Schitterender voldoening van den kant des moordenaars door middel
van de handen d. i. door het zwaard.
Grein:
Erwarten durfte da der Weisen keiner
des Mordes Sühngeld aus des Mörders Handen.
Bôte is volgens hem zoengeld en schijnt dit ook te zijn voor Socin,
daar hij ter plaatse: Leistung zur Sühne, Genugtuung, Tribut aanhaalt.
Doch dan hebben wij slechts eene herhaling van feó thingian, en komt
nê en beorhtre niet tot zijn recht.
5
nê his mynne wisse. 169.
(Grendel zou den Deenschen troon niet beklimmen ter oorzake van God)
noch had hij daar lust toe.
Zoo verklaart Wülcker, waarbij Cosijn zich aansluit.
Socin: ook kende hij niet zijne (Gods) liefde, hetgeen, naar hij
zelf bekent, stuitend is met het oog op 181-82, «welcher Satz auch
das Heidentum der Danen hervorhebt.»
6
fyrst fordh gewât. 210.
de tijd was verstreken.
Ik open hier de parenthese naar 't voorbeeld van Cosijn.
7
flota wäs on ydhum,
bât under beorge. 210-11.
Under beorge is niet onder den berg (Socin), maar bij den berg
(Cosijn).
8
streámas wundon sund widh sande 212-13.
Die Stromflut wogte der Sund gen dem Sande. (Grein.)
sund is nom. en parallel met streámas.
Socin vat sund verkeerdelijk als acc. op: «de stroomen wonden de zee
tegen het zand.»
9
thonne sägdon thät sae-lidhende,
thâ the gif-sceattas Geáta fyredon.
thyder tô thance. 377-79.
toen zeiden dit zeevarenden,
die de kostgaven der Gooten brachten
daarheen (naar 't land der Gooten) ten geschenke.
Deze opvatting van Grundtvig wordt door Bugge niet aangenomen; immers
ze doet onderstellen, dat de Gootische zeevaarders, die Hygelac
geschenken brachten, eerst bij Hrodgars verblijfplaats aanlegden.
Hij leest daarom in plaats van den gen. Geáta den dat. Geátum: zoodat
het Deensche zeelieden waren, die aan de Gooten geschenken brachten.
Cosijn verandert thyder «daarheen» in hyder «hierheen»; gevers en
schippers zijn dan Gooten.
Deze laatste verklaring veroorlooft ons, het hier vermelde feit
met andere gebeurtenissen in verband te brengen; immers niets staat
het vermoeden in den weg, dat deze geschenken voor Hrodgar werden
aangevoerd, ter beslechting van de veete met de Wylfingen.
10
häbbe ic eác geâhsod, that se aeglaeca
for his won-hydum waepna ne rêccedh. 433-34.
Cosijn teekent hierbij aan: waepna ne reccedh «hij geeft om geen
wapens,» duplici sensu: hij, de vermetele, draagt geen wapen en vreest
voor geen wapen, natuurlijk omdat hij zich onkwetsbaar gemaakt had
door tooverspreuken.
Dit «natuurlijk» wil er bij mij zoo maar niet in.
Beowulf heeft vernomen, dat Grendel niet bang is voor wapens, maar
dat geen wapen hem kan deren, omdat het door hem bezworen is, weet
hij niet.
Er bestaat toch een verschil tusschen: hij vreest geen wapen en hij
heeft geen wapen te vreezen.
Buitendien zou Beowulf in tegenspraak zijn met zijne eigen woorden 680:
erschlagen will ich ihn drum mit dem Schwerte nicht
und so sein Alter kürzen, obwol ichs all so könnte. (Grein.)
Welk van beide plaatsen is dan onecht?
Ten slotte zou 792-809 (vert. 808-22) ook geen genade kunnen vinden;
wat het geval is bij Ettmüller en Müllenhoff, die deze verzen
uitwerpen.
Ettmüllers beweren: «da Beowulf in seiner Heimat schon wusste, dass
Grendel nichts von Waffen zu fürchten habe, so werden auch seine
Begleiter das gewusst haben» berust juist op die verkeerde opvatting
van waepna ne rêccedh. Beowulf wist dat niet en zijne makkers evenmin.
Müllenhoffs redeneering schijnt mij geheel en al uit de lucht
gegrepen. Hij zegt: «792-809. Auch diese Verse sind schon von Ettmüller
verworfen.
Beowulf sagt 680 f. «ich will ihn nicht mit dem schwerte hinstrecken
und des lebens berauben, obgleich ich es sehr wohl könnte,» theáh ic
eal mäge. Nur um den waffenlosen Grendel nicht in ungleichem kampfe
zu bestehen, will auch er nicht der waffen gegen ihn sich bedienen.»
En hij vervolgt:
«die annahme dieser verse 792-809, dass gegen Grendel mit waffen
nichts auszurichten sei, weil er sich hiebfest gemacht hatte, ist
daher ganz ungehörig.»
Iets even «ungehörig» is wel Müllenhoffs lezing.
De tekst zegt niet: Beowulfs makkers wisten, dat er met wapens bij
Grendel geene eer in te leggen was, maar juist het tegendeel: hîe
thät ne wiston, zij wisten dat niet.
De slotsom van deze uiteenzetting is, dat waepna ne rêccedh enkel
en alleen beduidt: Grendel vreest geen wapen, zoodat twee plaatsen
gehandhaafd blijven, wier echtheid anders aan gegronden twijfel
onderhevig zou zijn.
11
nâ thû mînne thearft
hafalan hydan, ac hê mê habban wile
dreóre fâhne, gif mec deádh nimedh. 445-47.
Vertaald volgens Thorpe en Cosijn; zoo komt de redegevende beteekenis
van ac = want beter uit.
Socin denkt aan eene eerewacht, welke volgens de Angelsaksische wet aan
den koning gegeven werd en dus ook aan Beowulf, die van koninklijken
bloede was.
Hij vertaalt diensvolgens: «gij hoeft met geene eerewacht mijn hoofd
te hoeden,» iets waarvan de ongerijmdheid voor de hand ligt, daar
Grendel het lijk zal meevoeren.
12
nô thû ymb mînes ne thearft
lîces feorme leng sorgian. 450-51.
mir brauchst du nicht
um meines Leibes Nahrung langer dann zu sorgen. (Grein.)
Evenzoo Socin, naar het voorbeeld van Bugge.
De zin komt dus hierop neer: «ben ik dood dan hoeft gij mij den kost
niet te geven.»
Cosijn wijst er op, dat de oorzaak van Bugges dwaling gezocht moet
worden «in de letterlijke opvatting van leng met een negatie. Beteekent
dit «niet langer,» dan heeft Bugge gelijk... Maar ne-leng beduidt hier:
geen oogenblik, volstrekt niet.»
13
for were-fyhtum, thû, wine mîn Beówulf,
ond for âr-stafum ûsic sôhtest. 457-58.
Cosijn verwerpt Bugges vermoeden waere ryhtum thû: door de
verplichting, die de waêr, het verbond tusschen vorst en trawant
(waêrgengea) oplegt, uit bondsverplichting.
Daar hij voorloopig geene oplossing te gemoet ziet, berust ik met
Socin bij de gissing van Grundtvig.
14
thaer wäs häledha dreám,
dugudh unlytel Dena ond Wedera. 497-98.
da war der Helden Jubel
und nicht wenig Männer der Wedern und der Dänen. (Grein.)
Socin kent insgelijks aan dugudh de beteekenis van krijgsschaar toe;
nochtans verwacht men eenen parallelvorm met dreám.
Dugudh kan hier alleen goed zijn, wanneer het häledha dreám nader
verklaart. Hymne XI, 11 wordt de aardsche heerlijkheid door dugudhe
and dreámas aangeduid. (Cosijn).
15
Breca naefre git
ät headho-lâce, nê gehwäder incer
swâ deórlice daed gefremede
fâgum sweordum . . . .
. . . . . . nô ic thäs gylpe;
theáh thû thînum brôdrum tô banan wurde. 583-88.
Socin neemt eene leemte van een vers aan; vandaar dat hij in 't
vervolg één vers vooruit is op de overige uitgaven.
Ik plaats met Grein nô ic thäs gylpe, dat op zich zelf verstaanbaar
genoeg is, tusschen haakjes en laat den zin doorloopen.
Niet bral ik dies d. i. op mijnen zwemtocht, eene swâ deórlice
daed. Socins tittels zijn dus overbodig.
16
(swaefon) ealle bûton ânum. Thät was yldum cûdh,
thät hîe ne môste, thâ metod nolde,
se syn-scadha under sceadu bregdan;
ac hê wäccende wrâdhum on andan
bâd bolgen-môd beadwa gethinges. 706-10.
(sie schliefen) alle ausser einem: Kund ward allen Menschen,
dass sie der Gramfeind nicht, da Gott nicht wollte,
der schuldvolle Schädiger durfte unter Schatten schwingen,
sondern wachend harrte er dem Wüterich zum Aerger
auf die Begegnung des Kampfs ergrimmten Mutes. (Grein.)
Socins gegevens stemmen hiermede overeen.
De tegenstelling ac: sondern komt niet tot haar recht.
Cosijn plaatst thät wäs-bregdan tusschen haakjes en laat ac, dat
hier redegevend is, op bûton ânum slaan; ac: want verklaart alsdan,
waarom allen sliepen uitgenomen Beowulf. De punt na ânum zal dan door
een komma moeten vervangen worden.
17
thät wäs tâcen sweotol,
sydhdhan hilde-deór hond âlegde,
earm ond eaxle (thaer wäs eal geador
Grendles grâpe) under geápne hrôf. 834-37.
Socin: onder het ruime dak.
«Under geápne hrôf is op te vatten als under beorge 211 (voor den
berg); het «zegeteeken» van Beowulf werd vóór de deur on stapol «op
stoep» op het perron gelegd, waar ieder het zien kon.» (Cosijn).
18
thaer wäs on blôde brim weallende,
atol ydha geswing(,) eal gemenged
hâton heolfre, heoro-dreóre weól;
deádh-faege deóg, sidhdhan dreáma leás
in fen-freodho feorh âlegde, 848-52.
daar was in bloed de branding golvend,
het afschuwelijk golfgeklots, gansch gemengd
met heeten etter, zwalpte van het zwaardbloed;
de den dood vervallen (Grendel) verborg zich, terwijl hij
vreugdeloos
in de veenverschansing het leven aflegde.
Socin kent hier aan sidhdhan de beteekenis toe van terwijl, zoodat
hij Grendel te gelijker tijd laat onderduiken en sterven, terwijl
men verwacht, hem te zien sterven, nadat hij ondergedoken is.
Het euvel ware te verhelpen geweest door met sidhdhan eenen nieuwen
hoofdzin te beginnen en dit te laten slaan op deádh-faege deóg:
«sedert d. i. nadat hij zich verscholen had, legde hij het leven af.»
Cosijns bemerking kan ik niet beamen: «en leest men na een punt
sidhdhan, dan begrijpt niemand, waar dit sidhdhan op slaat.»
Ziehier nu, hoe Cosijn den zin omwerkt:
Hij verandert on blôde in blôde, plaatst een kommapunt na heolfre en
schrapt ze na weól.
Hij steunt op 1631 lagu drûsade ..... wäl-dreóre fâg, om deádh-faege
in deádh-fâge (= wälfâge, bont door den moord) te veranderen.
Vandaar verwerpt hij deádh-faeges deóp «des veegen diep» van Sievers
en leest in plaats daarvan deádh-fâge deóp «het moordgepurperd diep.»
Ten slotte is heoro-dreóre weól deádfâge deóp parallel met het
voorgaande.
19
word ôdher... sôdhe gebunden 871 d. i. nieuwberijmde woorden.
20
wel-hwylc gecwädh
thät hê fram Sigemundes secgan hyrde
ellen-daedum. 875-77.
hij zei alwat
hij had hooren zeggen van Sigemunds
krachtdaden.
Bij Cosijn is wel-hwylc = aêghwylc (iedereen) en nom. sing. in plaats
van acc. neutr.
21
Sê wäs wreccena wîde maerost
Ofer wer-theóde, wigendra hleó
ellen-daedum: he thäs âron thâh.
Sidhdhan Heremôdes hild swedhrode,
eafodh ond ellen. 899-903.
Deze (Sigmund) was der helden wijd vermaardste
boven de volken, der kampers scherm
door krachtdaden: des nam hij toe in eer.
Sedert nam Heremodes kampgeduchtheid af,
Zijn sterkte en moed.
Het springt in 't oog, dat Heremod hier met de haren er bij getrokken
is. Immers welk verband bestaat er tusschen sidhdhan 902 en het
voorafgaande? Hoegenaamd geen.
De verschillende pogingen tot verbetering laat ik onbesproken.
Müllenhoff schijnt mij het ware getroffen te hebben, en het zij mij
geoorloofd hier bij te voegen, dat ik buiten hem om op eigen hand
tot dezelfde uitkomst was geraakt.
Hij verbindt sidhdhan «nadat» met den hoofdzin sê wäs en plaatst een
komma na ellen-daedum.
hê thäs âron thâh komt in aanmerking als een ingelaschte zin. Men
vergelijke de vertaling.
Een klein bezwaar heb ik tegen een van Müllenhoffs verdere
ophelderingen: Sigmund is niet de voornaamste held geweest vóór
Heremod maar na Heremod.
1º Het is de natuurlijke uitlegging van den zin: Sigmund was de
vermaardste held, sinds Heremods kracht was afgenomen.
2º Heremod komt op de stamtafels der Angelsaksische koningen
als voorvader van Wôdan voor en wel op de 6de plaats van bovenaf
te beginnen, onmiddellijk voor Sceldwa (Scyld). Vgl. Ettmüller,
Einleitung bl. 7, en Sievers, Beiträge, XVI bl. 361.
3º hê his leódum weardh... tô aldor-ceare 906: «hij werd zijne lieden
tot levenskommer» laat ik slaan op Sigmund.
Welnu er volgt onmiddellijk: Zoo ook (evenals bij Sigmund) betreurde
aerran maelum, in vroeger dagen menig held den tocht van Heremod. Ergo
leefde deze naar de voorstelling des dichters in een vroeger tijdperk
dan Sigmund.
22
Hê mid eotenum weardh
on feónda geweald fordh forlâcen,
snûde forsended. Hine sorh-wylmas
lemede tô lange, hê his leódum weardh,
eallum ädhelingum tô aldor-ceare. 903-7.
Over de letterlijke vertaling dezer verzen zijn de uitgevers het
eens, insgelijks over het feit dat vv. 908-14 van Heremod gewagen;
doch de knoop ligt hier:
Is er sprake van Sigmund ofwel van Heremod, en in hoeverre? Immers
de Angelsaksische tekst springt meer dan eens nog al wild om met de
persoonlijke voornaamwoorden, zoodat de lezer zich moet afvragen,
wie eigenlijk gemeend is.
Deze eigenaardigheid, welke de duidelijkheid in den weg staat,
doch de critiek eene ruime stof tot bespreking aan de hand doet,
is buiten kijf toe te schrijven aan het ontstaan van het epos uit
verschillende afzonderlijke liederen.
Bugge laat den heelen zin op Heremod slaan: deze werd forlâcen:
verraden, on feónda geweald: in de macht des duivels, snûde: door
eenen plotselingen dood.
Daar hij geenen weg weet met de tegenspraak tusschen: hine sorhwylmas
lemede tô lange, dat eenen goeden, en: he his leódum weard... tô
aldor-ceare, dat eenen slechten Heremod veronderstelt, verandert hij
hine sorhwylmas in: sorhwylma hrine: «door den greep der woelende
zorgen verlamde hij het volk te lang.»
mid eotenum = onder de reuzen; zoo worden Heremods vijanden
geheeten wegens de aanleuning met Sigmund, daar de dichter de eerste
Heremod-episode aan de Sigmund-episode heeft vastgeknoopt.
De schering en inslag zijner redeneering is als volgt:
De latere tijd, waarin Heremod zijne lieden tot levenskommer wierd
905-7, wordt vergeleken met vroegere tijden, aerran maelum 908-14.
Ook in het eerste tijdperk van zijn leven beantwoordde hij niet aan de
verwachtingen van zijns vaders raadgevers. Hij ontving niet 's vaders
adel, hij verdedigde niet het volk en het rijk der Schildingen. Hij
ondernam toen eenen tocht sîdh 909, dien menig wijze man afkeurde:
In plaats van het hard bestookte rijk te verdedigen, was hij naar
elders vertrokken, waarschijnlijk om daar te kampen.
Later kwam hij terug en heerschte zoo gruwzaam over de Schildingen,
dat hij verraden en in de eenzaamheid vermoord werd. 903-5. Tot
hiertoe Bugge.
Het gaat niet aan, de lezing van het Hs. zoo maar over boord te werpen,
vooral als geen andere grond kan ingeroepen worden, dan het niet alleen
staande gebruik van het enkelv. lemede bij een meervoudig onderwerp,
mid eotenum blijft in de toepassing op Heremod altijd gewaagd.
Eindelijk, en dit is het voornaamste bezwaar, wordt Sigmund geheel
en al uit het oog verloren, alsof er geen betrekking tusschen hem en
Heremod bestond.
Waarom heeft de dichter hem dan met Heremod in verband gebracht? In de
Edda worden zij ook te zamen genoemd, dat is dus niet louter toevallig.
Blijkens mijne vertaling betrekt zich hê 903, hine 905, hê 906
uitsluitend op Sigmund. Na tô lange plaats ik een dubbel punt; hê his
leódum weardh to aldor-ceare zinspeelt op Sigmunds dood in de macht
der Nevelingen.
Zoodoende blijft de tekst gewaarborgd, staat mid eotenum op zijne
plaats, wordt Sigmund niet doodgezwegen, en vervalt alle tegenspraak.
Door Heremods sidh «gang, tocht» is dan zijn vertrek in de ballingschap
te verstaan, hetzij hij de tegenkanting moede vrijwillig ging,
hetzij gedwongen.
Immers v. 916 wordt gezegd, dat «vervolging, vijandschap» aan Heremod
ten deel viel, hine fyren onwôd.
23
stôd on stapole, geseah steápne hrôf
golde fâhne ond Grendles hond. 927-28.
(Hrodgar) stond tegen eene zuil, zag naar het steile dak het goudbonte
en naar Grendels hand.
sidhdhan ädelingas eorles cräfte
ofer heáhne hrôf hand sceáwedon. 983-84.
sinds de edellieden dank aan des helden kracht
over den hoogen dakstoel de hand schouwden.
«Het heeft er veel van, alsof de hand later boven of ter hoogte
van het dak was aangebracht... We weten nu wel beter, dank zij
Miller. Verkeerdelijk verklaart Socin: ofer heâhne hrôf, über den
hohen Dachstuhl hinweg, d. i. den Raum des Dachstuhls ausfüllend;
ergo ofer = under!
Ten slotte: vs. 1303 moet Grendel's hand weer van het dak
verwijderd zijn, want zijn moeder klautert niet naar boven.»
Cosijn. Vgl. Aanm. 17. Millers opstel over deze plaats heb ik niet
kunnen raadplegen.
24
(sceáwedon) feóndes fingras, foran aeghwylc;
wäs stêdra nägla gehwylc style gelîcost. 985-86
Mijne vertaling van deze veel bestreden plaats sluit zich bij
Socin aan.
Sievers plaatst een dubbel punt na fingras, zoodat foran aeghwylc
tot wäs behoort; hij leest stîdhra (hard) in plaats van stêdra (vast):
«van voren was elk der harde nagels het meest gelijkend op staal.»
Cosijn houdt het met het Hs: steda en slaat aêghwaêr (in plaats van
aêghwylc) voor, dat met een gen. van plaats verbonden wordt: aêghwaêr
steda, op alle plaatsen (waar nagels groeien). Wij krijgen dus:
«Op alle plaatsen waren de nagels van voren (de punten der nagels)
het meest gelijkend op staal d. i. hard als staal.»
25
Nô thät ydhe bydh
tô befleónne (fremme se the wille!)
ac gesacan sceal sâwl-berendra
nyde genydde nidhdha bearna
grund-bûendra gearwe stôwe,
thaer his lîc-homa leger-bedde fäst
swefedh äfter symle. 1003-9.
nicht leicht wirds einem,
dem zu entfliehen (vollführ' es wer da will!)
sondern suchen soll der Seelentragenden
der Erdbewohner jeder, der Edelinge Kinder,
mit Gewalt genötigt die wartende Stätte,
allwo sein Leichnam dann am Lagerbette fest
(nach den Mahle) schläft.
Aldus Grein, doch met de beteekenis van symle: beständig. Deze
gebrekkige plaats biedt twee moeilijkheden aan:
1º Waarop betrekt zich thät 1003?
Ik blijf het antwoord schuldig, tenzij ik met Thorpe uit aldres
or-wêna «aan 't leven vertwijfelend» het antecedent dood opmaak.
2º Ziehier der lange rede korten zin: de dood is niet gemakkelijk te
ontvlieden, want iedereen zal sterven!
Mijne vertaling tracht er eene mouw aan te passen: lîc-homa is lichaam
en niet lijk; leger-bedde fäst is «gekluisterd op het rustbed» en
niet op het doodsbed, waarvoor on wälbedde 965 en deádbedde fäst
2902 voorkomt.
fremme sê the wille is eene flauwe opmerking.
Men zou eerder: «volvoere hij wat hij wil» of iets dergelijks
verwachten.
26
fore Healfdenes hilde-wîsan 1065
Naar Cosijn kan dit alleen beteekenen: voor de oogen d. i. in
tegenwoordigheid of ten aanhooren van Healfdeens krijgsoverste.
Indien dit zoo is, en niemand zal op het gebied der Angels. taalkennis
zijn gezag in twijfel trekken, zou dan de moeilijkheid niet uit den
weg te ruimen zijn door Healfdenes in Healfdena te veranderen? De
vertaling zou luiden:
Toen werd gezang en klank te zaam vereenigd
In 't bijzijn van den vorst der Hallef-Denen
d. i. van Hrodgar; immers Halfdeen en Deen kunnen voor elkaar gebruikt
worden. Vgl. 1091.
27
thonne heal-gamen Hrôdgâres scop
äfter medo-bence maenan scolde. 1067-68.
Na heal-gamen plaats ik een kommapunt en onderversta wäs: nu was
er hallevreugd.
Derhalve moet er bij Socin, indien zijn heal-gamen nom. sing. geen
vergissing is, noodwendig een scheiteeken volgen.
De uitgevers zien in heal-gamen een acc. afhangende van maenan;
thonne leidt alsdan den bijzin in:
(Het lied werd aangeheven), toen Hrodgars zanger de hallevreugde
langs de medebanken moest verkonden.
Cosijn koestert nochtans bedenkingen tegen den vorm: healgamen maênan.
28
thät hê ne mehte on thaem medhel-stede
wîg Hengeste wiht gefeohtan,
nê thâ weá-lâfe wîge forthringan
theódnes thegne. 1083-86
dat hij geenszins vermocht op de onderhandelingsplaats
aan (met) Hengest den kamp te kampen,
noch (zijne) ongeluksresten in den strijd te ontrukken
aan 's konings veldheer.
Wîg komt tweemaal voor; buitendien zeggen 1085-86 in den grond
hetzelfde als de twee voorafgaande verzen.
Waar blijft dan de kracht van nê: noch 1085, dat toch iets anders
moet te berde brengen?
Rieger krijgt een goeden zin, mits de geringe verandering van wîg
Hengeste wiht gefeohtan in wiht Hengeste widh gefeohtan: Finn kan
noch een voordeel verkrijgen, noch datgene behouden wat hij nog bezat.
Ik heb Riegers gewijzigden tekst gevolgd.
29
hire selfre sunu. 1116.
Sunu is niet acc. sing. als bij Socin en Ettmüller, maar acc. plur.:
«die eignen Gebornen.» (Grein.)
30
Gewiton him tha wîgend wîca neósian,
freóndum befeallen Frysland geseón,
hâmas ond heá-burh. 1126-28.
In sommige bijzonderheden wijkt Socin van Bugges opvatting der
Finnepisode af.
De wîgend: strijders zijn voor hem andere Denen, die inmiddels zijn
overgekomen, om hunne vrienden, waarvan zij zoo lang beroofd waren,
te bezoeken.
heà-burh is dan de Finnsburg en bevindt zich in Friesland.
Men kan Socin in overweging geven, waarom Hengest, na deze versterking,
nog den ganschen, langen winter blijft dralen, alvorens zijn opzet
uit te voeren; daar toch Finns krijgers tot een onbeduidend hoopje
geslonken zijn?
31
odh thät ôdher côm
geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
thâ the syngales sêle bewitiadh,
wuldor-torhtan weder. 1134-37,
totdat een ander jaar gekomen was
in het hof, zooals het nu nog doet,
indien men voortdurend op den gunstigen tijd let,
op het heerlijk heldere weder.
Socin vat thâ the als indien en wuldor-torhtan weder als acc. op;
dit laatste ook Grein.
Deze verklaring komt mij al te gezocht voor; om te weten dat de lente
geregeld terugkomt, moet men toch geen weerprofeet zijn.
De onregelmatigheid bestaat hierin, dat het relat. plur. thâ zich
niet alleen betrekt op geâr; maar ook op een woord, dat volgt, op
wuldor-torhtan weder.
Alsdan is de zin: totdat een ander jaar, de lente kwam,
welke voortdurend op hun tijd letten d. i. te hunnen tijde
verschijnen. wuldor-torhtan weder is dan nom.
Cosijn verdedigt deze opvatting.
Zou men de volgorde der verzen niet kunnen wijzigen en lezen:
odh thät ôdher côm
geâr in geardas, swâ nû gyt dêdh,
wuldor-torhtan weder, thâ the syngales
sêle bewitiadh?
32
worod-raedenne. 1143.
Möller en Bugge vertalen dit woord door Gefolgschaftsverhältnis,
leenmanschap.
Cosijn staaft door verscheidene aanhalingen, dat worod-raedenne alleen
«troepschap, troepuitmaking, troep» kan beteekenen. Mijn «wapenlieden»
is eene toenadering tot deze beteekenis.
33
swâ hê ne forwyrnde worod-raedenne,
thonne him Hûn Lâfing hilde-leóman,
billa sêlest, on bearm dyde:
thäs waeron mid Eotenum ecge cûdhe. 1143-46.
Cosijn neemt weer de oude verklaring op van Hornburg, die voorslaat,
Hûnlâfing niet te scheiden en als den naam van één persoon te
beschouwen. De zin is alsdan:
Dus weigerde Hengest niet zich bij den troep aan te sluiten (tot
de samengezworen Denen over te gaan), toen Hunlafing (een der
samenzweerders) hem het zwaard aanbood, welks snede onder de Friezen
beroemd was (dat in den kamp met de Friezen reeds goede diensten
had bewezen).
Moet men Hûnlâfing met Bugge in twee of met Cosijn in een woord
lezen? Adhuc sub judice lis est.
Wat ten gunste van den laatste pleit is, dat Hengest niet meer noodig
had Finns leenman te worden, daar hij het al was; immers had hij hem
niet sinds een jaar als koning aanerkend?
34
ne meahte wäfre môd
forhabban in hredhre. 1151-52.
niet kon (Finns) weifelende levensgeest
zich houden in de borst.
d. i. Finn moest sterven. Socin ziet over het hoofd, dat ne meahte
forhabben: zich niet inhouden, zich niet betoomen beduidt. Vgl. 2610
ne mihte thâ forhabban: Wiglaf kon zich toen niet meer inhouden,
maar zijne hand greep het schild enz.
Cosijn verwerpt Bugges opvatting (zie Vert.) en laat meahte slaan òf op
(Finnes) môd òf op Finn zelf.
De zin is in deze veronderstelling:
Zoo greep nu Finn de wapendood in zijne eigen woning, nadat Gudlaf
en Oslaf hunnen grooten rampspoed aan Finn hadden verweten. Bij die
verwijtingen kon Finn zijn bruisend gemoed, zijnen toorn niet in zijne
borst betoomen. (ofwel: kon Finns bruisend gemoed zich niet betoomen.)
Wie van beiden heeft het ware voor?
35
Ad. 1158.
Dat Hildeburg waarschijnlijk eene in den oorlog geschaakte Deensche
vorstin is, als Socin voorgeeft, blijkt nergens. Vgl. vert. 1085 nota.
Zijne verwijzing naar 2931 is glad verkeerd; daar is sprake van
Ongentheows echtgenoote, Elan, en niet van Hildeburg.
36
heal swêge onfêng 1215.
Socin behoudt de lezing van het Hs. «de hal ontving het gejubel»
d. i. de hal weerklonk van het gejubel.
«Maar de uitdrukking is te singulier»; vandaar dat Cosijn healsbêge
onfêng: «Wealchtheow ontving de halsboot» voorslaat.
37
druncne dryht-guman, dôdh swâ ic bidde 1232
ihr trunknen Helden, thut wie ich euch bitte. (Grein.)
Het verzoek der koningin kan toch niet tot doel hebben, zooals Sievers
zegt, om de helden tot pooien aan te zetten. Wat moeten zij dan doen?
Sievers verandert dôdh in dô en doet het op het boven aan Beowulf
gerichte verzoek slaan.
Kluge ziet er met recht eene opwekking in om eensgezind te blijven
en verandert is 1229 in si (sî) d. i. in de bijvoegende wijs. In
hetzelfde opstel wijst hij er op, dat men de oude uitgevers dient te
raadplegen: «Grade die älteren Editoren haben manchen guten Gedanken
gehabt, der nie recht zur Geltung gekommen ist.»
Welnu zijne opvatting bevindt zich reeds bij Ettmüller, welke bij thut
wie ich bitte aanteekent: «trinket und seid in Eintracht fröhlich.»
Ik stel voor na swâ een komma te plaatsen: dôdh swâ, ic bidde: «doet
alzoo, ik verzoek het u.»
swâ ziet alsdan terug op 1229-30 hêr is aeghwylc eorl ôdhrum getrywe
enz.
38
beór-scealca sum
fûs ond faege flet-räste gebeág. 1241-42.
Grein: der Bierdiener mancher; Socin in voce beór-scealc: einer von
Hrodgârs Gefolgsleuten.
Daar sum in beide beteekenissen voorkomt, staat de keus vrij; vooral
nu het gedicht, dat in het vervolg van geenen beór-scealc rept,
geene uitkomst oplevert.
39
thaer on bence wäs
ofer ädhelinge ydh-gesêne
headho-steàpa helm 1244-46.
An der Bank war da
offen sichtbar über dem Edelinge
der ragendhohe Helm. (Grein.)
Wie is die edelman? Het kan niemand anders zijn dan Beowulf. Of is
hier soms béor-scealca sum, ofwel de veel later genoemde Aschere
gemeend? Voor Socin, in voce ädheling, is het Beowulf.
Doch Beowulf was er niet, näs Beowulf thaer 1300, later wordt hij
geroepen 1311.
Bij gevolg blijft er niets anders over dan het enkelv. ofer ädhelinge
in het meerv. ofer ädhelingum te veranderen.
Het zijn alsdan de in Heorot vernachtende Deensche krijgers.
40
thät gesyne weardh,
wîd-cûdh werum, thätte wrecend thû gyt
lifde äfter lâdhum, lange thrâge
äfter gûdh-ceare. 1256-59.
thätte wrecend thâ gyt lifde «dat er nog een wreker leefde» is volgens
Ettmüller, Grein en Müllenhoff niemand anders dan Grendels moeder.
Maar welke waarde moet dan toegekend worden aan lange thrâge, eenen
langen tijd?
Er waren toch hoogstens 24 uren verloopen sedert Grendels dood!
Het ligt dus voor de hand, dat Grendels moeder onmogelijk kan bedoeld
worden. Grendel had gedurende twaalf jaren in Heorot vreeselijk
huisgehouden, na dien langen tijd zou God hem straffen.
Deze verzen zijn uit de pen gevloeid van den christelijken nadichter.
41
thonne wê on orlege
hafelan weredon, thonne hniton fêdhan,
eoferas cnysedan. 1327-29.
Is het wel noodig met Socin eoferas overdrachtelijk te verstaan voor
koene krijgers? Kan het woord niet met Grein in letterlijke beteekenis
worden opgevat: als de evers, die zich op de helmen bevonden, op
elkander instormden?
De aanschouwelijkheid der voorstelling zou er veel bij winnen.
Buitendien wordt in ons gedicht een dapper krijgsman wel wolf geheeten,
maar nergens ever: heore-wearh 1268, freca Scyldinga 1564.
Cosijn stelt voor de interpunctie te wijzigen; dan vervalt het boven
gezegde.
Hij plaatst thonne hniton fêdhan tusschen haakjes en ziet in eoferas
eenen acc. beheerscht door cnysedan:
«Als wij in den oorlog het hoofd beschermden (terwijl de voetknechten
op elkander stieten) en de helmevers verbrijzelden.»
42
ge feor hafadh faehdhe gestaeled 1341.
Cosijn bewijst uit andere teksten, dat faehde staelan niets anders
kan beteekenen dan «veete, vijandschap bedrijven.»
Socins verklaring: «Grendels Mutter hat uns fernerhin ihre Feindschaft
auferlegt» kan dus niet in aanmerking komen.
43
lond-bûend 1346 nom. plur.
Dit zal wel eene drukfout wezen voor acc. plur.
Eveneens fyr 1367, waarbij het acc. sing. en niet nom. sing. moet
heeten.
44
thâ wäs hwîl däges,
aer hê thone grund-wong ongytan mehte. 1496-97.
er was de duur van eenen dag mede gemoeid,
alvorens hij de bodemvlakte kon bereiken.
Müllenhoff kent aan hwîl däges de beteekenis toe van eine stunde
tages en niet ten onrechte.
De meening van Socin en anderen is in tegenspraak met de
feiten. Beowulf kon geenen ganschen dag noodig gehad hebben, om
den bodem van het meer te bereiken, daar hij zich 's morgens op weg
begeeft en om 3 uur 's namiddags weer terug is 1601.
Hoe kon ook het water blijkens 1592 vlg. aanstonds, sôna, roodgekleurd
zijn?
Eindelijk moest Beowulfs terugkomst uit de diepte ook weer eenen
ganschen dag in beslag nemen!
45
swâ hê ne mihte nô (hê thäs môdig was)
waepna gewealdan. 1509-10.
Zoodat hij niet vermocht (hij was daartoe moedig)
over de wapens te beschikken.
Om wille van de juiste verdeeling van het vers verbinden Sievers
en Cosijn de ontkenning nô met de parenthese: nô hê thäs mödig wäs;
daar nô als begin van het laatste halfvers meer voorkomt.
46
Oferwearp thâ wêrig-môd wigena strengest,
fêdhe-cempa, thät hê on fylle weardh. 1544-45.
Zielsvermoeid struikelde toen de sterkste der strijders,
der voetkampers, dat hij kwam te vallen.
Cosijn brengt de vertaling dezer verzen volgenderwijze terecht:
oferweorpan beteekent «omverwerpen» en is overgankelijk. Ter wille
van deze plaats fabriceert men een intransitief oferweorpan in den
zin van «struikelen.»
De wolvin is hier onderwerp en werpt bij wijze van andleán Beowulf op
den grond. Ze is wêrigmôd, doordat ze on flet gebeáh. In plaats van
strengest leze men strengel en voege aan fêdhecempa eene n toe, die
het Anglisch origineel waarschijnlijk niet kende. Dus fêdhecempan acc.
47
rodera raedend hit on ryht gescêd
ydelîce, sydhdhan he eft âstôd. 1556-57.
Sorin verbindt in voce ydelîce dit laatste met âstôd:
de hemelbestuurder besliste het volgens recht,
met gemak stond hij daarna weder op
In dit geval hapert er iets, nl. de zinstorende wijze, waarop hij de
scheiteekens plaatst, immers het komma na ydelîce moet wegvallen en
na gescêd staan.
Sievers verbindt ydelîce met gescêd:
God besliste het gemakkelijk volgens recht en toen stond Beowulf
weder op.
Cosijn heeft het ware voor. Men raadplege de vertaling.
Immers Gods hulp bestaat niet hierin, dat hij Beowulf weder laat
opstaan; maar dat hij hem het reuzenzwaard aan den wand laat bemerken.
Vgl. v. 1662: «God verleende mij, dat ik een oud reuzenzwaard zag
hangen.»
48
hwîlum hê on lufan laetedh hworfan
monnes môd-gethonc, maeran cynnes. 1729-30.
Somtijds laat hij (God) op landbezit gaan
den hartelust eens mans van vermaard geslacht.
Cosijns verklaring geeft niet alleen aan lufa = liefde de juiste
beteekenis, maar past ook het beste in den samenhang:
God laat zijnen geest (môd-gethanc) verkeeren (ontbranden) in liefde
(on lufan) voor eenen man enz.
Heyne-Socin kennen aan lufa de beteekenis van «Grundbesitz, Ländereien»
toe, ofschoon zij luf-tâcen 1864 door «Liebeszeichen» heáhlufan 1955
door «hohe Liebe» en lufian 1983 door «lieben» weergeven.
49
heht thâ se hearda Hrunting beran,
sunu Ecglâtes, heht his sweord niman,
leóflîc îren; sagde him thäs leánes thanc. 1808-10.
Deze plaats is voor verschillende verklaringen vatbaar. Grein vertaalt:
Da hiess den Hrunting der Beherzte bringen
der Sohn des Ecglaf, hiess ihn sein Schwert empfangen,
das liebliche Eisen. Er dankte der Liebesgabe.
Het onderwerp van heht 1808 en 1809 is se hearda d. i. Unferd; sunu
Ecglâfes is bijstelling van se hearda.
Integendeel, het onderwerp van sägde is Beowulf.
Zoo blijft de lezing van het Hs. leänes, dat «loon, vergelding»
beteekent, doch hier dienst moet doen in den zin van «geschenk,
Liebesgabe.»
Volgens Greins opvatting moet de lezer veronderstellen, dat Beowulf
het zwaard inmiddels aan Unferd heeft teruggegeven, iets waarvan het
gedicht geene melding maakt.
Waarom had Unferd het dan niet aanstonds geweigerd? Buitendien biedt
het onderwerp van sägde iets onregelmatigs aan, want het is niet
hetzelfde als dat van heht in den onmiddellijk voorafgaanden zin.
Het is wel waar, dat ons gedicht den lezer aan die onregelmatigheid
langzamerhand gewend heeft.
Grundtvig slaat eenen anderen weg in:
De dappere (Beowulf) beval Hrunting te brengen aan Ecglafs zoon,
hij (Beowulf) beval hem (Unferd) zijn zwaard te nemen, hij (Beowulf)
zei hem dank voor het geleende.
Hier is geene verwisseling van onderwerp meer mogelijk; sunu nom. is
suna dat. geworden en het minder gepaste leánes zeer gelukkig veranderd
in laenes: het geleende (zwaard).
Mijne vertaling steunt op Grundtvig, doch tracht sunu, de lezing van
het Hs., te behouden: sunu. is acc. sing.; heht 1809 sleept eenen
acc. c. inf. na zich.
heht sunu Ecglâfes his sweord niman: Beowulf beval, dat Ecglafs zoon
zijn zwaard zou terugnemen.
Socins slordige interpunctie brengt hier alweer op een
dwaalspoor. Ofschoon hij in sunu acc. sing. ziet, deelt hij den zin
juist zoo in als Grein. Derhalve moet zijn komma na Ecglâfes wegvallen;
anders blijft de zin raadselachtig.
50
gif him thonne Hrêdhrîc tô hofum Geáta gethingedh. 1837-38.
indien dan Hredric aan het hof der Gooten een verdrag sluit.
gethingan: «einen Vertrag machen.» Socin.
Cosijn stelt uit verschillende teksten vast, dat gethingan beteekent
besluiten (te gaan), het verbum meandi zijnde uitgelaten; dus zich
opmaken.
51
hruron him teáras
blonden-feaxum: him wäs bega wên,
ealdum infrôdum, ôdhres swîdhor,
thät hîe seodhdhan (nê) geseón môston. 1873-76.
Bugge voegt nê 1876 bij; immers Hrodgars tranen zijn dan vooral
verklaarbaar, wanneer hij vreest, dat hij Beowulf niet meer terug
zal zien.
Socin teekent bij infrôdum dat. plur. aan. Ik vraag me te vergeefs af,
hoe het meervoud kan gewettigd worden.
Indien het Hrodgars raadslieden zijn, wat komen die hier doen? Is
Hrodgar en Beowulf gemeend, dan is de keuze van het woord wat den
laatste betreft niet gelukkig.
52
oft nô seldan hwaer
äfter leód-hryre lytle hwîle
bon-gâr bûgedh. 2030-32.
Bugges verandering van hwaer «ergens», dat vrij kan gemist worden,
in waere schijnt mij prijzenswaardig toe.
Dan luidt de vertaling: dikwijls (en) niet zelden rust de moordspeer
door vergelijk (waere) eenen korten tijd na den val des vorsten.
Freawares «mariage de raison» mag wel een vergelijk heeten.
53
Socins unfaecne nom. sing. 2069 in plaats van acc. sing. is blijkbaar
eene drukfout.
54
hió thät lîc ätbär
feóndes fädhmum. 2129.
Socin in voce fädhm: «instr. plur. feóndes fädhmum».
Hij laat dus feóndes van fädhmum afhangen, hetgeen den volgenden
zin geeft:
Grendels moeder vervoerde het lijk door de hand des vijands d. i. door
hare eigen vijandelijke hand.
Waartoe knorven in de biezen gezocht? Is het niet veel eenvoudiger
feóndes met lîc te verbinden: «het lijk des vijands»?
55
gên is eall ät thê lissa gelong. 2150-51.
geheel mijne liefde wendt zich nog uwaart.
Bugge vat gên op als weder, opnieuw:
Mijne geheele liefde wendt zich weder uwaart nl. zooals vroeger.
Zóó is de zin veel natuurlijker.
56
hêt thâ in beran eafor, heáfod-segn. 2153.
heáfod-segn is eene verklaring van eafor en beteekent de voornaamste
banier, evenals in het voorgaande vers ic lyt hafo heá fod-mâga «ik heb
luttel hoofdverwanten» heá fod-mâga «voornaamste verwanten» wil zeggen.
Cosijn slaat het compositum eoforheáfodsegn (everhoofdbanier) voor.
57
näs him hreóh sefa
ac hê man-cynnes maeste cräfte
gin--fästan gife, thê him god sealde,
heóld hilde-deór. 2181-84.
Socin, in voce healdan, brengt onder meer deze plaats overeen met
1955 welke behelst: hióld heáh-lufan «zij bewaarde hooge liefde.»
Diensvolgens zou het hier moeten luiden: «hij hield d. i. bewaarde
de geweldige gave,» the greatest strength possess'd bij Thorpe.
Grein stemt hiermee overeen als hij vertaalt:
nicht war das Herz ihm wild,
sondern mit der grösten Kraft vom ganzen Menschenvolke
hielt die grossfeste Gabe, die Gott ihm schenkte,
der Edeling der Kampftheure.
Zoo komt de tegenstelling niet tot haar recht, wél indien wij healdan,
den zin van bewaken en aan ac eene redegevende beteekenis toekennen,
welke meer voorkomt. Wij vertalen dus: zijn inborst was niet ruw,
want (ac) hij bewaakte (d. i. beteugelde) zijne reuzenkracht.
58
eft thät geióde ufaran dôgrum
hilde-hlämmun, sydhdhan Hygelâc läg
ond Heardrêde hilde-mêceas
under bord-hreódhan tô bonan wurdon;
tha hyne gesöhtan on sige-theóde
hearde hilde-frecan, Headho-Scilfingas,
nîdha genaegdan nefan Hererîces.
Sydhdhan Beówulfe brâde rîce
on hand gehwearf. 2201-2209.
Grein vertaalt letterlijk:
Das fügte sich darnach in folgenden Tagen
durch Heerkampfs Getümmel, seit Hygelak lag
und dem kühnen Heardred die Kampfschwerter wurden
unter des Schildrandes Schirm zum Mörder,
da ihn suchten in dem Siegesvolke
die harten kampfkühnen Headoskylfinge
und heftig angriffen Hereriks Neffen.
Drauf kam das breite Reich dem Beowulf
zur Hand.
Waar blijft de hoofdzin?? Greins vertaling geeft hier geen licht. Voor
Müllenhoff lijdt het geen twijfel of deze zin is onvolledig:
Gleich der erste satz ist ungeschickt. Denn in eft thät geeóde ufaran
dôgrum 2201 hat das thät keine beziehung im vorhergehenden... Der
satz is unvollstandig....
Der verfasser wagte nicht nach dem langen mit sidhdhan beginnenden
satze 2202-2207 noch einen subjektsatz mit thät folgen zu lassen,
sondern brach lieber ab und fuhr mit einem neuen satze mit sidhdhan
fort 2208.
Moet men zich bij deze uitspraak neerleggen en voor lief nemen,
dat er niets anders op te vinden is?
Twee verklaringen, zijn mogelijk:
1º eft thät geeóde slaat niet op wat voorafgaat, maar op wat volgt;
na hilde-hlämmum plaatse men een dubbelpunt en vertale ond door ook,
zooals Heyne in zijne vrije vertolking doet; de hoofdzin is: Heardrêde
hilde-mêceas tô bonan wurdon.
Wij krijgen dan het volgende: Dit (volgende) gebeurde daarna in
later dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was, werd ook voor Heardred
het kampzwaard ten dooder, daar enz.
Het valt nochtans te bezien, of ond (en), evenals in de klassieke
talen, in den zin van ook voorkomt.
2º Ond behoudt de beteekenis van en; de hoofdzin is: sydhdhan Beówulfe
brâde rîce on hand gehwearf; de punt na Hererîces valt dan weg. Van
het eerste sydhdhan 2202 hangen twee bijzinnen af: läg en tô bonan
wurdon; thâ hyne... nefan Hererîces is een tusschenzin; het tweede
sydhdhan dient alsdan om het eerste in het geheugen terug te roepen:
Dit gebeurde in volgende dagen: Sedert Hygelac gesneuveld was en het
zwaard voor Heardred tot dooder was geworden, daar hem enz., sedert
kwam het rijk in Beowulfs handen.
De zin is wel wat lang, maar dat kan geen onoverkomelijk bezwaar zijn,
vooral voor Duitsche recensenten.
59
2215-22. Bugge herstelt den tekst als volgt:
thaer on innan gióng
nidhdha nâthwylc, neóde tô gefêng
haedhnum horde; hond ätgenam
seleful since fâh; nê hê thät sydhdhan âgeaf,
theáh the hê slaepende besyrede hyrde
theófes cräfte: thät se thióden onfand,
by-folc beorna, thät hê gebolgen wäs.
Insgelijks 2233:
nealles mid gewealdum wyrmes weard gäst
sylfes willum.
Socins theow (slaaf?) 2225 zal wel theów moeten luiden.
60
2228-32. Bugges aanvulling van den tekst wijzig ik volgenderwijze:
secg synbysig sôna onwlâtode.
theáh thâm gyste gryrebrôga stôd,
hwädhre earmsceapan innganges thearfa
feásceapen, thâ hyne se faer begeat,
sinc-fät geseah.
Bugges tittels tusschen het 3de en 4de vers zijn weggelaten en de
punt na begeat vervangen door een komma: Ofschoon (theáh) de vreemde
indringer met schrik geslagen was bij het zien van den draak, toch
(hwädre) had hij de vaas bemerkt.
Men vergelijke de vertaling.
61
2380-97. Socins opvatting van deze gansche plaats, waarin de oorlog
met de Zweden behandeld wordt, stemt niet overeen met die van Bugge,
Müllenhoff en Grein.
Ziehier zijne uiteenzetting:
Ochters zonen, Eanmund en Eadgils, zijn tegen hunnen vader opgestaan
2382, ten gevolge waarvan zij Zweden moeten verlaten 2380 en naar
Heardred de wijk nemen 2381. Een hunner verslaat Heardred onder ons
niet nader bekende omstandigheden 2386, het moet Eanmund geweest zijn,
welken de aan het Gootenhof levende Wichstan daarom onmiddellijk doodt
2613. Eadgils keert naar Zweden terug 2388, waar ondertusschen zijn
vader Ochter schijnt gestorven te zijn.
Nadat Beowulf koning der Gooten geworden is 2390, wil hij zich op
Eadgils wreken 2392 en hij wordt hem tot vijand. Eadgils doet eenen
inval in het land der Gooten 2394-95, maar wordt door Beowulf gedood
2397.
In Socins stelsel is helm Scylfinga 2382 Ochter en niet Onela,
Ongentheówes bearn 2388 kleinzoon en niet zoon, wordt freónd «vriend»
van het Hs. in feónd «vijand» veranderd, en gestêpte «ondersteunde»
in gestepte van gesteppan: stappen, trekken.
Bugges verklaring komt mij heel wat aannemelijker voor, want 1º
Heardreds dood blijft in het duister.
2º Eadgils kan niet naar Zweden terugkeeren, waaruit hij door Ochter
verbannen is; daarom vindt Socin er een middeltje op, 't is van Ochter
intusschentijds te laten sterven.
3º Bugges opvatting stemt in de hoofdpunten overeen met de
overeenkomstige Zweedsche sage van Ali.
4º Onela wordt 2933 het eerst genoemd; dit pleit er voor, dat hij
de oudste en bijgevolg Ongentheows opvolger is. Vgl. 61 (Heorogar,
Hrodgar, Halga); 2435 (Herebeald, Hadcyn, Hygelac).
Afgezien van de handschriftelijke lezing freónd geeft Bugges verklaring
rekenschap van alle bijzonderheden, terwijl Heardreds dood bij Socins
opvatting de groote struikelblok blijft. Het is immers stuitend, dat
Heardred door den man gedood wordt, dien hij gastvrij heeft opgenomen.
Eene opheldering van zulke verregaande ondankbaarheid ware zeker
niet misplaatst, en voorzeker zou de inlasscher weer de baan schoon
gevonden hebben, om nog eens den preektoon aan te slaan.
62
he gewräc sydhdhan
cealdum cear-sîdhum. 2396-97.
er rächte seitdem
mit kalten Kummerfahrten. (Grein).
Bugge ziet in cealdum cear-sîdhum de natuurlijke koude, daar de kamp,
waarin Adhils (= Eadgîls), volgens de overeenkomstige noordsche sage,
Ali (= Onela) versloeg, op het ijs van het meer Vaenir plaats had.
Cosijn teekent bij deze verzen aan: De samenhang eischt cealde
cearsîdhas, want gewrecan beteekent wraak nemen over (of straffen)
en de ellips van hit (dit, Socin) is te verwerpen. Eadgils nam wraak
voor zijne koude, kommervolle omzwervingen als balling.
63
rîdend swefadh,
häledh in hodhman 2458-59.
de rijders slapen,
de helden in het graf.
Socin: rîdend, häledh nom. plur.
Ik verkies met Grein het enkelv. te lezen: «der Reiter schlummert;»
er is immers sprake van Herebeald alleen.
64
thâ ic on morgne gefrägn maeg ôdherne
billes ecgum on bonan staelan,
thaer Ongentheów Eofores niósadh. 2485-87.
Socin legt uit als volgt: Ik heb dan vernomen, dat de eene broeder
(Wulf) den anderen (Eofor) naar zijnen moordenaar (Ongentheow)
heentrok.
Cosijn toont het onhoudbare van die aanteekening ten overvloede aan:
staelan = ten laste leggen, als mnl. banen.
De strijd wordt dus als een rechtsgeding voorgesteld:
Ik vernam dat toen de eene maag (Hygelac) den ander (Hadcyn) den
dooder te laste legde met het scherp van het zwaard, den dood met
het zwaard op hem verhaalde, wreekte.
Dat Wulf niet gedood werd, maar alleen buiten gevecht gesteld, ziet
Socin voorbij.
65
symle ic him on fêdhan beforan wolde,
âna on orde. 2498-99
Socin verstaat beforan: vroeger, van den tijd, welke toch reeds in
symle besloten ligt.
On orde «aan de spits» vergt eenen parallelvorm, daarom geef ik
beforan weer door vooraan.
66
sê the aer on folce weóld 2596.
aer: «von langen Zeiten her.» Bugge.
Cosijn bemerkt hierbij; het komt mij voor, dat deze woorden eerder
beteekenen «die toen van zijn volk verlaten was, er niet meer over
te bevelen had.»
Deze uitlegging wordt gesteund door wat volgt 2597-2600.
67
sibb aefre ne mäg
wiht onwendan thâm thê wel thencedh 2601-2.
Socin: in dem der wohl denkt, kann die Liebe zum Blutsfreunde auf
keine Weise beseitigt werden.
Voor hem is onwendan onovergankelijk en sibb nom.
Cosijn wijst er op, dat een intr. onwendan alleen in den zin van
«terugkeeren» voorkomt.
Men zal dus wiht als nom. sing. en sibb' als acc. sing. dienen aan
te nemen: onwendan is dan «keeren, verhinderen zich te uiten.»
68
ond his mâgum ätbär
brûn-fâgne helm, hringde byrnan,
eald sweord etonisc, thät him Onela forgeaf,
his gädelinges gûdh-gewaedu,
fyrd-searo fûslic: nô ymbe thâ faehdhe spräc,
theáh the hê his brôdhar bearn âbredwade. 2615-20.
dem Sippen er raubte
den braunschönen Helm, die Brünne von Ringen,
das enzische Altschwert, das ihm Onela gab,
seines Gatelinges Gundgeraethe,
das köstliche Kriegszeug.--Nie von diesem Kampf ersprach,
obgleich er an Brüders Söhnen Balthaten übte.
Uit deze vertaling van Ettmüller blijkt dat gûdh-gewaedu en fyrd-searo
parallel zijn met helm, byrnan, sweord; him 2617 is Eanmund; het
onderwerp van spräc 2619 is Weohstan.
De zin komt hierop neer: Weohstan berooft Eanmund van het zwaard,
dat Onela aan dezen laatste had gegeven; doch hij, Weohstan, rept
nooit een woord van dat wapenfeit.
Grein slaat denzelfden weg in als Ettmüller, als blijkt uit de
volgende verzen:
und entführte seinen Maagen
den braunbunten Helm, die Brünne die geringte,
das alte Riesenschwert, das Onela ihm gab,
seines Verwandten Waffenrüstung,
die stattlichen Fahrtgewande: um die Feindschaft sprach er nicht,
obgleich er seines Bruders Gebornen tödtete.
Greins opvatting schijnt mij aan gegronden twijfel onderhevig. Ätberan
beteekent niet rauben, entführen maar aanbrengen, ergens heen voeren.
Doch daarvan afgezien, kan men zich afvragen welke «Maagen» Grein
bedoelt?
Ontvoerde Weohstan aan Eanmunds magen d. i. Onela het zwaard?
Maar welk recht had Onela er op, daar volgens de oorlogswet de
overwinnaar zich den wapenroof kon toeeigenen?
Ofwel ontvoerde hij het zwaard his magum d. i. ten voordeele van zijn
eigen magen, ergo van Wiglaf?
Doch dat druist in tegen 2621, waar volgens Weohstan het zwaard
zelf behoudt.
Greins vertaling van «his mâgum ätbär» is dus voor verscheiden
uitleggingen vatbaar.
his mâgum ätbär beteekent: Weohstan bracht aan Eanmunds magen d. i. aan
Onela den krijgsroof.
Daarom ware het beter geweest, zooals Cosijn zeer juist aanmerkt,
het enkelv. his maege i. e. Onelan te lezen. Thät him Onela forgeaf:
(het zwaard) dat Onela aan Eanmund had gegeven.
thät slaat, blijkens Cosijns terechtwijzing, grammatisch op sweord,
logisch op de drie spolia, die 2618 als gûdh-gewaedu worden aangeduid.
his gädelinges, dat onmiddellijk volgt op thät him Onela forgeaf, is
niets anders dan eene zinledige en gebrekkige herhaling. Men oordeele:
«het zwaard dat Onela aan Eanmund had gegeven, het strijdgewaad van
Onela's Eanmund;» immers «het strijdgewaad van zijnen (d. i. Onela's)
bloedverwant» zegt op de keper beschouwd hetzelfde als het ééne
woord Eanmund.
nó ymbe thâ faehdhe spräc: «Weohstan sprak niet over dat gevecht.»
Zoo heet het bij Ettmüller en ook bij Grein; want in dezes vertaling
«um die Feindschaft sprach er nicht» kan er zich slechts betrekken
op het onderwerp van den vorigen hoofdzin d. i. op Weohstan.
De vraag ligt hier voor de hand, waarom Weohstan nooit sprak van
zijn heldenfeit?
Niet alleen is het eene vraag, waaraan ons epos het antwoord schuldig
blijft, maar er bestaat ook hoegenaamd geene reden tot verzwijging,
vooral nu Weohstan zooveel gewicht hecht aan die wapens, dat hij ze
jaren lang bewaart en ze niet aan Wiglaf toevertrouwt, vooraleer deze
volwassen is.
Om al die redenen wijzig ik het zinsverband zooals volgt:
Ik plaats een punt na etonisc; thät him Onela forgeaf is een hoofdzin;
thät is aanwijzend voornaamwoord en him ziet terug op Weohstan;
na fûslic kome een punt te staan.
Het onderwerp van nô ymbe thâ faehdhe spräc is Onela en niet Weohstan.
De wijziging, welke den tekst onaangeroerd laat, geeft eenen goeden
zin:
Weohstan bracht aan Onela Eanmunds zwaard met toebehooren. Onela
wilde het niet aannemen, maar liet het hem houden; hij verweet zelfs
niet aan Weohstan, dat deze Eanmund, den zoon van zijn eigen broeder,
gedood had.
Men vergete niet, dat Onela, volgens het Germaansche oorlogsrecht,
verplicht was zijnen neef te wreken.
Zoo biedt de zin niets meer aan, wat niet in den haak is.
69