Nu {89} hief hij aan de wapenjonge heerscher [623]:
«Niet daagt het in het Oost, niet vliegt er vuurdraak,
Niet brandt de horentrans [624] van deze halle;
Maar helden rukken aan met legerharnas,
5 Gezwaaiden pijlboog; oorlogsvogels [625] zingen; [626] {90}
Het bruin kuras rinkinkt, het kamphout [627] klettert,
't Schild antwoordt [628] aan de schacht. Nu schijnt het
maanlicht,
Het volle, door de wolk, nu rijzen weedaân [629],
Die dezen volkshaat tot volvoering brengen.
10 Op! waakt nu allen op, gij mijne weerbren,
Den lindebast [630] gebeurd, gestreefd naar stoutheid,
Gevochten aan de heerspits, weest heldhaftig!»
Daar hief zich menig held, met goud behangen [631],
En gordde zich het zwaard; nu gingen deurwaarts
15 Sigferd en Eaha, de onversaagde kampers,
Zij togen 't staal; Ordlaf en Gudlaf stapten
Nu heen naar de andre deur, en Hengest zelve
Hij volgde op 't spoor.
De Strijd-Deen [632] stuurde Garulf [633]
Nu toe, dat deze dit doorluchtig leven,
20 Zijn krijgssieraden niet bij de eerste reize
Zou henendragen naar der halle deuren;
Daar hij, de wapenstoute, 't [634] wilde nemen. [635]
Maar over allen heen en onverholen
Vroeg deze dappre [636], wie de deur bewaarde.
25 «Mijn naam is Sigeferd, hernam de tweede,
'k Ben vorst der Secgen, ver gevierd een ridder,
'k Beleefde talrijk leed en sture strijden.
U weggelegd is dit nu: wat van beide [637]
Gij zelve wenscht bij mij te komen zoeken.»
30 Nu was het bij den wand gedreun des doodkamps,
Nu moest het kille schild {91} ter hand des koenen,
De beerhelm [638] barsten. Heel de halle schokte;
Totdat in dit gevecht het eerst ineenkromp
Van al de krijgers Garulf, zoon van Gudlaf,
35 En rondom dezen menigeen der dappren.
Nu zwierf de rave zwierend om de lijken, [639]
Zij doolde zwart in 't rond en donkerpluimig.
Het zwaardgebliksem ging, of gansch de Finnsburg
In lichter laaie stond. Nog nooit vernam ik,
40 Dat beter bij der mannen kamp zich kweten
En waardiger een zestig zegehelden,
Noch dat goedgeefser borsten ooit vergolden
De zoete mede, dan aan Hnäf de mannen.
Vijf dagen vochten zij, dat van 't gevolgschap
45 Niet één er zeeg; maar zij de deur bezetten.
Nu keerde weder een gewonde kamper [640];
Hij zei, gebroken was 't kuras, onbruikbaar
Het strijdgewaad, en zijn helmet doorstoken.
Dan vroeg hem fluks de herder van de volkschaar [641],
50 Of wél de kampers voeren bij hun wonden,
Of niet de moed der jonge mannen naliet... [642] {92}