteekenis kent insgelijks Grein aan ofer toe. Men zal nochtans
vruchteloos in Beowulfs rede eene toespeling op zijne wonden zoeken.
Daarom geeft Cosijn de keus tusschen post vulnus acceptum en over de
wond sc. gebukt.
74
thâ hê bi sesse geóng 2757.
Socin in voce sesse: «nach dem Sitze» en hij voegt er de verklaring
aan toe: vor der Drachenhöhle.
Deze verklaring ware beter achterwege gebleven; immers Wiglaf trekt
wel degelijk de schatkamer binnen, het wordt uitdrukkelijk gezegd:
gefrägn sunu Wihstânes... hring-net beran... under beorges hrôf: ik
heb vernomen dat Wichstans zoon het ringpantser onder het rotsgewelf
bracht d. i. er geharnast binnenging.
Buitendien bevindt zich het goud niet voor het drakenhol, maar er in.
75
bill aer gescôd
(ecg was iren) eald-hlâfordes
thâm thâra mâdhma mund-bora wäs 2778-80.
Socin drukt Bugges voetstappen en verstaat:
De degen des ouden heerschers (Beowulf)--van staal was het lemmer--had
hem (den draak) eer geschaad, die der schatten hoeder was geweest.
Wülcker ziet in aer-gescôd eene samenstelling, evenals Thorpe, en
laat bill aer-gescôd afhangen van genôm 2777:
Wiglaf nam het met brons geschoeide zwaard (d. i. met bronzen scheede)
van den eersten bezitter (de man van edele afkomst 2234) insgelijks
uit de schatkamer mede.
Cosijn leest met Rieger eald-hläforde dat. sing. Men raadplege de
vertaling.
76
symle wäs thy saemra, thonne ic sweorde drep
ferhd-genîdhlan 2881-82.
Met Grein en Sievers beschouw ik den draak als onderwerp van
wäs. Cosijn verbindt wäs met Beowulf: en ik begon den maag te helpen
(te zwakker werd hij nl. Beowulf) toen ik den levensschadiger met
het zwaard sloeg. symle wäs thy saemra is dan een ingelaschte zin.
77
ac wäs wîde cûdh,
thätte Ongenthió ealdre besnydhede
Hädhcyn Hrêdhling widh Hrefna-wudu,
thâ for on-mêdlan aerest gesôhtan
Geáta leóde Gûdh-Scilfingas 2924-28.
es ward ja weithin kund,
dass Ongentheow des Alters beraubte
den Hädkynn den Hredling beim Hrefnaholze,
da aus Uebermut zum ersten kamen
zu den Kempen der Geaten die Kampfskylfinge.
Blijkens deze vertaling beschouwt Grein leóde als acc. en
Gûdh-Scilfingas als nom.; in andere woorden: de Zweden vielen de
Gooten aan en niet omgekeerd.
Met deze opvatting kan ik mij niet vereenigen, niet de Zweden maar
de Gooten zijn de aanvallers.
Eerst en vooral hebben de Gooten de zee moeten oversteken, want het
Ravenbosch Hrefna-wudu lag op Zweedsch grondgebied.
Verder dient for on-mêdlon: uit overmoed op de Gooten te slaan; want
zij worden door Ongentheow verslagen en ontsnappen slechts aan eenen
gezamenlijken ondergang door Hygelacs komst, die den volgenden morgen
tot ontzet opdaagt.
Daar nu de aanvallers alleen «overmoedig» kunnen heeten en niet zij
die aangevallen worden, ergo...
Dit wordt nog bevestigd door de omstandigheid, dat Ongentheow zijne
gade bevrijdt, dus hadden de Gooten haar gewapenderhand opgelicht.
Ten slotte wordt van Ongentheow gezegd, dat hij Hadcyn den tegenslag
schonk, ond-slyht âgeaf; dus waren de vijandelijkheden niet van
hem uitgegaan.
Wij trekken dus uit deze gegevens de slotsom, dat leóde als nom. en
Gudh-Scilfingas als acc. moeten aangemerkt worden.
78
häfde Higelâces hilde gefrûnen 2953.
Thorpe: he of Hygelac's warfare had heard, hij had Hygelacs
krijgsgeduchtheid vernomen.
Socin schijnt ook in deze meening te deelen, daar hij in voce gefrignan
alleen aanteekent «erfragen, durch Erzählen erfahren.»
Nochtans aanvaardde Ongentheow den terugtocht, omdat hij werkelijk
door Hygelac verslagen was 2947-49, en niet omdat hij duchtte met
Hygelac slaags te geraken. gefrignan beteekent hier: ondervinden,
uit ervaring weten.
Er hatte Hygelakes Heersturm erfahren. Grein.
79
under eord-weall 2958.
Niet onder maar vlak bij den aarden wal, als under beorge «bij den
berg» 211. Cosijn.
80
freodho-wong thone fordh ofereódon 2960.
sie eilten fürder über das Friedefeld. Grein.
Cosijn, wiens scherpzinnige verbeteringen vooral op deze episode
het helderste licht hebben doen vallen, verstaat door freodho-wong
«versterkte stelling.»
't Is de fästen of eordh-weall 2951, 2958 en niet de benaming van
eene bepaalde plaats Friedensfeld oder Schutzfeld, als Socin aan de
hand doet.
81
sydhdhan Hrêdhlingas to hâgan thrungon 2961.
als da die Hredlinge gen Gehöfte drangen. Grein.
Cosijn brengt weer deze plaats terecht:
haga volgens Socin «eingefriedigtes Grundstück, Gehöft, kleines
Landgut,» dus zoo iets als La-Haye-Sainte bij Waterloo.
Bedoeld is de bordhaga of wîghaga, waarbij man aan man met schild
aan schild palstaat tegen den aanvaller.
't Is de scild-weall 3119, de Germaansche testudo.
82
ac hê hyne gewyrpte, theáh the him wund hrine 2977.
maar hij sprong op ofschoon hem de wonde had aangetast.
Cosijn merkt hierbij aan: «Socin blijft hier hine gewyrpan door
aufspringen, erheben verklaren, hoewel ik de onjuistheid daarvan heb
aangetoond en uit vs. 2983 duidelijk blijkt, dat Wulf op den grond
bleef liggen, totdat anderen hem ophielpen en verbonden.»
Hine gewyrpte: hij herstelde van zijne wonde.