Zoo hadden dit tot op den dag des oordeels {85}
De hooggeroemde heerschers [602] diep betooverd,
Die 't hier verscholen, dat hij schuld zou dragen
3170 Aan 't wanvergrijp, in 't vloekverblijf gegrendeld,
In hellekluisters vastgeklonken worden,
Bezwaard met zonden, die de plaats zou plundren.
Nu was het klaar, dat niet de kamp beklijfde:
Aan hem [603], die wederrechtig in den rotswand
3175 De have had bewaard, (hem had de wachter [604]
Alleen vooreerst gedood) nu dat de veete
Met kracht gewroken was. Het is iets wonders,
Wáár 't wezen zal, wanneer een wapenkrijger,
Een krachtberoemde, 't eind bereikt des levens;
3180 Als langer niet de man de medehuizing
Bewonen mag te zamen met de magen. [605]
En zoo gebeurde 't Beowulf, als hij opzocht
Den wachter van den berg, den strijd. Niet wist hij,
Waardoor geschieden zou zijn levensscheiding. [606]
3185 Goudgierig was hij niet [607]: hij had volgaarne
Des goudbezitters gunst gezien te voren. {86}
En Wiglaf nam het woord, de zoon van Wichstan:
«Wel menigwerf om wille van een enkle
Zal menig oorlogsman vervolging lijden, [608]
3190 Als 't ons nu overkomen is. Wij konden
Den dierbren heer, den herder van de volken,
Niet helpen met een raad: dat hij den hoeder
Des gouds niet ging te lijf, maar dezen liever
Zou laten rusten, waar hij lang verwijlde,
3195 Zijn krocht bewonen tot het eind der wereld.
Ons trof een harde lot. De kostbaarheden
Zij zijn gezien en moeitevol bemeesterd.
Te machtig was de buit, die mijn gebieder
Er henen troonde. Ik heb getoefd daarbinnen,
3200 In 't ronde 't al gezien, 't sieraad der woning;
Daar mij gegeven was, vergund de toegang,
In 't minste niet genoeglijk, in den aardwal.
Ik greep in aller haast met beide handen
Een groote reuzenvracht van keursieraden
3205 En droeg ze weg van daar naar mijnen meester.
Hij was alsnog bij leven, wijs, bewustvol.
Veel zei in zorg de grijs. Hij liet u groeten
En vroeg, dat gij den vriend een brandplaats stichtet,
Een hoogen heuvel, volgens dezes daden,
3210 Beroemd en rijzig; daar hij in het ronde
Der mannen waardste kamper was ter wereld,
Zoolang als hij genoot de burchtkleinooden.
Welaan, nu voortgerept een tweede reize,
Gezien en opgezocht de kunstverzaamling,
3215 De wonderdingen onder deze wanden.
Ik wijs den weg, dat gij nabij bewondert
Genoegzaam ringen met het reuzig goudwerk.
De lijkbaar sta gereed, bereid ter stonde,
Als wij te voorschijn komen en vervolgens
3220 Ons aller vorst, den dierbren man, vervoeren,
Waar hij in 's Heeren hoede lang zal wijlen.»
De zoon van Wichstan liet vervolgens weten,
De wapenstoute held, aan tal van strijders,
Van landbezitters, dat zij tot den lijkbrand
3225 De mutsaards brengen moesten uit de verte,
De legerhoofden naar den goede [609] henen.
«Nu zal (bij 't zwellen van de zwarte vlammen)
Het vuur der oorlogslieden vorst verslinden, {87}
Die dikwijls heeft getrotst den ijzerhagel,
3230 Als krachtig voortgestuwd de storm der pijlen
Heenbruiste boven eene schans van schilden,
En, vliegensreede door zijn veeruitrusting,
De schacht zijn diensten deed, den schicht vervolgde.» [610]
Nu riep te zaam de wijze zoon van Wichstan
3235 Uit 's konings stoet de zeven beste strijders
En trok in 't moordvertrek [611] als een van 't achttal.
Een fakkel hield er een der oorlogshelden
In zijne hand, die aan het hoofd vooropging.
Niet lag 't aan 't lot [612] wie rooven zou den rijkdom,
3240 Nu zonder hoeder hoegenaamd de helden
Hem opgestapeld zagen in de stede,
Daar rusten roestverweerd. Niet een dien 't rouwde,
Toen zij in allerijl naar buiten brachten
Den kostbren schat. [613] Zij schoven mee het monster,
3245 Den reuzenworm, langs 't oeverrif en lieten
Hem grijpen door de golf, der have herder,
Omvangen door den vloed. Dan werd op wagens
't Gewonden goudsieraad, het gansch ontelbre,
Opeengehoopt, en naar de Walvischhoogte
3250 De vorst gebracht, de grijze wapenvoerder.