Nu hoopten op den grond de Gootenhelden
Een sterken stapel op, omhuifd met helmen,
Met oorlogsschilden, schitterblanke pantsers;
Als luidde zijne beê. Vervolgens legden
3255 Ze in 't midden neer den hoogvermaarden koning
De droeve helden hunnen lieven heerscher.
Daarop ontstaken op den berg [614] de strijders
Den breedsten lijkenbrand. De houtwalm hief zich [615]
De zwarte boven smook, het vlamgezwirrel,
3260 Doorkruist met kreten;--'t windgewentel rustte--
Totdat het had verheerd, de borst doorblakend,
Het beendrenstel. Zij klaagden lustverstoken
Hun hartekwaal, den dood des krijgerkonings.
Ook zong alzoo de jonkvrouw [616] jammerspreuken
3265 Om Beowulf, zij met saamgebonden lokken,
Door zorgen aangezet. Zij zei genoegzaam,
Dat zij de zure rampspoedsdagen duchtte,
d'Onmeetbren lijkenoogst, den angst der mannen,
En hoon en hechtenis. [617] Nu had de hemel
3270 Den rook verzwolgen {88}. Op de rotskaap richtten
De Wederlieden op een lijkenheuvel,
Die rijzig was en breed, die in het wijde
Zou zichtbaar wezen voor de zeebevaarders.
In tiental dagen bouwden zij 't gedenkstuk
3275 Des slagberoemden, bij de rest des lijkbrands.
Zij wierpen eenen wal erom, zoo deugdelijk
Als 't hoogst ervaren mannen konden vinden.
Zij borgen ringen in den berg [618] en tooisels,
Al zulke sier als krijgsgezinde mannen
3280 Ontvoerden uit de schatten kort te voren.
Zij lieten de aard der helden tooi behouden,
Het goud in 't zand; alwaar het zit tot heden,
Zoo nutteloos den mensch, gelijk voorhenen.
Toen reden rond het graf de wapenwakkren,
3285 Van de edelliên, van alle twaalf, de loten. [619]
Zij wilden weder klagen, weer gewagen
Van hunnen koning, weder spreuken konden
En nopens hem verhalen al het goede.
Zij roemden zijnen riddermoed, vermeldden
3290 Zijn heldenfeiten, volgens hun vermogen,
Als 't past zijn vorst en vriend door 't woord te prijzen,
Te heugen in het hart, wanneer hij heenvaart, [620]
Wanneer hij zich ontledigt van het lichaam.
Zoo rouwden om den dood des rijksgebieders
3295 De Gootenhelden al, de haardgenooten.
Zij zeiden, dat hij was der wereldvorsten,
Der mannen mildste, 't minzaamst voor de menschen,
Het liefste voor het volk, het lofbegeerigst. [621]